Hans Keller 2 februari 1937 – 19 december 2019

Als tv-maker benaderde hij zijn onderwerpen tastend, intuïtief en associatief. Daarmee creëerde autodidact en multitalent Hans Keller vernieuwende, kunstzinnige televisie.

‘Hans Keller is een dichter’, zei Maria Barnas in 2012 bij de presentatie van een dvd-box met dertien van zijn documentaires. Keller was in elk geval de man die ons van 1998 tot 2014 de schitterende Dode dichters almanak bezorgde met auteurs uit gans de wereld die een eigen gedicht voordroegen. En degeen die al in 1962 Avro’s Literaire ontmoetingen vastlegde, waarin Hans Gomperts (de Van Dis/Zeeman/Brands van toen) met schrijvers sprak. Eerste geportretteerde was dichter J.C. Bloem en niet, zoals de Avro wilde, Roland Holst. Het tekent smaak en stijl van de makers.

In 1964 eindigde de reeks toen de omroep Remco Camperts gedicht ‘Niet te geloven’ wilde censureren: ‘Alles zoop en naaide’. Keller weigerde en stapte over naar de kro. Waar hij in 1969 zou vertrekken uit solidariteit met zijn ontslagen collega Frits van der Poel. Man met ruggengraat dus, in een tijd van conflicten tussen behoudende bestuurders en vernieuwende journalisten en kunstenaars. Man ook die, de interviewregistratie ver voorbij, heuse documentaires over schrijvers was gaan maken: Boon, Grass, Böll. En die daarmee bij de vpro en later zelfstandig door zou gaan: Reve, Multatuli, de Vijftigers, Joseph Roth, Campert (alsnog), Pavese, Bassani, Malaparte, Paustovski. Televisie over schrijvers en schrijven – kom er eens om in tijden van de moord op Boeken, waaraan die genoemde Almanak trouwens voorafging. Twee hoofdstukken uit de tragedie ‘Netmanagers – of de televisie onherstelbaar verbeterd’.

Kellers belang voor kwaliteitstelevisie dateert van voor hij ooit een camera vasthield. Eind jaren vijftig begonnen als journalist bij de Volkskrant werd hij tv-recensent. Het medium werd in artistiek-intellectuele kring weinig serieus genomen, maar Keller omarmde het als plek om kunst en kunstenaars bij een groot publiek te brengen. In 1961 (hij was 24) bedacht hij samen met Henk Schaafsma (NRC) en Han G. Hoekstra (Het Parool) de Zilveren Nipkowschijf, bekroning voor uitmuntende televisie. Dat ze de eerste aan Pierre Janssen gaven voor diens programma’s over beeldende kunst, was een statement.

Bijzonder is dat Keller niet alleen de stap van recensent naar maker zette, maar dat hij, zonder professionele scholing, uitgroeide tot een Grote in het vak: in 1973 won hij zijn ‘eigen’ Nipkowschijf als initiator, eindredacteur en mede-maker van Het Gat van Nederland (vpro), experimenteel mozaïekprogramma, vormgegeven door Jaap Drupsteen, waaraan talent in veel disciplines meewerkte, in uiteenlopende stijlen, van Bromet, Van der Elsken, Verhoeff, Wiering tot De Bie en Van Kooten die er de basis legden voor hun latere werk. Een soort totaaltelevisie.

Keller wilde de ‘zijstraten’ in om te zien hoe de geschiedenis voor mensen werkelijk was

Zoals Keller – net als Jan Blokker zonder universitair diploma – tot de intellectuelen onder de tv-makers behoorde, zo werd hij schijnbaar vanuit het niets een uitmuntend filmer. Zijn werk gaat vaak over kunst, maar is van zichzelf kunstzinnige televisie, soms televisiekunst. Juist in het groeiende deel waarin hij niet die kunsten maar ‘de geschiedenis’, ‘de tijdgeest’ of pakweg ‘leven elders’, van Amerika tot Japan, van Rusland tot Afrika, tot onderwerp maakte. Onderwerpen die hij vaak tastend, intuïtief en associatief benaderde, waarbij zijn zelfgesproken essayistische commentaar essentieel was voor vorm en inhoud. Zijn ongeëvenaarde stem begeleidde niet alleen het beeld, maar bepaalde ook sfeer en karakter, waarbij melancholie over vergankelijkheid, vergeefsheid en betrekkelijkheid een basso continuo vormde. Die eigen stijl, waarbij impliciet belangrijker was dan uitgesproken (waardoor de kijker zelf moest associëren), de reis belangrijker dan de bestemming, traagheid won van snelheid, is zowel bekritiseerd als bejubeld. In een tamelijk recent debat over het maken van schrijversportretten werd hem die kritiek op ‘de vpro-stijl’ voorgelegd: hij grijnsde en zei, volstrekt onpolemisch, dat het hem niet traag genoeg kon zijn.

Kritisch was Keller vaak, maar veel meer in het genre van het zorgvuldig ‘tegels lichten’ en het tonen van ‘de achterkant van het gelijk’ dan in vlammende aanklacht en Grote Woorden en Beelden. Het effect was minstens zo sterk. Toen De Groene eind 2006 de lezers vroeg om hun Eeuwige Televisie Top (Van Kooten en De Bie wonnen) stonden bij de beste acht Het Gat van Nederland (1972-1973), Vastberaden, maar soepel en met mate (1974) en Tegenlicht (sinds 2002). Keller was eindredacteur van zowel Het Gat als van Tegenlicht; en Vastberaden maakte hij met Henk Hofland en Hans Verhagen.

Vastberaden, over de periode 1938-1948, is een van de belangrijkste tv-producties over vaderlandse geschiedenis. Niet alleen het granieten beeld van een dapper volk in oorlogstijd werd deels vergruisd, ook dat van de oorlog als breuk in de geschiedenis: de continuïteit tussen 1938 en 1948 bleek ijzersterk. En dat alles middels interviews met vooral Onbekende Nederlanders (toen ongebruikelijk) wier ervaringen het geraamte van de clichés van vlees en bloed voorzagen, maar ook duidelijk maakten hoeveel weerbarstiger de werkelijkheid is dan officiële geschiedschrijving vaak suggereert. Zoals de makers door gebruik van amateuropnames en filmfragmenten ook het gecanoniseerde archiefbeeld verrijkten, nuanceerden, tegenspraken. In zijn inleiding bij de boekuitgave van Vastberaden (Contact, 1976) noemt Keller de Polygoon-achtige beelden ‘de pleinen’ van de visuele geschiedenis terwijl je de ‘zijstraten’ in moet om te ervaren hoe het voor mensen werkelijk was.

Keller laat een groot oeuvre na, deels vernieuwend, vaak poëtisch. Maria Barnas had gelijk: Hans Keller was óók een dichter.