Hans Kox (19 mei 1930 – 25 februari 2019)

Componist Hans Kox was een grote, pathetische meester die cultuurrelativisten keer op keer tegen zich in het harnas joeg; een open wond waaruit muziek stroomde.

Nadat in 1974 zijn Wilde-opera Dorian Gray tot het bot is afgebrand door NRC en de Volkskrant dooft het licht in componist Hans Kox. Sindsdien is de mensheid, in zijn wereldbeeld al lang een Sodom van corruptie en vernietiging, ook een persoonlijke vijand. Terwijl het met Dorian echt erger had kunnen aflopen. Twee keer wordt het herziene opus door De Nederlandse Operastichting hernomen. Er zijn waarderende recensies. Maar voor Kox staat vast: ik tel niet meer mee, de avant-garde heeft gezegevierd.

De succesvolle mid-veertiger Hans Kox (Arnhem, 1930), in de jaren vijftig en zestig een veel gespeelde componist, staat in de jaren zeventig tot zijn verbazing opeens haaks op de tijdgeest. Hij, die al op zijn 25ste zijn eerste opdracht van het Concertgebouworkest krijgt. Hij, wiens Eerste en Tweede symfonie door meesterdirigent Eugen Jochum worden uitgevoerd, de Eerste zelfs in Japan. In 1966 is Kox zelf de solist in de première van zijn Pianoconcert met het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder Jean Fournet. In 1969 en 1971 volgen de grote vocaal-instrumentale werken In Those Days en Requiem for Europe, die met de Anne Frank Cantate van 1984 zullen opgaan in het ‘oorlogsdrieluik’, Kox’ monument voor een door oorlogen verwoeste Europese cultuur. ‘Het is het noodlot van deze wereld om voort te gaan in een verpletterende duisternis waarin miljarden mensen leven die elkaar als waanzinnige vreemdelingen bevechten.’ Die apocalyptische moraal schiet vrolijk Holland in het verkeerde keelgat. Voor In Those Days ontvangt hij in 1970 nog de Prix d’Italia, maar bij de kritiek had Kox de wind kunnen zien draaien. Waar de gevoelsmensen jubelen, bezorgt zijn pathos sceptici een kitsch-attack.

Terwijl Kox in Doetinchem een keurige muziekschool leidt en ensembles en orkesten van naam zijn gematigd-moderne kamermuziek, concerten en symfonieën uitvoeren, is in Amsterdam de pleuris uitgebroken. De cultuurschokken van het serialisme, happenings en elektronische muziek laten Kox goeddeels onberoerd. Bij Kox is een strijkkwartet een strijkkwartet, een symfonie een symfonie, een oratorium een oratorium. Hij houdt vast aan het ethos dat zijn leermeester Henk Badings hem heeft bijgebracht, het vakmanschap dat hij herkent in Sjostakovitsj en Benjamin Britten. Hij, die veel moderner is dan niet-liefhebbers denken, gaat de boeken in als evolutionaire achterhoede.

Goddomme, wat een muziek. Grillig, woest, ongenaakbaar verbeten

Wanneer Kox in werken als Phobos of zijn Cyclofonieën-cyclus voor gemengde bezettingen flirt met elektronische muziek of Ligeti-achtige klankvelden zien zijn critici er opportunistische vrijages met de avant-garde in, omdat ze ten onrechte niet kunnen geloven dat een man als hij oprecht geïnteresseerd is in het nieuwe. De zanger Lieuwe Visser zei het goed: ‘Zijn uiterlijk is alleszeggend: hij ziet eruit als de rector van een provinciaal gymnasium.’ Zo spreekt Kox ook: zacht en plechtstatig, met didactische nadruk. Hij is de man met het vlinderstrikje. Hans is niet behendig.

Na Dorian Gray verdwijnt hij uit beeld. Hij blijft buiten mijn gezichtsveld, tot ik begin jaren negentig een cd-opname van zijn liederencyclus l’Allegria en het Eerste celloconcert beluister. Geweldige, verscheurde, eenzame muziek van een meester. Als ik hem in 1995 opzoek, tref ik een verslagen man aan, nog altijd in de ban van een cultuurnihilisme dat stilaan is vergroeid met zijn autobiografische lijdensweg. Ik raakte zeer op hem gesteld en schreef een boek over hem. De last op zijn schouders was een echte. Hij was een zacht, weerloos mens van uitzonderlijke gaven, aangestoken door grote gevoelens die hij met zijn grote ziel niet klein kon houden; een open wond waaruit muziek stroomde. Naast Hans voelde de grootste kluns zich een gewiekste ritselaar.

Maar hij was tenminste zo verstandig zijn maatschappelijke ambities op te geven. Na zijn vertrek als docent compositie aan het Utrechts conservatorium sloot hij zich in Haarlem op om met verbijsterende productiviteit het ene stuk na het andere te produceren. De buitenwereld liet hij over aan zijn vrouw Hélène, die zich met onverwoestbaar uithoudingsvermogen op haar strijd tegen de chronische miskenning wierp. Haar telefonades werden in kleine kring legendarisch. ‘Zeg, ken jij de artistiek leider van de Berliner Philharmoniker?’ Simon Rattle moest toch zeker wel interesse hebben in de wereldpremière van Hans’ Vijfde? Sweet dreams. Zo bood ik, onbezoldigd Kox-ambassadeur, Anne-Sophie Mutter de partituur aan van het Derde vioolconcert, haar verzekerend dat het een meesterwerk betrof. Ze keek me aan als de elitewijnboer die een glas Beaujolais krijgt voorgezet. Had ze dat stuk gespeeld, dan was het doorgebroken. In zijn beste werken wiste de musicus de krukkige profeet zo goed als uit. Het pianokwintet Memories and Recollections, het Galgentrio, The Silent Cry of de Vijftiende cyclofonie, Der Wechsel menschlicher Sachen – goddomme, wat een muziek. Grillig, woest, ongenaakbaar verbeten. En dat bleef niet onopgemerkt. Hans werd weer vaker uitgevoerd, krabbelde op – maar de pijn bleef.

Een paar jaar geleden werd ik gevraagd voor de toelichting bij een cd-opname van het oorlogsdrieluik. Tactisch ontweek ik in mijn nuchtere beschrijving de verlangde grote woorden. Na levering Hélène aan de lijn: ‘Tsja, we vinden je tekst zo weinig enthousiast.’ Ik begreep: men had geboekstaafd willen worden als de grootste cultuurdrager sinds Erasmus. Deze goede, waardevolle mensen verlangden de grootspraak die Hans’ muze had verduisterd en zijn reputatie had gebroken. Ik had gloeiend de pest in en dat spijt me. Het was maar onzekerheid.