Berlijn 2004 © Imago Stock & People GmbH / ANP

Toen hij in 1957 als dichter en auteur debuteerde, gold hij in kleine kring al als fenomeen – intelligent, brutaal, nonconformistisch. Hij was niet het type van de gezworen buitenstaander, hij deed maar al te graag mee, maar áls hij meedeed was het op eigen voorwaarden. Kon hij die niet doorzetten, dan was hij er snel en ongezien vandoor. ‘Ik deserteer graag’, heet het in een gedicht uit 1999, en dat heeft hij van meet af aan bewezen.

Als veertien- of vijftienjarig lid van de Hitlerjugend onttrok hij zich maximaal aan de verplichte oefeningen en rituelen; amper zestien, direct na de Duitse capitulatie, meldde hij zich aan als tolk bij de Britse en Amerikaanse troepen. Als gymnasiast en student – filosofie en literatuurwetenschap – liet hij het traditionele, dus besmette curriculum hoofdzakelijk links liggen en zocht hij lezend en schrijvend zijn eigen encyclopedische kronkelweg. Dankzij een stipendium mocht hij een jaar aan de Sorbonne studeren, maar de universiteit trok hem minder dan de vrijgevochten artistieke en intellectuele bohème in Saint-Germain-des-Prés. Zijn levenslange liefde voor Voltaire en vooral Diderot zal daar een stevige impuls hebben gekregen; niet veel later zou hij, terug in Duitsland, de eigentijdse belichaming van deze spotlustige duizendpoten worden.

Maar allereerst was het zaak een beroepsmatige grondslag voor zo’n alternatief intellectueel bestaan te vinden; met nachtelijke debatten, studententoneel en poëzie kwam er geen brood op de plank. Dus besloot hij in 1953 aan de filosofische faculteit van Erlangen te promoveren. Zijn dissertatievoorstel: de retoriek van Hitler. Verbijstering alom.

Zijn tweede, goedgekeurde, keus baarde evenzeer opzien: Über das dichterische Verfahren in Clemens Brentano’s lyrischen Werk, over zijn poëtica dus. Brentano was de meest excentrieke onder de Duitse Romantici, een kleurrijke, veelzijdige en satirische geest, in die zin een inspirerende voorganger. Maar anders dan in de traditionele germanistiek was Enzensberger – in het spoor van Adorno, zijn invloedrijkste leermeester – nadrukkelijk niet geïnteresseerd in biografische aspecten, het ging hem om een immanente analyse van het werk; hij wilde duidelijk maken dat er een principieel onderscheid bestaat tussen het empirische ik van de dichter en zijn poëtische ik – ook dat stuitte op felle weerstand.

De poëzie was subversief maar helder als die van Heine en Brecht

Consequent was zijn afkeer van het biografische overigens allerminst. In zijn Requiem für eine romantische Frau (1988) nam hij het op voor Brentano’s levensgezellin, Auguste Bussmann, die in de ogen van de beroemde dichter ‘een perfecte hysterica’, ‘een overspannen, verkrampte’ persoon was, niets anders dan een molensteen om zijn nek. Zelf was de romanticus, aldus Enzensberger, behalve ‘een virtuoos in de hartstochtelijke toewijding’ ook een eersteklas klager, een smoezenmaker die verdronk in de tranen van het zelfmedelijden.

Voor een academische carrière voelde Enzensberger niets. Hij wilde invloed uitoefenen. Dus koos hij, erudiet en voor de duivel niet bang, voor de openbare bühne, de radio, de krant, de uitgeverij, de literatuur. Zijn poëziedebuut, 1957, is een datum in de Duitse literatuur: niet eerder veroorzaakte een bundel zoveel commotie en zoveel tweespalt in de kritiek. Niet omdat hij een nieuwe fase van onbegrijpelijkheid of radicalisme introduceerde, het idee van splendid isolation vond hij hooghartig en de hermetische avant-garde was, vond hij, uitgespeeld. Nee, de poëzie was subversief maar helder als die van Heine en Brecht.

Verteidigung der Wölfe heet de bundel, aanvankelijk nog gespeld zonder kapitalen. Verontwaardiging en bewondering oogstte hij vooral vanwege de slotafdeling, zeventien ‘Böse Gedichte’. In een anti-schoolgedicht spoort hij de leerlingen aan het ruime sop te kiezen: ‘Lees geen oden, mijn zoon, lees spoorboekjes:/ die zijn preciezer. Rol de zeekaarten open/ voor het te laat is.’ In het titelgedicht beschuldigt hij niet de bloeddorstige wolven maar hun slachtoffers, ‘de lammeren’, zij hebben door hun laffe meegaandheid het bewind van de wolven mogelijk gemaakt. ‘Wie naait de bloedstrepen/ op de broek van de generaal? (…) Wie hangt trots het blikken kruis/ voor de grommende navel?’ Let wel: dat was veertig jaar voor Goldhagen het had over ‘Hitlers gewillige beulen’.

Medeschuldig aan dat ingekankerde conformisme was de ‘bewustzijnsindustrie’, die hij in zijn eerste gebundelde essays (Einzelheiten, 1962) even scherp als concreet analyseert, niet om er zich van te distantiëren maar om haar à la Brecht en Benjamin in emancipatorische zin te hervormen. Dat was het begin van een niet-aflatende stroom publicaties in alle mogelijke genres, alleen de traditionele roman met zijn ongeloofwaardig geworden alwetende verteller ontbreekt. Tot de vele hoogtepunten behoren De korte zomer van de anarchie (1972), een documentaire roman over de Spaanse Revolutie, waarin hij de sympathieke trekken van het anarchisme maar ook de tekortkomingen en onmogelijkheid aantoont; de epische poëzie in De ondergang van de Titanic en Mausoleum; de voorbeeldige, onverminderd actuele essayistiek in Ach Europa! Lof van de inconsequentie, De grote volksverhuizing en De radicale verliezer.

In één moeite door slechtte hij in glanzende stijl, lichtvoetig en elegant, de grenzen tussen filosofie, journalistiek en literatuur. Als geen ander heeft hij het intellectuele klimaat in de Bondsrepubliek van zwaarte en zelfbeklag ontdaan. Zijn generatiegenoot Alexander Kluge noemde hem de saboteur van zijn depressies, terecht, Enzensberger behoort tot het zeldzame menstype dat met het klimmen der jaren wel wijzer werd maar niets van zijn jeugdigheid verloor.