In Memoriam

Hans Righart (1954-2001)

In de fraaie leeszaal van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis heerst altijd een plechtige stilte. Een paar studenten vlooien honderd jaar oude arbeiderskranten door, een enkele in de strijd vergrijsde socialist leest Het Volk, en een of twee buitenlanders neuzen in de brieven van Marx of de papieren van Pavel Axelrod. Begin jaren negentig was er echter regelmatig een vlot uitziende, joviaal besnorde man van rond de veertig te zien, die de grootste moeite had niet in lachen uit te barsten bij het lezen van blijkbaar zeer krank jorume teksten.

De manifesten van Robert Jasper Grootveld en Provo, bladen als Hitweek en Twen/Taboe — was dat wel materiaal waar een serieus historicus zich in moest verdiepen? Hans Righart vond van wel. Het was het leukste onderzoek van een historicus die naam had gemaakt met een dissertatie over de opkomst van de katholieke zuil in een aantal West-Europese landen en die reeds op 34-jarige leeftijd hoogleraar was geworden. Het onderzoek zou resulteren in het aanstekelijke boek De eindeloze jaren zestig, dat boordevol smakelijke anekdotes en prachtige citaten zat.

Dat was in 1995. Daarna hoorde je niet veel meer van Hans Righart. Afgelopen zaterdag meldde de krant dat hij, na een langdurig ziekbed, aan een hersentumor is overleden.

Hans Righart leek alles mee te hebben: hij was een knappe, charmante verschijning, goed van de tongriem gesneden, en iemand die soepel en ogenschijnlijk moeiteloos schreef. Dat laatste bleek uit de columns die aanvankelijk in HP/De Tijd verschenen. Toen daar het columnistenbestand werd «opgeschoond» werd hij met open armen bij De Groene verwelkomd. Zelf noemde hij zich toen the columnist who came in from the cold. Helaas zag hij zich al na een half jaar genoodzaakt te stoppen met zijn wekelijkse bijdrage.

Hoewel zijn Utrechtse leerstoel politieke geschiedenis na 1500 was, ging Righart zich al snel toeleggen op de cultuurgeschiedenis. Echter niet op de deftige cultuurgeschiedenis à la Huizinga of Von der Dunk, maar op zo’n «oppervlakkig» onderwerp als de culturele aardverschuiving van de jaren zestig. Toen in 1995 zijn boek uitkwam, had hij de pech dat vrijwel tegelijkertijd James Kennedy promoveerde op Nieuw Babylon in aanbouw: Nederland in de jaren zestig. Dat boek was veel analytisch er, met ruime aandacht voor de politieke en religieuze verhoudingen, en werd dus door de meeste critici geprefereerd boven het vrolijke boek van Righart.

Het verwerken van die kritiek moet niet gemakkelijk zijn geweest, vooral niet omdat in dezelfde tijd zijn huwelijk stukliep. Tijdens het interview dat ik eind 1995 met hem had, praatte hij honderduit. Over zijn problemen, maar vooral over zijn passie: popmuziek. Hij bekende dat hij, net als al zijn leeftijdgenoten, een tijdlang gedacht had dat hij te oud was voor popmuziek, en dat hij zich vol ijver op de klassieke muziek had gestort. «Tot ik tot de conclusie kwam: dit is allemaal wel mooi, maar het is niet van mij, het emotioneert mij niet. Als ik naar Mozart luister, hoor ik heus wel dat het mooi is, maar het doet me niets. En dat terwijl ik elke keer als ik Waterloo Sunset van de Kinks hoor kippenvel krijg.»