18 augustus 1931 - 11 maart 2010

Hans van Mierlo

Met Hans van Mierlo is een ideaal, een tijd en een Nederland heengegaan. Hij was in alles de tegenpool van Geert Wilders.

Het is natuurlijk puur toeval. Maar dat d66-oprichter Hans van Mierlo overlijdt op de avond dat in de gemeentehuizen van Den Haag en Almere de zeventien raadsleden van de Partij voor de Vrijheid de eed of de belofte afleggen, lijkt welhaast symbolisch. Alsof de man die de verpersoonlijking was van het streven naar het openbreken van het verzuilde Nederlandse politieke landschap uit de jaren zestig deze verdere opmars van Geert Wilders en de zijnen niet meer wilde meemaken. Alsof de 78 jaar oude man het niet meer kon aanzien hoe een partij zich afzet tegen de politieke elite door bevolkingsgroepen in de samenleving tegen elkaar op te zetten, wantrouwen te zaaien en de democratie doelbewust te ondermijnen. Het moet Van Mierlo een gruwel zijn geweest. Hij moet zich hebben gerealiseerd dat zijn ideaal was ontspoord. Zijn eigen kindje, de partij die hij 44 jaar geleden oprichtte om dat ideaal te bereiken, doet het momenteel dan wel weer goed. Maar dat kan voor hem niet voldoende hebben opgewogen tegen de zegetocht van de pvv.
Die gelijktijdigheid, de dood van Hans van Mierlo en de beëdiging van de pvv-raadsleden, lijkt daarmee op een dramatisch hoogtepunt zoals je dat eigenlijk alleen ziet in het script van een goede Griekse tragedie.
Want hoe verschrikkelijk de vergelijking hem zou zijn geweest, Van Mierlo had met Wilders één ding gemeen: ze verzetten zich beiden tegen het politieke bestel. Uit Van Mierlo’s ‘ziek en moe’ zoals hij dat bestel in de jaren zestig in het beroemd geworden reclamespotje noemde, sprak echter oprechte bevlogenheid voor de publieke zaak. Uit Wilders’ 'linkse elite’ en 'die hele politieke kliek’ spreken vooral haat en minachting.
Een groter contrast dan tussen de personen Van Mierlo en Wilders is dan ook bijna niet denkbaar. Van Mierlo de man die echt van buiten de politiek het bastion bestormde, tegenover Wilders die doet alsof hij van buiten komt, maar al geruime tijd deel uitmaakte van de politieke elite toen hij zich ertegen begon te keren. Van Mierlo die ook na zijn vele politieke functies, zoals fractievoorzitter, minister en minister van staat, nooit het prototype van een politicus was geworden, tegenover Wilders die alle politieke trucs hanteert en heel geslepen aan de politieke opmars van zijn partij sleutelt. Van Mierlo die een democraat was tot in zijn tenen, tegenover Wilders die binnen zijn eigen pvv geen democratie duldt en alle touwtjes zelf in handen houdt.
De lijst met tegenstellingen kan nog langer. Van Mierlo de denker die hield van lange betogen met vergezichten en ideaalbeelden, tegenover Wilders die handelt in korte quotes waarin, als er al een vergezicht uit spreekt dit toch vooral een schrikbeeld is. Van Mierlo die ondanks zijn vermogen tot tobben altijd hoop uitstraalde, tegenover Wilders die het moet hebben van de angst. Van Mierlo die doet denken aan een Bourgondisch leven met een goed glas, een goed boek, goede muziek en een goed gesprek, tegenover Wilders waarbij slechts een kil en schraal bestaan opdoemt. Van Mierlo een man om van te houden en een man die van mensen hield, tegenover Wilders van wie zelfs zijn partijgenoten niet houden en die zelf ook niet van mensen lijkt te houden.
Beide mannen vertegenwoordigen met hun persoon ook een periode in de Nederlandse geschiedenis. Haal die twee voor ogen en er doemt bij ieder een tijdsbeeld op. Bij Van Mierlo zijn dat de jaren zestig van de vorige eeuw, toen we dachten dat het allemaal beter zou worden, dat de mens een vrijer bestaan tegemoet zou gaan, ontlast van de benauwende sociale controle van kerk en buren en de verstikkende regels over seksualiteit, en we ons geen moment afvroegen waar de Nederlandse identiteit uit bestond. Bij Wilders is dat het begin van deze eeuw, nu velen denken dat het in de toekomst alleen maar slechter zal gaan, menigeen vindt dat vrijheid alleen kan bestaan als er keihard wordt ingegrepen en de overheid tot achter de voordeur dringt, er angst heerst voor één geloof - de islam -, en we worstelen met de Nederlandse identiteit.
Haal de twee mannen voor ogen en er doemt ook een ander soort achterban op. Bij Van Mierlo zie je de hoger opgeleide, redelijke Nederlander, heel soms met een buitenlandse achtergrond, die zich veelal in zijn persoonlijke leven goed weet te redden en de hele wereld als zijn speelveld ziet. Bij Wilders is de achterban nog witter, maar bestaat deze voor een groot deel uit lager opgeleiden, die vooral de nadelen van de globalisering ondervinden - in hun werk en hun woonomgeving -, zich daar slachtoffer van voelen en hun onvrede daarover omzetten in boosheid. Houden d66'ers van argumenten, de pvv-aanhangers blijken daar niet gevoelig voor te zijn, waardoor de opmerking niet beklijft dat de man op wie zij hun hoop vestigen niet met oplossingen komt voor hun problemen.
De twee staan ook voor twee verschillende soorten uitstraling van Nederland in het buitenland. Van Mierlo is van de tijd dat Nederland zich nog - terecht of niet - gidsland voelde, bekend stond om zijn progressiviteit op het terrein van abortus en euthanasie en om het belang dat het hechtte aan internationale samenwerking. Wilders is van het Nederland dat zich terugtrekt achter de dijken, het predikaat progressief al lang niet meer verdient en in het buitenland meer en meer bekend komt te staan als radicaal nationalistisch en een land waar je waarnemers naartoe moet sturen bij verkiezingen.
Mijn prachtige man is dood, moest Connie Palmen vorige week laten weten. De oprichter van mijn partij en mijn inspirator is overleden, moest d66-voorman Alexander Pechtold meedelen. Maar Van Mierlo’s dood reikt verder: de verpersoonlijking van een ideaal, een tijd en een Nederland is heengegaan.