In memoriam

Hans Visser (1936-2001)

Hans Visser was een man van vele kwaliteiten. Als chemicus was hij de laatste jaren actief in Portugal, waar hij in samenwerking met de Universiteit van Porto met geld uit Brussel nieuwe technieken ontwikkelde op het gebied van een veiligere zuivelproductie. Ook verstond hij de kunst van de fotografie: zijn expositie met foto’s van zijn geliefde Porto was eerder dit jaar ook in Amsterdam te zien.

Maar de meeste bekendheid genoot hij als biograaf van Simon Vestdijk. Visser was gek op het werk van Vestdijk. Hij voelde de lokroep van Vestdijk al als scholier, toen hij op dezelfde hbs in Leeuwarden zat als eerder Vestdijk en Slauerhoff (die hij even hoog had zitten).

Vissers boek Simon Vestdijk: een schrijversleven, totstandgekomen na tientallen jaren van studie en honderden gesprekken, was een heldhaftige poging van een oprechte liefhebber. Het boek werd verguisd, zoals Visser zelf. Kees Fens noemde hem «een ordinaire bemoeial die geen discretie kent», en Willem Kuipers omschreef hem in de Volkskrant laatdunkend als een «doe-het-zelver». Afgelopen vrijdag, direct nadat het overlijden van de biograaf bekend werd, deed Arjan Peters er in de Volkskrant nog een schepje bovenop. Visser was, aldus de scribent, niet meer dan «een fan» en zijn Vestdijk-biografie derhalve niet meer dan een verzameling chaotisch gerangschikte «weetjes en dwarsverbanden». Met de van hem bekende elegantie stelde Peters vast dat Visser er maar het beste aan heeft gedaan te sterven aan de vooravond van de publicatie van de volledig herziene en «ontkuiste» versie van zijn Vestdijk-boek bij uitgeverij Aspekt.

Uit dit alles spreekt een merkwaardige haat ten aanzien van het pionierswerk van Visser. Dat hij zijn arbeid zonder letterkundig diploma heeft verricht, is blijkbaar een grote zonde. In werkelijkheid is Visser de eerste Vestdijk-biograaf geweest die de moed had af te dalen in het privé-universum van de duivelskunstenaar van Doorn. Visser zocht — zoals dat een biograaf betaamt — naar de factoren in Vestdijks leven die van invloed waren op zijn werk. Dat hij daarbij niet altijd even prettige ontdekkingen deed, spreekt bijna vanzelf. Het oeuvre van Vestdijk — misschien wel de enige Nobelprijswaardige Nederlandse schrijver van de twintigste eeuw — zit vol getourmenteerde trekjes, en het is de plicht van de biograaf daar de oorzaken van te vinden.

Dankzij Visser weten we nu veel meer over de pathologische kant van Vestdijks schrijverschap, zijn persoonlijke drama’s en trauma’s. Zulks heeft niets met voyeurisme of «indiscretie» te maken, maar is een eerste voorwaarde voor iedere biograaf. Dat Visser daarbij in hardhandige aanraking kwam met Vestdijks weduwe was te verwachten. Mieke Vestdijk haatte de biograaf van haar man, en werkte hem waar mogelijk tegen. Dat is een traditie van de literaire weduwe. Maar dat de verzamelde literatuurkritiek het vervolgens zou opnemen voor de weduwe en tegen de biograaf lag veel minder voor de hand, en toont aan dat er nog heel wat werk valt te verzetten voordat in het Nederlandse taalgebied eindelijk eens sprake zal zijn van een volwassen biografietraditie.