Debat tussen drie in Nederland wonende buitenlanders

Haperingen in het paradijs

Na de val van het kabinet-Balkenende luidt de vraag: hoe nu verder met Nederland? Een debat hierover tussen drie buitenstaanders: diplomaat Otto von der Gablentz, kunsthistoricus Gary Schwartz en zakenvrouw Lynn Kaplanian.

In de herfstige straten van Amsterdam is het stil, zo vroeg in de ochtend. Fietsers trappen doelgericht door. Rondom hen heerst de beschaving. En de rijkdom, die overal van afdruipt: brandschone trottoirs, boekwinkels, bioscopen, het Rijksmuseum en het Museumplein, en een warme bakker in vrijwel elke straat. Achter het Concertgebouw in Oud-Zuid, nog sterker: een prachtig kanaaltje, een pittoresk bos met groen loof en haast mathematisch ontworpen wandelpaden, voortsnellende supertrams, dure auto’s, dure winkels. En dat alles naast «gewone» huur appartementen, waar kinderen uit alle wereld delen vrolijk hand in hand naar school lopen.

Nederland anno 2002. Een lusthof vergeleken met veel andere landen. Toch lijkt er al lange tijd iets fundamenteel te haperen in het paradijs. Maar wat? De opkomst van het fortuynisme en de val van het kabinet-Balkenende leggen grote maatschappelijke veranderingen bloot. De vraag is hoe het nu verder moet met dit land waar een zweer is opengebarsten en dat een onzekere politieke en economische toekomst wacht.

Hierover buigen zich drie in Nederland wonende buitenlanders: Otto von der Gablentz, van 1983 tot 1990 Duits ambassadeur in Nederland; zakenvrouw Lynn Kaplanian, directeur en mede-eigenaar van The American Book Center; en kunsthistoricus Gary Schwartz, directeur van Codart, een internationaal verband van museumconservatoren van Nederlandse en Vlaamse kunst. Alledrie zijn ze ingeburgerd in de Nederlandse maatschappij, vooral Gary Schwartz, die 37 jaar geleden naar Nederland kwam en sinds 1974 Nederlands staatsburger is. Hij maakt bezwaar tegen de typering «buitenlander». «Ik ben een allochtone Nederlander», zegt hij. Toch kijkt hij net als zijn gespreks genoten met vreemde ogen naar Nederland.

Het merkwaardig «landelijke» aan de Nederlandse hoofdstad is vaak het eerste wat de buitenstaander opvalt. Gary Schwartz: «Het is mij nog altijd een raadsel: New York is ongeveer even groot als de Randstad en de stad heeft ongeveer evenveel inwoners. Hoe is het toch mogelijk dat de Randstad er zo anders uitziet dan New York? Dat hier nog steeds een groen hart is, dat de bebouwing zo laag is, dat mensen nog kunnen fietsen? Nederlanders hebben qua ruimtelijke ordening en sociale voorzieningen iets wat heel dicht in de buurt komt van een paradijs. En toch klagen ze over het minste of geringste.»

Lynn Kaplanian: «Gaat het nu om zeuren of om het zoeken naar meer kwaliteit? Nederlanders zijn niet tevreden, maar is dat erg?»

Otto von der Gablentz: «Klagen is toch deel van de menselijke natuur? Ik ben het wel eens met Gary: vergeleken met andere landen heeft men het in Nederland vreselijk goed. Men had het geluk dat de paarse regering het acht jaar lang goed heeft gedaan op alle terreinen. De problemen zijn relatief klein en oplosbaar: de files en de wachttijden in de gezondheidszorg. Ze zijn bijproducten van razendsnelle technologische en maatschappelijke veranderingen.

De algemene onvrede van een jaar geleden had diepere oorzaken, namelijk een politiek stelsel dat zich niet aanpast aan de veranderende maatschappij. Nederland is een moderne, ontwikkelde gemeenschap, maar het politieke stelsel houdt op bij de nationale grenzen. De Europese bestuurslaag maakt allang deel uit van de overheid, maar is noch deel van het politieke bewustzijn van de mensen, noch van de politieke maatschappij waarin de mensen leven. En de democratie kan slechts functioneren wanneer mensen zich ook lid voelen van een gemeenschap. In Europa bestaat die gemeenschap niet. Het ouderwetse stelsel van machtsmonopolie en natiestaat werkt nog steeds door, terwijl het concept ‹overheid› vandaag de dag juist te maken heeft met Europese regelgeving en internationale verdragen. Deze dingen regeren ons leven. Behalve Nederland hebben veel andere landen moeite zich hierbij aan te passen.»

Schwartz signaleert een aantal «democratische gebreken» van het huidige staatsbestel. Zo hoorde hij een staatsrechtsgeleerde onlangs op de radio zeggen dat er een lijmpoging inzat. Schwartz: «Het lag namelijk, zei hij, nu bij Hare Majesteit! Dat lijkt mij iets wat duidelijk buiten elke democratische controle om gebeurt.»

Von der Gablentz wijst erop dat de koningin slechts theoretisch nog voor een lijmpoging had kunnen zorgen. De brief van de LPF aan de koningin vindt hij een onzinnige actie. Over de politieke stijl van de LPF is de oud-diplomaat allerminst te spreken: «Wij hebben de LPF altijd veel te serieus genomen. Politiek is een vak. Het fenomeen Pim Fortuyn was werkelijk te gek voor woorden — een bewijs van de onrealistische conceptie van politiek in de Nederlandse samenleving. Het is een geluk dat deze regering niet lang heeft geleefd.»

Een jaar geleden leek Nederland niet zozeer een paradijs, als wel een vrolijke speeltuin waar vermaak schering en inslag was. Schwartz viel het op dat Fortuyn allerlei soorten gedrag toonde die dwars tegen het Nederlandse zelfbeeld indruisten en die een andere politicus kwalijk genomen zouden worden. Tegelijk verkondigde Fortuyn: Nederland voor de Nederlanders. Schwartz wijst op een stuk dat de Britse historicus Simon Schama in The New Yorker schreef over de Nederlandse mode. Je zou verwachten, betoogt Schama, dat deze mode ingetogen is, met allerlei rechte lijnen en zachte primaire kleuren, op z’n Mondriaans. Niks hiervan. Schama toont aan dat van alle modeontwerpers de Nederlanders met de meest krankzinnige, barokke ontwerpen komen. Schwartz: «Er bestaan andere kanten van de Nederlandse identiteit die niet in de gebruikelijke clichés passen.»

Kaplanian: «Wellicht gaat het om een generatieverschil. Fortuyn deed het goed bij jonge mensen die zich niet aangesproken voelen door andere partijen.»

Von der Gablentz: «Ja, dat heet de fun society. Het probleem is dat politici zich moeten aanpassen aan een gemeenschap waar het kennelijk zo goed gaat dat vermaak overheerst. Interessant was dat de FDP in Duitsland haar campagne toespitste op dat idee van de gemeenschap van vermaak. Dat is volkomen mislukt. En terecht. Immers, politiek is een serieuze onderneming. Je kunt haar niet afdoen als vermaak. Dat is wat Fortuyn deed: inspelen op de fun society zonder welk gevoel van verantwoordelijkheid dan ook. Ziehier een definitie van het populisme.»

Schwartz vindt het belangrijk in herinnering te brengen dat Nederland vrij recent nog een ander kabinet is kwijtgeraakt: gestruikeld over de gewetenskwestie Srebrenica. Schwartz: «Tragisch is dat twee buitengewoon belangrijke debatten van tafel zijn geveegd: de parlementaire enquête over het Srebrenica-rapport van het Niod en het onderzoek naar de bouwfraude, naar corruptie in Nederland. En wij maar praten over een straatruzie tussen twee ellendelingen die het kabinet ten val hebben gebracht.»

Kaplanian: «Het was een feest der narren.»

Schwartz: «Zo beschamend, werkelijk zo beschamend. Het heeft ook te maken met de media. Die richten zich op trends, op het meest tot de emoties sprekende onderwerp van de dag. Dat gaat behoorlijk ver: elk moment van de zendtijd wordt gemeten, en als het niet zoveel keer per minuut een emotioneel modewoord bevat, dan zappen mensen weg. Ik weet niet wat je hieraan moet doen, maar ik vind het — vooral wat Srebrenica betreft — tragisch.»

In de ogen van Von der Gablentz heerste er een cultuur van onverantwoordelijkheid waarbij het adagium luidde: succes behaal je door toeval en niet door prestatie. Hij vindt het beangstigend dat zoveel ondernemers zich achter For tuyn schaarden. Immers, het geval Enron en andere grote schandalen in Amerika bewezen dat de werkelijke corruptie in het bedrijfsleven zit. Niet alleen de politieke partijen moeten zich bezinnen op te toekomst, aldus Von der Gablentz, ook het bedrijfsleven moet goed nadenken over de connectie tussen corruptie en het grote geld. Een gevaarlijke ontwikkeling van de moderne maatschappij is de privatisering van de afgelopen tien jaar, zonder dat er een gevoel van verantwoordelijkheid voor het grotere geheel mee gepaard ging.

Voor Kaplanian is het duidelijk dat het regeringsbeleid op verscheidene terreinen geen transparantie, aansprakelijkheid of controle vereist. Ze zegt: «Neem het voorbeeld van conducteurs op de tram. Vroeger waren ze er niet. En iedereen maar binnenstappen. Het is niet legaal, maar als de overheid geen controle uitoefent, dan wordt het acceptabel zo te handelen. Hetzelfde signaal ging uit naar het bedrijfsleven. In Nederland gaat niemand wegens belastingschuld achter de tralies. In het geval van Enron zagen we de perp walk, een begrip dat refereert aan het publiekelijk arresteren van een topzakenman. In Nederland is zoiets ondenkbaar. In mijn winkel heeft het geen zin dieven te laten arresteren, want je weet dat ze toch weer worden vrijgelaten. We bellen principieel de politie, alleen al om een stukje theater op te voeren dat afschrikwekkend zou kunnen werken.»

Hoe kon de volksopstand plaatsvinden in een land waar alles zo goed geregeld leek? Schwartz voert het terug op de enorme staat van dienst van de christelijke politiek. «Een grapje onder CDA’ers is dat zij langer achter elkaar in de Nederlandse regering hebben gezeten dan de bolsjewieken in Rusland! In ’94 was iedereen opgelucht dat het CDA eindelijk in de oppositie belandde. Maar dat was alleen mogelijk door het formeren van een regering van links en rechts samen. Hierdoor was er geen links-rechts afwisseling meer mogelijk binnen het normale politieke leven, terwijl een wetmatigheid in het parlementaire stelsel inhoudt dat de kiezers na een bepaalde tijd een wisseling van richting verlangen. Na Paars was er geen alternatief — totdat die gek opstond, die jarenlang niets anders had gedaan dan zalen bespelen en het lezingencircuit aflopen. Hij wist wat je zeggen moest om gevoelens bij de mensen los te krijgen. Hij stelde zichzelf op als alternatief voor de hele overheid. En het lukte hem. Maar we zijn er nog niet uit, want nu is het het CDA gelukt zich weer te nestelen in het centrum van de macht.»

Kaplanian: «De invloed van het protestantisme is vandaag de dag geheel anders dan twintig jaar geleden. Toen had ik het idee dat Nederland een soort tweesporenmaatschappij was: enerzijds was er de oligarchie die alles achter de coulissen regelde, anderzijds waren er de onder- en middenklasse die nog respect hadden voor de regelaars. Je had dat oude systeem waarin elk dorp notabelen had die het beter zouden weten. Het was vrij traditioneel, bijna feodaal. Het populisme van de drama queen Fortuyn was een tamelijk natuurlijk uitvloeisel van die traditionele situatie. Ik herkende het proces van Minnesota, waar ik vandaan kwam. Daar stond ook een populist op — de professionele worstelaar Jesse Ventura — die vond dat politieke macht op andere manieren kon worden verdeeld.»

Von der Gablentz: «Van belang is dat het fenomeen Pim Fortuyn beperkt is gebleven tot een jaar. Wij zullen terugdenken aan het fortuynisme als aan een nachtmerrie. De partijen moeten zich nu moderniseren. Het CDA onder Balkenende heeft een kans als het de juiste mensen krijgt om de hervormingen door te zetten. De PvdA heeft dat ook, want die heeft sterke potentiële leiders. De uitkomst zal zoiets zijn als een stelsel van twee grote partijen die programmatisch op elkaar lijken. Dat is onvermijdelijk: de problemen van de moderne maatschappij moeten worden opgelost, ongeacht de ideologische bagage van een regeringscoalitie. Deze partijen zullen hopelijk tot hervorming worden aangedreven door kleinere partijen, zoals D66 en GroenLinks. Paul Rosenmöller en Jan Marijnissen hebben aan de linkerkant een interessante rol gespeeld. De VVD verkeert in een eigenaardige positie. Onder leiding van Zalm bestaat zij uit politici met lange ervaring, maar met weinig overtuigingskracht. De VVD-kiezers zijn meestal mensen van een bepaalde leeftijd en met duidelijke economische belangen. Interessant is dat de FDP in Duitsland bijna dezelfde ontwikkeling heeft meegemaakt.»

Schwartz: «Eén groep laat je weg: de Leefbaar-bewegingen, die de echte slachtoffers van Pim Fortuyn zijn. Dat was een grassroots-beweging die op een gegeven moment zelfs achttien zetels zou krijgen. Fortuyn heeft dat vernield.»

Von der Gablentz: «En hier ligt nu de kans voor de grote partijen: om de vraagstukken van Leefbaar over te nemen en er op een realistische manier mee om te gaan. Dat opportunisme is deel van de politiek.»

Schwartz: «In Rotterdam is het wel gelukt de PvdA uit het college te krijgen. Je kunt immers niet aan de macht blijven vasthouden, hoe eerlijk en idealistisch je ook bent. Macht corrumpeert en leidt tot misstanden. Ik zie wel een rol voor een nieuwe partij die zich meer richt op alledaagse issues. Ik woon in een dorp waar we binnen acht jaar tien colleges hebben gehad. Ik begin er niet aan, ik weet niet eens wie de burgemeester is! Nog een enorm gebrek in Nederland is dat je op een partij stemt. In Amerika is dat veel directer: je kiest op de persoon die jou in Washington gaat vertegenwoordigen. In Nederland worden de zaken centraal geregeld.»

Kaplanian: «Een van de redenen waarom mensen in Amerika niet meer stemmen is dat iedereen tijdens een campagne mediatijd kan kopen. Geld speelt daar een enorme rol. Ik hoop dat men hier niet die kant opgaat. In het beste geval hebben politici de ambitie iets te veranderen. Maar de marketing en pr-campagnes tijdens de verkiezingen zijn doorslaggevend.»

Von der Gablentz: «De personalisering van de politiek leidt tot mediasering van de politiek.»

Schwartz: «Maar de Nederlandse partijen kunnen niets beginnen met de magere financiële middelen die tot hun beschikking staan, anders dan Amerikaanse partijen. In Nederland hebben de media meer te zeggen over wie op tv komt.»

Von der Gablentz: «Je kunt iets doen aan deze zorgwekkende ontwikkelingen. De vrije markt functioneert dankzij regels, bijvoorbeeld die tegen monopolievorming. Hetzelfde geldt voor vrije verkiezingen. Als de macht van geld en media bepalend wordt, moet je overwegen over te gaan tot wetgeving. De macht van de media beperken, bijvoorbeeld. Of een informeel gerechtshof instellen voor het misbruik van mediamacht. Of een tuchtcollege, maar dan één dat meer steun heeft. Dit geldt ook voor de partijfinanciering. Het verbaasde me dat men in Nederland niet van meet af aan duidelijk maakte dat vastgoedhandelaars Pim Fortuyn financierden. Dat vind ik een schandaal. Vergeleken met de schandalen in Duitsland over partijfinanciering, bijvoorbeeld rond Helmut Kohl, is wat in Nederland is gebeurd vele malen erger. Desnoods moet je financiering van politieke partijen door de overheid invoeren, zoals wij in Duitsland na de oorlog hebben gedaan.»

Over het voorstel de mediamacht aan banden te leggen is Gary Schwartz sceptisch. Hij noemt als voorbeeld het toezicht op de beurs. Schwartz: «Dat is een lachertje. Deze maatschappij was altijd gewend aan het delen van macht en geld achter gesloten deuren. Historisch gezien is dit eigenlijk een geweldige verdienste van Nederland. In de zeventiende eeuw was Nederland het enige Europese land waar katholieken en protestanten in een redelijk geïntegreerde maatschappij leefden zonder elkaar uit te moorden. De reden? Niet omdat er regels of tuchtcolleges waren. Maar juist omdat men altijd bereid was te gedogen, te onderhandelen en consensus te vinden. Dat duurt tot vandaag de dag voort.»

Von der Gablentz: «Maar het gaat om puur rationele regelgeving.»

Schwartz: «Hoe moet in Nederland een stelsel van harde regelgeving functioneren? Het besturen van het land is een kwestie van constant geven en nemen. Dat proces zou alleen maar schade ondervinden van het invoeren van onaantastbare principes.»

«Even terug», zegt Von der Gablentz. «Je had het over het gedogen als iets wat bijdraagt tot de consensusdemocratie. Dat gedogen wordt nu terecht bekritiseerd. Neem het drugsbeleid. Nederland heeft 25 jaar geleden al een verstandiger drugsbeleid ingevoerd dan de meeste andere landen, die om ideologische redenen een repressief beleid bleven voeren. Maar nu maakt Nederland deel uit van Europa. Dit is een goed voorbeeld van een regering die denkt dat zij haar beleid alleen binnen de landsgrenzen kan voeren. De mogelijkheden een eigen nationaal beleid te voeren zijn — om goede redenen — op velerlei gebieden begrensd. Dat moeten we onder ogen zien. Als PvdA-lid bijvoorbeeld zou ik ideaal gesproken willen zien dat de partij zich aanpast bij de nieuwe tijd. En niet de illusie koesteren dat alle problemen op nationaal niveau kunnen worden opgelost.»

De spectaculaire prestaties van Nederland ten tijde van Paars, opgetekend door onder andere The Economist, hebben de illusie van het paradijs gecreëerd. De schoonheid van Amsterdam op een donkere ochtend in oktober is oogverblindend. Maar achter het rookgordijn van stijl en rijkdom, van een beschaving waarin individualisering evengoed mogelijk is als uitstekende sociale voorzieningen, blijkt een krakkemikkig politiek stelsel schuil te gaan, onvoorbereid op de nieuwe Europese werkelijkheid, verzand in de mediasering van de samenleving. Is dit het einde van Nederland? Of is er hoop?

In eerste instantie moet het landsbestuur weer een zaak van ernst worden, vindt Von der Gablentz. Dat is de verantwoordelijkheid van alle politieke partijen. Schwartz reageert: «Is dat niet erg vanuit de hoogte, Otto? Zoals je zelf zei, de eerste verantwoordelijkheid van een politieke partij is om aan de macht te blijven.»

Von der Gablentz: «Ja, maar de kiezers zien nu ook dat clowns tot mislukken zijn gedoemd.»

Schwartz: «Dat hoeft niet! Fortuyn was juist een enorm succes. Werd hij niet doodgeschoten, dan was hij premier geworden.»

Von der Gablentz: «Nou, geen premier, maar wellicht lid van een coalitie die aan het einde van het jaar hetzelfde lot zou hebben gewacht als het laatste kabinet. Ik bedoel, zo dom zijn mensen toch niet? Je moet minimaal kunnen vertrouwen op het verstand van de mensen. De val van het kabinet creëert een druk om tot herziening te komen. Het is mogelijk dat de Fortuyn-kiezers die denken dat politiek vermaak is, het bij de volgende verkiezingen laten afweten. Laat dat maar zo zijn. In Amerika gaat ook minder dan vijftig procent van de mensen naar de stembus.»

Kaplanian: «Kijk wat voor fantastische president dat oplevert.»

Inderdaad niet ideaal, geeft Von der Gablentz toe. Maar de democratie is volgens hem in wezen niet een stelsel waar de absolute meerderheid van de mensen moet regeren. Eerder gaat het om een verantwoordelijke regering, met de mogelijkheid van wisseling van de macht; via verkiezingen een parlement kiezen dat alles controleert. Het voorbeeld van de Weimarrepubliek toont aan dat versnippering van het politieke leven tot onregeerbaarheid leidt. Toen Duitsland het politieke stelsel na de nazi-periode moest herzien — door middel van een uitstekende grondwet — kwam men tot de conclusie dat regeerbaarheid een absolute noodzaak was. Democratische legitimatie is belangrijk — ze is een noodzaak — maar dat mag niet ten koste gaan van de regeerbaarheid. Voor Von der Gablentz is de kiesdrempel een goed instrument dat regeerbaarheid mogelijk maakt.

Kaplanian: «In Amerika kijkt men verlangend naar het Nederlandse stelsel dat zoveel partijen mogelijk maakt. Men probeert steeds een derde partij te vormen, maar dat lukt niet. Tijdens de laatste verkiezingen mocht Ralph Nader niet eens plaatsnemen in de zaal waar een debat tussen de presidentskandidaten was georganiseerd. Dat is ondemocratisch.»

Von der Gablentz: «Het gaat me niet om een grote coalitie van de grote partijen. Integendeel, er moet altijd een oppositie zijn die een potentiële regeringspartij is.»

Schwartz: «Met een kiesdrempel van vijf procent was de SP niet in de Kamer gekomen.»

Von der Gablentz: «De regeerbaarheid van de staat is een onmisbaar onderdeel van het vertrouwen van de burger in de regering. De democratie werkt heel moeizaam. Churchill zei: ‹Democracy is the worst of all types of government invented by mankind, with the possible exception of all the other types of government.›»

Over de toekomst zijn de gespreksgenoten positief. Heinsbroek een nieuwe politieke partij oprichten? «Laat hem dat maar doen», zegt Otto von der Gablentz strijdbaar. «Misschien wil iemand nog wel op hem stemmen. Maar wat mij betreft zou het een complete vervalsing van het politieke proces zijn.»