Hapjes

De eerste weken na de diagnose aten we nog uitgebreid. Schoonzusje en haar vriend aan de ene kant van de tafel, man en ik aan de andere. Tussen ons in de pannen en schalen, borden en glazen. Veel te veel wijn. Een likeurtje of een whisky na de koffie. Zo deden we het al jaren en zo zouden we het blijven doen, zeiden we.

We schepten nog eens op. Mijn schoonzusje at net als ik nooit al te damesachtig - als iets haar smaakte bleef ze eten tot ze vol zat, om daarna verzaligd achterover te gaan hangen en te zeggen dat ik een uitstekende kok was. Mijn man en zij discussieerden na de maaltijd steevast over hun gezamenlijke jeugd. ‘Het was dat plein achter de kerk, daar was het.’ 'Daar was het juist niet. Het was bij de school, weet ik zeker.’ We hadden het over reizen en boeken, over hoe lastig de liefde is, over de kinderen en over het nut van verzekeringen. En steeds vaker over de dood, bij voorkeur spottend. Pas toen de tumor groter werd en meer ruimte in beslag nam, vroeg ze tijdens het eten om kleinere porties. Vlees kon ze slecht verdragen dus maakte ik zalm of kabeljauwfilet. Steeds vaker liet ze dingen staan, met een schuldbewuste blik. 'Het was echt heel lekker.’

Alcohol maakte haar misselijk, dus vulde ik haar wijnglas met water. We toostten op het falen van de statistieken. Op onverwachte wendingen. 'Op een haar na’, zeiden we. 'Op het nippertje.’ En we hieven het glas. Toen ook dat niet meer kon schaften we de etentjes maar helemaal af. De tafelschikking was verstoord: mijn schoonzusje lag plotseling in een vreemd hoog bed in haar woonkamer, wij zaten er schots en scheef omheen. De gesprekken werden anders, de spot haperde af en toe. Niemand had trek. 'Als het straks zo ver is’, zei ze, 'moeten jullie het op een drinken zetten.’ Ze fronste streng en stak plechtig haar wijsvinger in de lucht. 'En er zullen hapjes zijn’, zei ze. 'Lekkere dingen.’ En zo is het gegaan. Veel drank. Veel hapjes. Geen cake.