De aanpak van draaideurcriminelen

Hard maar sociaal

De plannen tuimelen over elkaar heen. Militaire tucht is het toverwoord bij de aanpak van draaideurcriminelen en straatjeugd. Wat speelt er in de grote steden? «Eerst waren het de drugsgebruikers en nu zijn het vooral de Antillianen.»

De overlast in de Amsterdamse Diamantbuurt en Slotervaart is niet nieuw. De bewoners van deze wijken kunnen al jaren met naam en toenaam aangeven wie er in hun om geving verantwoordelijk zijn voor de onveiligheid in de openbare ruimte. Voor de politie is het profiel van de daders overbekend. Ze hebben al op jonge leeftijd een strafblad of solliciteren ernaar. Ondanks tientallen projecten, beleidsmaatregelen en de inzet van buurt vaders blijft de harde kern, soms wisselend van samenstelling door de toestroom van nieuw komers, provocerend rondhangen, treiteren, vernielen en stelen.

Het grote verschil met enkele jaren geleden is dat het geduld nu op is. Straatterreur wordt niet meer weggepraat als incident van voorbijgaande aard. Gevoelens van onveiligheid van wijkbewoners bagatelliseren wordt beschouwd als politieke ontkenning. De roep om harde maatregelen tegen probleemjongeren van Marokkaanse afkomst klinkt steeds luider. Van alle kanten wordt de laatste weken gepleit voor een militaire aanpak, tucht en krijgsrecht.

«Voor twee jaar opsluiten op een eiland», suggereerde de Amsterdamse D66-lijsttrekker Ivar Manuel vorige week. Eerder bepleitte Henk Goettsch, scheidend voorzitter van stadsdeel Slotervaart, min of meer hetzelfde: «We moeten ze uit de roulatie nemen en onder toezicht van de staat stellen.» Hij sprak over een groep van ongeveer 150 jongens tussen de twaalf en vijftien jaar, veelal van Marokkaanse afkomst, die volgens hem «niet goed bij hun hoofd zijn»: «Ze zijn voor ieder beleid ongevoelig en therapie resistent. Blijven zij rondhangen, dan wordt het niks met de buurt.» Wethouder Hannah Belliot van Amsterdam stelde deze week voor in de hele stad preventief te gaan fouilleren. Ook een ander plan, afkomstig van de LPF in Rotterdam, vond bij de Amsterdamse PvdA weerklank: ouders die hun kinderen verwaarlozen en niet aanpakken, straffen door de kinderbijslag in te trekken.

Burgemeester Cohen deed, anders dan bij eerdere incidenten in de Diamantbuurt, vorige week geen poging tot relativerende woorden. Hij riep de voorzitters van alle veertien stads delen met spoed bijeen om te bespreken wat er met de onrust moest gebeuren en zei: «Er is een onderhuids gevoel waarbij kleine dingen nodig zijn om tot een enorme uitbarsting te komen.»

Door de rellen in Parijs, eind vorig jaar, zit de schrik er goed in. De angst bestaat dat er in de Randstad een voedingsbodem is voor geweldsexplosies. De beroerde cijfers van allochtonen op de arbeidsmarkt, twee weken geleden door het Sociaal Cultureel Planbureau naar buiten gebracht, droegen hieraan bij. Een groot deel van de werkloze allochtonen is voortijdig schoolverlater en minimaliseert daarmee de mogelijkheid op bestendig werk.

En er speelt bij Marokkaanse jongeren nog iets. Zij appelleren aan actuele maatschappelijke problemen. Doordat ze hun pijlen richten op homoseksuelen en joodse buurtbewoners en vrouwen «hoeren» noemen, haakt hun gedrag aan bij bredere politieke thema’s die sinds de aanslagen in Amerika op de politieke agenda’s staan: het integratievraagstuk, de religieuze radicalisering en de positie van de islam in het Westen. Zowel de leden van de Hofstadgroep als de raddraaiers in de oude wijken van Amsterdam dragen bij aan het beeld dat onder jongeren in de Marokkaanse gemeenschap een gistingsproces gaande is dat de rechtsstaat op scherp zet. Pappen en nathouden van deze groep lijkt daarmee gelijk te staan aan het creëren van Mohammed B.- en Samir A.-types.

Minister Donner van Justitie heeft vorige week deze zorg over het «hardnekkige en persistente probleem» met jongeren van Marokkaanse afkomst omgezet in klinkende munt. De vier grote steden krijgen voor de komende twee jaar vijf miljoen extra waarmee ze «maatregelen kunnen nemen om Marokkaanse jongeren op het rechte pad te houden». De jaren daarna krijgen ze structureel zes miljoen extra te ver delen voor dit doel. Donner koppelt het bedrag aan prestatieafspraken van de vier gemeenten met het rijk.

Maar wat is de omvang van het probleem? In hoeverre zijn er «Amsterdamse toestanden» in de andere drie steden in de Randstad? De problemen in Amsterdam zijn herkenbaar. Alleen zijn het zeker niet alleen Marokkanen. De overlast is weliswaar hardnekkig, maar het vliegt niet de pan uit zoals in Amsterdam.

«Wat in Amsterdam de Marokkanen zijn, zijn bij ons de Antillianen en Kaapverdianen», zegt Edmund Messchaert, woordvoerder van burgemeester Opstelten van Rotterdam. De harde kern bestaat uit naar schatting tweeduizend jongens die in aanraking zijn geweest met de politie. Dat is tien procent van de Antilliaanse gemeenschap. «Op deze groep voeren we een categoriaal persoonsgebonden beleid: met naam en rugnummers wordt gekeken welk traject wordt ingezet. Binnen de gemeenschap proberen we een sense of urgency te creëren. Zij hebben last van hun eigen schoffies. Met dat besef moet je aan de slag.»

De kern van het beleid in Rotterdam is al jaren «hard maar sociaal». De politie is de baas op straat en via snelrecht wordt crimineel gedrag direct aangepakt. In bepaalde wijken mag er preventief gefouilleerd worden. Repressie gaat hand in hand met preventie. «We zoeken naar rolmodellen, zoals helden binnen de honkbalwereld. Dat werkt goed. Jongens die de kans lopen af te glijden gaan niet naar gewone scholen, maar naar intensief begeleide schoolopvang. Ze worden geholpen bij een zinvolle dagindeling. Op boksscholen leren ze discipline. Alleenstaande jonge moeders, een van de grootste problemen bij Antillianen, worden begeleid. Als het moet, wordt er al vroeg gedwongen ingegrepen», aldus Messchaert.

In Rotterdam wordt gewerkt met lijsten met de zwaarste gevallen. Messchaert: «We hadden eerder al een top-700 van de allerergste overlastgevende drugsverslaafden. Voor deze figuren gold lik op stuk, meteen aanpakken, geen zachte trajecten. De overlast is bijna verdwenen. We brengen momenteel een top-200 van Antillianen in kaart, waarmee agenten, hulpverleners en leerkrachten aan de slag kunnen. Heldere afspraken en bij een incident hard ingrijpen.»

Tegelijk wijst Rotterdam naar de bron van de problematiek: de toestroom vanuit de Antillen van jonge jongens zonder enig perspectief. De oplossing ligt bij de ministers in Den Haag en de politici op de Antillen. Minister Verdonk deed deze week het voorstel om jongeren die in Nederland zijn veroordeeld terug te sturen naar de Antillen. Ze kreeg daarvoor steun van het CDA en de VVD. De PvdA is tegen.

Hoewel Messchaert toegeeft dat het aanpakken van de harde kern een taai proces is, vindt hij dat de Rotterdamse aanpak werkt: «De criminaliteitscijfers dalen en het subjectieve gevoel van onveiligheid is aanzienlijk afgenomen.»

Den Haag heeft van minister Donner 750.000 euro gekregen. Maar volgens Martin van Bruggen, woordvoerder van burgemeester Deetman, worden de overlastproblemen veroorzaakt door een mengeling van alle nationaliteiten, inclusief autochtone jongeren. Hij maakt een lijstje van de leeftijdsgroep tussen twaalf en 24 jaar: 6296 Marokkanen, 9800 Surinamers, 3000 Antillianen, 8300 Turken. Ze leven verspreid in het Laakkwartier, Escamp, de Stationsbuurt/Schilderswijk en het centrum. «Bij de Marokkanen is ongeveer één op de honderd jongeren in aanraking geweest met de politie, bij andere groepen is dat gemiddeld één op de 230. Marokkaanse jongeren zijn weliswaar relatief oververtegenwoordigd, maar niet dominant.» Hij schat het aantal veelplegers onder de achttien jaar op ruim tweehonderd, en boven de achttien jaar op ongeveer 1450.

Net als Rotterdam streeft Den Haag naar «maatwerk»: een persoons gebonden traject waarbij hard en sociaal samen gaan. Sport wordt ingezet als vrijetijdsbesteding. Sinds 2004 is het snelrecht ingevoerd, zodat veel plegers direct worden berecht. In risico wijken worden zogenaamde Jeugd Toezicht Teams ingezet. «Jongens houden leeftijdgenoten van hun eigen gemeenschap op straat in de gaten en spreken hen aan op hun gedrag. Dat voorkomt escalatie van beginnende spanningen.»

Ook in Utrecht zijn er geen signalen van maatschappelijke onrust. De precieze omvang van de harde kern is niet bekend. Sari Klatter, woordvoerder van burgemeester Brouwer, schat dat het gaat om enkele honderden veelplegers die voor veel onrust zorgen: «Als het woord Parijs valt, dan geven wij niet thuis. Dat is hier absolúút niet aan de orde. Hoewel we problemen met allochtone jongeren hebben – en zij zijn inderdaad deels van Marokkaanse afkomst – is de situatie niet met Amsterdam te vergelijken. Wij hebben geen incidenten met dodelijke afloop gehad. Dat maakt het daar beladen.» Het geld van Donner (690.000 euro) zal Utrecht niet besteden aan nieuwe beleidsplannen of nieuwe onderzoeken. Utrecht gaat door op dezelfde beleidslijn van het project «Utrecht Veilig, dat doen we samen!»

De kern van het beleid is ook hier hetzelfde als in de andere steden, zodat er sprake is van een Randstedelijke aanpak: enerzijds investeren in preventie via verlengde schooldagen, sport en hulp bij de opvoeding. Anderzijds in bepaalde wijken gericht hard optreden. Utrecht telt vijf urgentie wijken: Kanaleneiland, Hoog raven, Zuy len, Overvecht en het stationsgebied Hoog Catharijne. Hier wordt gewerkt met zo geheten Astrix-teams: een grote inzet van patrouillerende agenten. Klatter: «Daarnaast koesteren we de wijkagenten: ze weten wat er in gezinnen speelt.»

In de Amsterdamse wijken is het intussen weer min of meer rustig. Mirjam Otten, woordvoerder van burgemeester Co hen, zegt dat er met het geld van Donner (twee miljoen euro) geen nieuwe instrumenten ontwikkeld gaan worden: «Een deel gaan we besteden aan gezins interventie. Daar zijn we sinds kort mee bezig en we willen het uitbreiden. In Amerika zijn daar goede resultaten mee geboekt. Voor de gestoorde jongens komt er uitbreiding in de voormalige gevangenis Lloyd. Deze instelling moet versneld open.»

Naar schatting gaat het om ongeveer honderd groepen door de hele stad. «Daar zitten nog wat schillen van meelopers omheen, die meer treiteren en klieren.» Van een pre-Parijs-situatie is volgens Otten geen sprake: «Naar aanleiding van de moord op Van Gogh hebben we een quick scan gemaakt van wat er leeft onder allochtone jongeren. Veel onlustgevoelens vielen via gesprekken op scholen weg te nemen. De lontjes zijn wat korter dan vroeger. De dingen komen duidelijker op tafel. Ik zeg niet dat het allemaal geweldig gaat en voor buurtbewoners is overlast heel nare problematiek. Maar angst voor geweldsexplosies is onterecht. Hard optreden doen we al veel langer. Alleen onttrekt zich dat vaak aan het oog van de pers. Bij ieder incident sommeert Cohen vertegenwoordigers van de gemeenschap naar het stadhuis. Met elkaar in gesprek blijven, dat voorkomt toestanden zoals in Parijs.»