Hard werken

Zoals je de Playboy koopt ‘voor de goede interviews’, de lotgevallen van de koninklijke familieleden kent uit bladen ‘bij de kapper’ en alleen naar de Aldi gaat ‘voor de wijn en de chocola’, zo lezen veel mensen een ‘spannend boek’ alleen ‘in het vliegtuig’ of ‘op vakantie’.
Literatuur lezen is nu eenmaal hard werken. Alles wat er eventueel onderhoudend aan kan zijn  willen weten hoe het verhaal afloopt bijvoorbeeld  geldt als onkies.
Die tijd is voorbij. Als je het wilt, tenminste. De Amerikaanse schrijver en criticus Lev Grossman (Time Magazine) wil het in elk geval. Deze zomer plaatste hij in The Wall Street Journal een ronkend stuk onder de kop: ‘Good Books Don’t Have to Be Hard’.
Kort gezegd komt zijn betoog er op neer dat het modernisme de roman honderd jaar lang heeft weten te verzieken met z’n moeilijkdoenerij en z’n afkeer van de plot (‘plot makes perverts of us all’). Maar nu is er trompetgeschal: ‘The revolution is under way. The novel is getting entertaining again.’
Nu is dat een conclusie waarvoor je niet, zoals Lev Grossman, aan Harvard en Yale hoeft te hebben gestudeerd. Een wandeling door de plaatselijke boekhandel volstaat om met eigen ogen te zien wat Grossman beschrijft: dat lezen nog nooit zo leuk was, dat het verschil tussen lectuur en literatuur is opgeheven, dat genres uit elkaar spatten als zeepbellen, dat de oude hiërarchieën van hun sokkels tuimelen…
Het is allemaal al zo vaak gezegd, en Grossmans jubelzang heeft daarom een bijsmaak van te late mosterd, maar dat laat onverlet dat de observatie in grote lijnen waar is.
Maar vanwaar die feeststemming? Klaarblijkelijk is Grossman op Harvard en Yale zo hard om de oren geslagen met moeilijke boeken en krankzinnige literatuurtheorieën dat hij sindsdien zweert bij een dieet van louter light verse.
Niet iedereen wordt daar even vrolijk van als Lev Grossman. Waar de een bij deze revolutie staat te juichen als boven een wieg  ‘This is the future of fiction. The novel is finally waking up from its 100-year carbonite nap’  schudt de ander er verslagen het hoofd bij als boven een graf.
Het stuk van Grossman verscheen min of meer gelijktijdig met de herhaling van het tv-interview van Michaël Zeeman met Philip Roth. Op een gegeven moment stelt Roth dat het met de roman een aflopende zaak is.
‘Ach kom’, viel Zeeman uit. ‘Ik heb de dood van de roman nu al zó vaak horen verkondigen…’
Roth hield voet bij stuk. Natuurlijk, in de marge zullen er romans blijven bestaan, maar de manier waarop een roman het bewustzijn verkent, de concentratie die er voor lezen vereist is, dat is allemaal aan het verdwijnen, vooral onder invloed van de ‘schermen’ via welke we tegenwoordig alles tot ons nemen. ‘Twintigduizend echte lezers’ gokte Roth dat er nog bestonden. En dan relativerend: ‘Wat nog steeds best veel is. Stel je voor dat ze hier allemaal voor de deur stonden!’
Nu is er iets vreemds met Grossmans lichte literatuur. Hij ziet die als een herleving van de plot, die onder de volgens hem enorme invloed van het modernisme in de ban is gegaan (‘the plot against the plot’), maar is dat wel zo? Hooguit kun je stellen dat de plot in de literatuur-met-de-grote-L niet het dominante tandwiel is in het raderwerk van de roman. In woorden buiten Harvard en Yale: een plot heeft niet altijd een lijk nodig. Er bestaan ook subtielere vormen van teasen en timing.
De romancier haalt die uit hetzelfde gereedschapskistje als de thrillerschrijver, maar zijn eindproduct is minder eenduidig, minder pragmatisch. De plot is één van de vele ingrediënten. En een beetje een knappe schrijver weet het zo te spelen dat lezers helemaal niet meer merken dat er een plot is.
Van Kafka, die in Grossmans stuk onbetwist tot de vijand behoort, kun je toch onmogelijk zeggen dat zijn werk plotloos is. Het zijn alleen geen plots waar je Roger Moore voor kunt casten, geen plots met een grote P, en onder meer dat maakt Kafka tot literatuur met een grote L.
Daar komt nog bij dat de revolutie die Grossman ziet en bezingt helemaal geen revolutie is. Plotgestuurde, simpele boeken hebben altijd bestaan naast de werken die hij veracht, en ze hebben altijd al meer verkocht dan Joyce en Proust.
‘The novel is getting entertaining again’ betekent vooral dat boeken die geen entertainment zijn  voorheen met-de-grote-L  langzaam uitsterven. ‘Good books don’t have to be hard’ wil vooral zeggen dat de boeken verdwijnen waarvoor je wél moeite moet doen. Het gaat om het soort moeite dat ik nooit sterker verwoord heb gezien dan bij Jeanette Winterson, die in Art Objects (1996) schrijft: ‘I have to work for art if I want art to work on me.’

Lees het artikel van Grossman