De nieuwe lichting hiphoppers

Harde jongens

Zo massaal, zo toegankelijk, zo schaamteloos, zo gericht op geld: dat is een klank die we tot voor kort niet kenden in Nederlandse hiphop. Scholieren smullen ervan.

Medium ismo2

Eind 2015 stuurde ik een interviewverzoek naar de in Breda opgegroeide Ismael Houlich. Deze vroege twintiger, een kind van Marokkaanse ouders, had onder de naam Ismo enkele veelbesproken Nederlandstalige hiphopvideo’s online gezet: ze werden miljoenen keren bekeken, Ismo verzamelde een grote, jeugdige fanschare om zich heen en werd aangeklaagd voor vermeende belediging van geloof en seksuele geaardheid. ‘Ik haat die fucking joden nog meer dan de nazi’s’, rapt hij op het populaire Eenmans, en in datzelfde nummer stelt hij dat hij flikkers geen hand geeft. Het leidde tot een breed uitgemeten rechtszaak. Ismo werd op alle punten vrijgesproken. Zijn verweer: met joden bedoelde hij alleen zionisten (‘die haat ik nog steeds’), met flikkers bedoelde hij mensen die ‘iets flikten’.

Nadien heeft Ismo veelvuldig verwezen naar de rechtszaak, zowel binnen als buiten zijn nummers, en steeds met een strijdbare ondertoon: het was hij tegen de rest, de underdog tegen de gevestigde orde, de jonge doe-het-zelver tegen de mainstream. In de pas verschenen Vice-documentaire Mocrorappers zegt hij hoe moeilijk het is, ondanks de grote online aandacht voor zijn nummers, om ‘Hilversum’ te ‘bereiken’. Zoals voor zo veel jonge, populaire rappers. Zeker degenen met gewelddadige teksten. Toch lijkt Ismo die rol als underdog zelf heimelijk ook te koesteren. Meerdere verzoeken van krantenredacties en radiostations, die hem bijvoorbeeld vroegen of hij kon reageren op zijn rechtszaak, werden beantwoord met stilte of afwijzing. Zijn antwoord telde na weken wachten twee zinnen: ja, hij wilde best geïnterviewd worden, alleen hij had één eis: hij wilde er geld voor krijgen.

Die reactie typeert de mentaliteit waarmee Ismo werkt, en in zijn kielzog veel jonge rappers: er moet geld verdiend worden, anders is het tijdverspilling. Het komt voort uit de gedachte: ik heb de gangbare media eigenlijk niet nodig, ik heb mijn eigen manieren om mijn luisteraars te bereiken. En in dat laatste hebben ze in veel gevallen ook gelijk. Niet alleen worden Ismo’s zelfgeplaatste clips miljoenen keren bekeken, hij brengt zijn muziek ook zelf uit, zonder inmenging van een regulier platenlabel, en via Twitter en (vooral) Instagram bereikt hij dagelijks honderdduizenden luisteraars, grotendeels middelbare scholieren.

De vraag is nu niet zozeer of het ondanks dat immense bereik voor hem handig zou zijn ook kosteloos interviews te geven – nee, de vraag is vooral waarom die stortvloed van tieners Ismo dagelijks volgt, terwijl zijn werk zo ver af staat van hun leven. Wat is zijn aantrekkingskracht, welke klanken spreken de jeugd zo aan – en waarom is nu juist hiphop, dat toch vaak draait om outsiders en randfiguren, zo’n ongekend populair genre bij de jeugd?

Medium lilkleine2

Om nog even bij Ismo te blijven, zonder hem al te willen afschilderen als een voorman of uithangbord van de nieuwe lichting rappers: een groot deel van zijn charme is zonder meer die anti-autoritaire houding. In nagenoeg ieder nummer benadrukt hij dat hij van ‘ver’ is gekomen. Dat hij een harde jongen is, dat hij zonder hulp van anderen te werk gaat. En dit kloppen op de eigen borst gaat altijd gepaard met een middelvinger naar de omgeving: anderen werken hem tegen, anderen zijn niet loyaal. Het is een sinistere wereld die Ismo schetst, vol wantrouwen en hebzucht. ‘Ik hoef niets van je te weten als ik niet met je kan eten, broer’, klinkt het veelzeggend in het refrein van Kan niet hangen met je, een van zijn bekendste nummers. Technisch gezien valt er genoeg op Ismo aan te merken, maar voor de meeste luisteraars maakt dat niet uit: hij verkoopt namelijk een wereldbeeld, zonder twijfel, vormgegeven in uitroeptekens, en die stelligheid heeft een onmiskenbare charme. En natuurlijk, stelligheid is vanaf het begin een inherent onderdeel van hiphop geweest, rebellie hoort bij haast elke muziekstroming (ook juist bij de lichtere genres). Maar nooit eerder was er in Nederland een hiphopgeneratie die zulke duidelijke, door henzelf afgebakende profielen bood, die zich zo schaamteloos expliciet uitspreekt (bijvoorbeeld over het verlangen geld te verdienen) en daarmee ook iets heel geruststellends biedt.

Wie naar een nummer van Ismo luistert, weet precies wat er te verwachten valt. En eigenlijk geldt dat voor alle rappers die nu populair zijn onder jongeren. Sommigen worden evenals Ismo voortgedreven door woede en frustratie en cultiveren hun rol als outsider (de half Marokkaanse Lijpe komt uit Maarssen, de ongekend populaire Boef uit Alkmaar – opvallend hoe veel keurige plaatsen schreeuwende rappers voortbrengen); anderen bieden een speelser geluid, af en toe ook weliswaar met gewelddadige teksten, maar vooral oog voor de schoonheid van het bestaan: drank, feesten. Klassieke rapthema’s, maar de half elektronische, duidelijk uitgaansgeoriënteerde begeleiding geeft de muziek een onbezorgd geraamte dat enkele jaren geleden nog niet bestond, en ook in hun woorden is een zelfovertuiging hoorbaar die bij eerdere generaties niet voorkwam.

Hiphop is elke vorm van schaamte of twijfel voorbij. De rappers dragen uit wat ze willen, en al lang niet meer alleen in hun muziek. Ja, je kunt beweren dat iemands online aanwezigheid losstaat van zijn werk, toch is er geen enkele hedendaagse rapper die niet actief is via Instagram of Twitter. Hun aantrekkingskracht zit namelijk niet alleen in hun nummers, maar ook in het uitgesproken, makkelijk herkenbare personage dat ze uitdragen, daarom spreken ze zo ontstellend veel luisteraars aan.

Lil’ Kleine volgen is een vorm van escapisme, jezelf onderdompelen in een volwaardige levensstijl

Dat valt heel duidelijk te zien aan Lil’ Kleine en Ronnie Flex, de grootste spelers van de nieuwe lichting rappers, die tegenwoordig bijna altijd in één adem worden genoemd door hun samenwerking in Drank drugs. Geen nummer werd het afgelopen jaar vaker gedraaid, bekeken of gestreamd, en in alle eenvoud heeft het ook iets bijzonder aanstekelijks. Een dreunende drum, een harde bas, een verslavend refrein – ideaal voor op het strand of in een discotheek. En twee gastheren die onmiskenbaar een eigen stijl hebben: de ritmisch sterke, soms bijna zijige zangraps van Ronnie Flex (1992, Rotterdam), de directheid van het Amsterdamse straatschoffie Lil’ Kleine (1994).

Ze zingen bijna meer dan ze praten en ook hun teksten hebben iets uitgesproken knulligs (meest geciteerde regel: ‘Alle tieners zeggen ja tegen mdma’). Maar: dat maakt henzelf ook duidelijk niets uit. Ze zijn niet bezig met wat ‘echte hiphop’ moet behelzen, ze doen niet alsof ze met doorwrochte teksten op de proppen komen. En zeker dat laatste is nu juist een van hun grootste krachten. De directheid. De duidelijkheid. Ismo, Lil’ Kleine, Ronnie Flex: het zijn stuk voor stuk personages, figuren die heel helder een levensstijl formuleren en aan wie je je daardoor meteen kunt hechten – de een woedend, de ander meer opgetogen, maar allemaal heel duidelijk en afgebakend en daardoor ook geruststellend.

De meest recente single van Lil’ Kleine en Ronnie Flex: Niet omdat het moet. De videoclip is zo kitscherig dat hij weer komisch wordt: overal mooie vrouwen, glinsterend goud, een privé-vliegtuig, luxueuze auto’s. Lil’ Kleine rapt en beweegt echter zonder enige ironie of speelsheid: voor hem is het ernst, en dit is de wijze waarop hij zijn bestaan inricht. ‘Ey, wat een tijd om te leven. Het maakt me niet meer uit wat ze over me schreven’, vat hij het zelf samen, en eigenlijk is dat de boodschap die hij keer op keer uitdraagt: fuck de rest, ik wil en heb geld, luister maar naar mij. Op Instagram onderstreept hij dat beeld met een stortvloed van foto’s van dure champagneflessen en sportwagens – en die foto’s worden gezien door het ontstellende aantal van ruim 430.000 volgers.

Zo massaal, zo toegankelijk, zo schaamteloos, zo gericht op geld: dat is een klank die we tot voor kort niet kenden in Nederlandse hiphop. Lil’ Kleine en de zijnen volgen is niet op zoek gaan naar een soortgenoot, maar juist het tegendeel. Het is een vorm van escapisme, jezelf onderdompelen in een volwaardige levensstijl. Dat was ook wat mij in hiphop aansprak toen ik zelf scholier was, het trok me los van mijn dagelijkse leven, het draaide om levens die ik zelf nooit zou kunnen leiden – en die aantrekkingskracht is nu alleen nog maar groter dan voorheen, de artiesten zijn nog directer, in hun voorliefde voor geld, in hun afkeer, in hun verlangen groots te leven, in hun woede, in het contact met hun luisteraars. Een rapper als Fresku (Eindhoven, 1986), die het laatste jaar ook veel aandacht kreeg door zijn kritische, zelfreflectieve werk, wordt door jongeren nauwelijks gedraaid – zijn muziek is te analytisch, te doordacht, en vooral: te twijfelend.

De stelligheid van hedendaagse rappers past trouwens bij hun zeldzaam hoge werktempo. Er wordt zelden wekenlang op een couplet gebroed. Er wordt niet langdurig getwijfeld of men wel de juiste titel of tracklist heeft. En niemand denkt erover na in welke traditie ze werkzaam zijn – Extince en Osdorp Posse golden voor veel generaties rappers als helden, expliciet genoemde voorbeelden, maar bij de nieuwe lichting spelen ze geen rol meer, die maakt gewoon muziek zonder bijgedachten, zonder hun ziel onder de arm, maar voortkomend vanuit een hoorbare levenslust, levensdrang eigenlijk. En wanneer men een nummer voltooid heeft, kan het direct online: Lil’ Kleine hoeft maar een paar toetsen op zijn telefoon in te drukken en bereikt zo meer mensen dan vrijwel alle Nederlandse kranten of tijdschriften bij elkaar.

Het is een macht die vóór hem geen enkele artiest heeft gehad. Het verklaart ongetwijfeld ook de aan grootheidswaan grenzende grootspraak waarvan hij en zoveel hedendaagse rappers zich bedienen.

Waarom zou zo iemand meedoen aan interviews, welke reden heeft hij of Ismo daar nog toe? Drank drugs is inmiddels 22 miljoen keer bekeken op YouTube. Het succes leverde Ronnie Flex en Lil’ Kleine zelfs de prestigieuze Popprijs op. Eindelijk een omarming door de gevestigde orde, zou je zeggen, maar op zijn recent verschenen soloalbum rapt Lil’ Kleine zonder ironie of knipoog over de controverse die op deze uitverkiezing volgde: ‘Ik zag je haat op de Popprijs, ik weet niet wat dat ding is.’

Soms is de muziek ronduit plat, soms in alle rechtlijnigheid juist bedwelmend, soms verslavend, soms overrompelend, soms talentloos, soms vernieuwend, en soms begrijp ik er eerlijk gezegd weinig van – de verwijzingen, het slang, de ritmes. Dit is de eerste golf hiphopartiesten waarbij ik me af en toe oud voel. Ik denk dat ze dat eerder als verdienste dan als tekortkoming van zichzelf zien, en vermoedelijk hebben ze daarin nog gelijk ook.


Beeld: Veel rappers bedienen zich van aan grootheidswaan grenzende grootspraak. Boven: Ismo; onder: Lil’ Kleine (Foto’s: Youtube)