Harde romantiek

De foto’s van Peter Bes en de gedichten van Hans Tentije verbeelden tezamen op fraaie wijze het moment waarop het stilstaande beeld van de fotograaf zich dankzij de dichterlijke blik opent en volloopt met een illusie van leven.

HANS TENTIJE EN PETER BES
IN DE TUSSENTIJD
De Harmonie, 64 blz., € 24,95

Als het waar is dat de moderne mens gedoemd is tot eenzaamheid, en zelfs tot metafysische eenzaamheid, zoals filosofen vaak hebben vastgesteld, dan geldt dat voor de moderne kunstenaar in het bijzonder. Ooit moet dat anders zijn geweest. In de late Middeleeuwen waren kunstenaars anonieme handwerkslieden die als vanzelfsprekend samenwerkten aan – letterlijk en symbolisch – overkoepelende projecten, aan kathedralen en kastelen, later aan kerken en paleizen. Maar met het wegvallen van die collectieve inspiratie is dat definitief veranderd. Voortaan waren ook de kunstenaars ‘autonome’ individuen die hun beroep uitoefenden in de eenzaamheid van het atelier of de werkkamer.
Toch heeft de drang om aan die eenzaamheid te ontsnappen ook sindsdien meer dan eens de kop opgestoken. Niet toevallig waren het juist katholieke bouwmeesters – Gaudi, Cuypers – die midden in de industriële revolutie opriepen tot samenwerking in groots verband. Maar zij niet alleen, ook niet-gelovige kunstenaars zochten elkaar op, bij voorkeur als het om projecten ging die de grenzen van de kunst, niet alleen die van de afzonderlijke disciplines, te buiten gingen. Dadaïsten, futuristen en surrealisten, de frontstrijders van het modernisme, zijn zonder dat gemeenschappelijke elan niet voorstelbaar.
Dat het verlangen naar die samenwerking ook in minder revolutionaire tijden is blijven bestaan, blijkt uit talloze meer incidentele, op vriend- of verwantschap berustende coalities. Literaire auteurs hebben zich vaak en nadrukkelijk laten inspireren door beeldende kunstenaars. De dichters die de laatste decennia hun bewondering hebben getoond voor schilders of tekenaars zijn niet te tellen, elke bundel bevat wel een hommage aan Piero of Saenredam, een eerbiedige buiging voor Hopper of Bacon.
Wat daarbij opvalt is de sterke voorkeur voor de kunst uit voorbije tijden. Na de nog grensverleggende beginperiode van pop-art, conceptuele kunst en minimal art lijkt het gedaan met de literaire belangstelling; de inspirerende invloed van eigentijdse genres als videokunst en installatie lijkt minimaal. Is dat een uiting van nostalgie, of misschien zelfs van conservatisme? Of eerder van het besef dat er in die laatste disciplines veel verloren dreigt te gaan, dat een groot deel van de toonaangevende kunst van nu de band met haar eigen verleden radicaal heeft doorgesneden?
Dat laatste lijkt me vooral het geval. Ook vandaag de dag zijn er nog veel kunstenaars die zich niet als de geestelijk minder bedeelde achterneefjes van Duchamp en Cage gedragen, en voor wie bewustzijn van de gebroken, geheel herziene maar nooit volledig afgeschreven traditie waarin ze werken even vanzelfsprekend is als technische vaardigheid. Het ligt voor de hand dat juist die kunstenaars ook nog steeds een grote aantrekkingskracht uitoefenen op schrijvers, en omgekeerd. Een gelukkig voorbeeld van zo’n productieve alliantie levert het werk van beeldend kunstenaar Peter Bes en dichter Hans Tentije.

Peter Bes (1945) heeft zich aanvankelijk vooral ontwikkeld als graficus. Zijn etsen uit de jaren zeventig geven blijk van technische perfectie en een eigenzinnige, volstrekt onmodieuze, soms surreële beeldtaal, die schatplichtig lijkt aan Amerikaanse films uit de jaren vijftig: indringende portretten, vooral van onbekenden; ouderwets ogende mannen, vrijwel altijd in kostuum of uniform van ober of matroos; interieurs van cafés en restaurants, soms geheimzinnig bevolkt, soms leeg; auto’s in een nachtelijke, stedelijke omgeving. De sfeer is donker, macaber, dreigend, ook vanwege de uitgekiende licht- en schaduwwerking. Er lijkt zich in alle stilte en zonder enige getuige iets gruwelijks te voltrekken, een misdaad, misschien ook alleen maar een hartverscheurend eenzaam leven.
Gaandeweg begon Bes de traagheid van de etstechniek als beperking te ervaren, hij wilde losser en sneller werken. In schriften met gelinieerd papier – zijn ‘Dagboeken’ – legde hij, vaak tijdens samen met Tentije ondernomen reizen, in alle uithoeken van Europa duizenden vluchtige waarnemingen vast in fabelachtige viltstifttekeningen, bij elkaar een rijk archief waar hij voortaan voor het eigenlijke werk eindeloos uit kon putten. Dat deed hij vanaf de vroege jaren tachtig in alle denkbare technieken, vaak in mengvorm. Van een breuk met zijn etsperiode is evenwel geen sprake, wel wordt zijn werk, behalve groter van formaat, leger, onbepaalder, dramatischer.
De poëzie van Hans Tentije (1944) sluit daar voortreffelijk bij aan. Niet zo verwonderlijk: beide mannen zijn al heel lang bevriend en zullen elkaar op allerlei manieren beïnvloed hebben. Dat Tentije een kloon zou zijn van Kouwenaar, een oud verhaal dat nog altijd af en toe opduikt, mist elke grond. Afgezien van de ernst waarmee en het niveau waarop beide dichters hun vak beoefenen, is er geen enkele overeenkomst, Tentije is juist eerder Kouwenaars tegenpool.
Zijn poëzie heeft een krachtige, epische adem, houdt zich niet bezig met de problemen van het dichterschap, de essenties van het bestaan of persoonlijke zorgen, maar richt zich met open blik en in een rijke, gedetailleerde taal op de buitenwereld, soms dicht bij huis, veel vaker ver weg in Europa. Doorgaans leidt dat tot lange, dynamische gedichten, rijk aan filmische maar vrijwel metafoorloze beelden. Net als Bes is Tentije een waarnemer, een sporenlezer, een archeoloog die via onbeduidende details dramatische episoden uit de geschiedenis van bij voorkeur anonieme individuen tot leven brengt.

Al eerder sloegen ze de handen ineen voor een gezamenlijke productie. Getekend licht (1998), ingeleid door Tentije, biedt een ruim overzicht van het weergaloze, veel te onbekende oeuvre van Bes, aangevuld met een aantal daardoor geïnspireerde gedichten van Tentije. En nu, tien jaar later, bundelen ze opnieuw hun krachten. Het resultaat, In de tussentijd, is een bijzonder fraai, in groot formaat uitgegeven boek dat bladzijde na bladzijde overtuigt en ontroert.
Maar het is niet zomaar een vervolg op Getekend licht. Ditmaal leveren de dichter en de kunstenaar een exact gelijk aandeel. Bovendien bestaat dat van Bes, zeer tot mijn verrassing, uitsluitend uit foto’s – en wat voor foto’s! Al zowat zijn hele kunstenaarsleven blijkt Bes niet alleen met tekenboek en viltstift maar ook met zijn camera in de aanslag gereisd te hebben. De foto’s bestrijken een periode van meer dan 35 jaar en zijn gemaakt in Parijs en Berlijn, in Brussel en Boulogne-sur-Mer, in Diksmuide en Boedapest. Ze zijn ongetwijfeld bedoeld als werkmateriaal, niet als kunstwerken. Ook wie, als ik, maar een deel van het oeuvre van Bes kent, ziet onmiddellijk de overeenkomsten. Nu blijken ze bovendien als materiaal voor Tentije te hebben gediend.
Ook als fotograaf blijkt Bes aangenaam immuun voor wat gangbaar of in de mode is. In tweeërlei opzicht zijn de foto’s er soms ‘naast’. Om te beginnen staat het object waar het om te doen lijkt, een verlaten stationsgebouw of een schamel wegrestaurant, vaak ergens terzijde of in de verte, en lijkt de fotograaf meer geïnteresseerd in de lege ruimte ervoor, ernaast of eromheen. Net als op zijn tekeningen en schilderijen heeft Bes een voorkeur voor een verhoogde horizon, wat op het eerste gezicht wel eens klungelig oogt maar bij nader toezien toch vooral fascineert vanwege de onaangenaam grote en lege voorgrond die, drastisch indruisend tegen de verwachting, is ontdaan van elke mogelijkheid tot nabijheid of intimiteit.
Zo moeten zijn desolate stadsbeelden het meestal stellen zonder een hoge, kosmische ruimte. Daardoor leveren ze, bewust of niet, een onheilspellend commentaar op onze zeventiende-eeuwse landschapskunst, waarvan de lage horizon immers de geruststellende suggestie wekt dat het land en zijn bewoners daar beneden, alle donkere wolken ten spijt, zijn opgenomen in een bezield, ‘een groots verband’, zoals het in het beroemde gedicht Herinnering aan Holland van Marsman heet.
Toch verraadt ook dit werk zijn Hollandse herkomst niet. Bes woont en werkt in de buurt van Anna Paulowna, vanuit zijn atelier kijkt hij uit over de uitgestrektheid van de polder. Die polder lijkt al zijn waarnemingen, soms compleet met in de onbestemde verte naar elkaar toe lopende perspectieflijnen, als een soort kantiaans a priori te structureren, niet alleen zijn stedelijke landschappen maar soms zelfs zijn café- of hotelinterieurs. Onherbergzaamheid is het gemeenschappelijke trefwoord.
Nog in een ander opzicht zijn de foto’s er soms ‘naast’. Ze zijn nogal eens onscherp, vaag, donker, soms omdat het om rokerige cafés of nachtbeelden gaat, misschien als gevolg van een technisch imperfecte camera, maar waarschijnlijk ook bewust. Ze zijn ‘slecht’ belicht of ‘verkeerd’ ingesteld, en ook dat komt de suggestieve kracht van de beelden ten goede, zoals Baudelaire, die allerminst gelukkig was met de onttoverende effecten van de toen net uitgevonden fotografie, al wist. Hij moest bijvoorbeeld niet veel hebben van de landschappen van zijn achttiende-eeuwse landgenoot Vernet, die naar zijn gevoel te veel fotografisch scherpe details bevatten die de verbeelding van de kijker in de weg stonden.

Hoe suggestief de foto’s van Bes zijn, blijkt bovenal uit de gedichten van Tentije. In het boek staan ze op de linkerpagina, naast de corresponderende foto op de rechterpagina. Maar eigenlijk is dat al een verkeerde formulering, want de gedichten zijn natuurlijk nooit zomaar een herhaling of vertaling van het beeld in woorden. De lezer kan de proef op de som nemen: wat leest hij zelf in de foto’s, welke verhalen roepen ze bij hem op, welke geheimen worden hier verzwegen? Tentije gaat altijd een onvoorziene kant op, meestal loopt zijn poëzie maar met een paar woorden parallel met het beeld – indirect, qua sfeer of emotie, levert hij de ene voltreffer na de andere.
Eén voorbeeld, uit het begin van het boek. We zien een schitterende foto in de traditionele betekenis van het woord, want die staan er natuurlijk ook in dit boek: een smal, bochtig straatje ergens in Zuid Frankrijk, waar een diffuus, nevelig licht invalt dat lange schaduwen werpt. Mensen staan er niet op, maar wie goed kijkt ziet ‘hoe iemand een steen uit een raam van een bovenverdieping/ in de laadbak van een camionette keilt’. Maar in het gedicht gaat het om een zwerver die zojuist ‘in een reflex’ de voet heeft gezet op een briefje van honderd waarmee hij ‘geitekaas, brood, een mooie calvados’ heeft gekocht, dan, ‘op zoek naar een logement’, iemand genoemde steen naar beneden ziet gooien om later naar dat slooppand terug te keren en er de nacht door te brengen. Daar bestrijdt hij de leegte, ja ook de door Tentije subtiel gesuggereerde metafysische leegte, met voedsel en drank. Calvados rijmt via het troetelwoord ‘calva’ op Calvarieberg:

een leeg vertrek en op het verkleurde
bloemetjesbehang
niks anders dan de vorm van een crucifix
dat daar
waarschijnlijk een mensenleeftijd gehangen had, ik rolde
mijn slaapzak op het koude balatum uit,
at, toastte
op de verdwenen Christus, voelde de calva branden bij elke
slok, bedacht dat er overal Calvariebergen zijn –

ik kroop zo dicht mogelijk tegen mezelf aan en hoorde
de wind vegend over de zoldervloer gaan

De gedichten verrassen ook door hun steeds wisselende invalshoek. Hoogstens in een handvol lijkt het poëtische subject plusminus overeen te komen met de dichter, in de meeste gevallen kruipt hij in de huid van een ander, die niet alleen geografisch maar ook sociaal en qua wereldbeeld ver van hem af staat.
Zo zien we de wereld door de ogen van een Parijse arbeidster die een angstig moment beleeft in een nachtelijke metro – de bijbehorende foto, een metrostation als grauw verlichte doodskist, lijkt een illusieloze variant van Monets in verwachtingsvolle stoom gehulde stations van Saint-Lazare –; een vrouw die zich verstoten en bedrogen voelt door haar minnaar; een man die in een afgelegen sloopgarage naar ‘een ander zijscherm’ voor zijn ‘Simca Hirondelle’ zoekt; de eigenaar van een schiettent die een paneelschildering laat maken van een erotisch strandtafereel; een uitgedanste nachtclubdanseres en een roulettespeler aan het eind van zijn Latijn.
Het boek kan dus niet alleen als een reis kriskras door Europa, maar ook als een continuüm van zielsverhuizingen gelezen worden. Het zal duidelijk zijn, dat levert al met al geen vrolijk beeld op. Het gaat steeds om randfiguren, verliezers of buitengeslotenen, om een vreselijk gemis of een niet te stillen heimwee. Romantiek, zeker, maar romantiek van het harde en realistische soort. Voor sentimenteel gesnotter is er geen ruimte, wel voor woede, voor pijn, en soms voor solidariteit of een troostend gebaar.
In de tussentijd – de titel slaat onder meer op de wreedaardig minimale tijd van leven die ons tussen twee eeuwigheden van duisternis is gegund. Hij verwijst ook naar het diffuse moment tussen vergetelheid en herinnering, het moment waarop het stilstaande beeld van de fotograaf zich dankzij de dichterlijke blik opent en volloopt met een illusie van leven, een illusie die het tegen die wreedheid opneemt.

De expositie van foto’s en schilderijen van Peter Bes: Kunstcentrum Haarlem t/m 13 december