Hardhandig

Mario Praz laat er in zijn onvolprezen boek over de literatuur van de Romantiek geen twijfel over bestaan: van Sade moet hij niets hebben. Hij verafschuwt zijn ‘materialistische filosofie’, ergert zich aan het gebrek aan psychologie, en ziet in diens werk niets van literaire waarde.

Dat laatste kan ik wel met hem eens zijn.
Neem Justine of De tegenspoed der deugdzaamheid. Sade noemt het zelf een roman. Dat is het ook, maar dan wel een heel slechte. Het lijkt nog het meest op een traktaat. Het verhaal wordt overheerst door moraalfilosofische disputen.
Die disputen vinden plaats tussen Justine, die de Schone Deugd zelve is, en haar kwelgeesten, die er niet alleen een diep genot in scheppen haar aan de meest verschrikkelijke beproevingen te onderwerpen, maar ook een kennelijk genoegen beleven hun handelingen filosofisch tegenover haar te rechtvaardigen.
Dat doet allemaal heel onwaarschijnlijk aan.
Nog onwaarschijnlijker is dat Justine zich die disputen woord voor woord herinnert. De roman is een raamvertelling: Justine vertelt haar levensverhaal aan een vrouw die zich over haar droeve lot heeft ontfermd. Ze doet dat in stijve, wijdlopige boekentaal. Als ze klaar is maakt de vrouw zich bekend als haar zuster Juliette, die we kennen van Juliette of De voorspoed van de ondeugd. Eind goed, al goed? Nee, Justine wordt door de bliksem getroffen en sterft.
Is het een verhaal zonder enige psychologie?
Dat valt, vind ik, wel mee. Het is een klassieke Bildungsroman. We zien hoe Justine stap voor stap de wereld leert kennen. Geen beste wereld. Iedere poging van haar om God, de deugd en de wetten te dienen, doet haar dieper wegzinken in een moeras van misdaad en wellust. Geen wonder dat ze regelmatig vertwijfelt. En daar zit iets psychologisch in. Net als in de reacties op haar vertwijfeling - al is dat een nogal zwarte psychologie: haar belagers folteren haar met verdubbelde kracht.
Is Sade’s filosofie verwerpelijk ‘materialistisch’, zoals Praz meent?
Zelf presenteert Sade Justine als een waarschuwing tegen libertijnse drogredenen. Maar dat is een flauwe truc. Hij legt zijn wrede libertijnen wel degelijk zijn eigen gedachten in de mond. Maar die gedachten zijn niets anders dan voorafschaduwingen van de filosofie van Nietzsche - een, zeker tegenwoordig, zeer respectabele filosofie. Maar dat was in 1930, toen Praz zijn boek schreef, kennelijk nog niet zo. Praz blijkt Nietzsche nauwelijks te kennen. Hij noemt hem één keer in een voetnoot, waar hij hem 'min of meer een sadist’ noemt.
Nietzsche een sadist? Hooguit in zeer overdrachtelijke zin. Zijn Jenseits von Gut und Böse begint zo: 'Stel dat de waarheid een vrouw is.’ Dan, vervolgt de schrijver, hebben de filosofen zich tot nu toe wel héél onhandige minnaars betoond. Waarna hij voor een hardhandiger aanpak pleit.
Zo hardhandig als bij Sade. Stel dat de waarheid Justine heet. Dan hebben haar folteraars toch het grootste gelijk wanneer ze haar op de pijnbank leggen?
Ergo, Sade’s Justine is literatuur noch pornografie. Het is de vroegste formulering van een filosofie die niet meer uit onze huidige beschaving is weg te denken. Die van Nietzsche.