De runners van San Quentin

Hardlopen om vooruit te komen

San Quentin, door Johnny Cash bezongen als de ‘levende hel’, is na hervormingen de plek waar gevangenen in Californië het liefst worden geplaatst. Vrijwilligers staan hen bij. Bijvoorbeeld in de 1000 Miles Club.

Mark Jarosik (midden met zonnebril) en andere gevangenen trainen voor de marathon in San Quentin, 27 maart

Rust valt over de binnenplaats. De ruis van stemmen en beweging heeft plaatsgemaakt voor stilte. Zolang het alarm geldt, zitten de gevangenen op de grond. ‘Routine’, zegt bewaker Garcia. ‘Gebeurt een paar keer per dag.’

We volgen de met een spuitbus aangebrachte lijnen op de grond vanaf het startpunt bij de westmuur. De groene verfresten markeren het hardloopparcours op het ongelijkmatige asfalt. We buigen linksaf met het honkbalveld mee, langs de barakken waar de gevangeniskrant wordt geschreven. Een lichte stijging, een bocht naar links en een scherpe bocht naar rechts tekenen de zuidkant van de route. Voorbij de basketballers weer links, een recht en vlak stuk. Rechts de celblokken, links de ‘neutrale bankjes’. Garcia: ‘Hier komen alle rassen samen.’ Voorbij de boksbal en de gewichten slaan we bij de gevangenistoren weer linksaf. De pitcher van het honkbalteam groet ons. Een laatste bocht linksom mondt weer uit bij de start. Boven het scoreboard staat: San Quentin Field of Dreams.

Eens per jaar legt een groep bewoners van de beruchte, zwaarbewaakte gevangenis voor mannen 105 keer datzelfde rondje af, 42 kilometer lang. Ook dan gaat het alarm wel eens af. De laatste keer duurde het anderhalf uur voor de lopers de race konden hervatten. ‘Misschien wel de zwaarste marathon van Amerika. De meest monotone, zonder twijfel’, zegt Jim Maloney, coach bij de 1000 Miles Club, de hardloopvereniging van San Quentin. Binnen de vier muren vinden de gevangenen in het lopen hun vrijheid. Voor atleten met het vooruitzicht van een leven buiten de muren is hardlopen onderdeel van de voorbereiding. Daar buiten is alles anders, tot ze hun schoenen aantrekken en gaan.

Een voor een komen de mannen aangelopen. Hoeveel leden er komen opdagen weet je van tevoren nooit. Soms zijn ze overgeplaatst of hebben ze andere verplichtingen. Sterfgevallen zijn er ook, geweld of zelfmoord zijn hier geen uitzondering. Een man of vijftien vandaag, ‘een goede opkomst’. ‘Laatste training voor de wedstrijd van vrijdag mannen. We beginnen met tien minuten warmlopen. Probeer twaalf kilometer per uur aan te houden. Let’s go’, schreeuwt hoofdcoach Frank Ruona de groep toe.

Zijn vrijwilligers en de leden vertrekken, Vietnamveteraan Ruona (73) blijft staan. Niemand loopt ongestraft 78 marathons en 38 ultramarathons, zelfs hij niet. ‘Ik hoop binnenkort weer mee te lopen. Die verdomde wervels zitten me dwars.’ Alle gewrichten in het knokige loperslijf zijn al eens vervangen. De souplesse van zijn jeugd dringt bij vlagen door de roestige motoriek heen. Ruona beweegt op wilskracht, net als discipline en dienstbaarheid een leidend principe in zijn leven. Met zijn pet en zonnebril strak op het gebruinde, magere hoofd moedigt hij de passerende lopers aan. De draagbare klok op de grond toont de rondetijden. Elke maandag en vrijdag draagt Ruona de zware klok uit zijn achterbak de binnenplaats op.

‘Kijk’, zegt hij eerder die dag op het terras van een koffiezaak een paar kilometer verderop. ‘Hier zie je dat hij start met twaalf kilometer per uur. Maar in de volgende ronde vertraagt hij al naar tien kilometer. Dan leg ik uit dat hij beter op elf kilometer de eerste helft van zijn race kan lopen en daarna, als hij nog overheeft, gaat versnellen.’

Ruona draagt een telefoonboek aan losse velletjes mee. Certificaten die hij maakt voor elke loper voor elke race. Vellen vol cijfers in groen voor versnellingen in de rondes, in rood voor vertragingen. Soms neemt hij printjes van publicaties over zijn lopers mee. De lopers hangen de printjes die hij maakt op of ze sturen ze door aan familie.

De leden van de 1000 Miles Club

Veertien jaar is Ruona nu hoofdcoach van de 1000 Miles Club. Hij was het allerminst van plan toen hij in 2004 benaderd werd door een medewerkster van de gevangenis. ‘Ze had wat mannen die hardlopen leuk vonden, maar het leek nergens op. Of ik niet iemand wist die ze een beetje kon begeleiden.’ De mail die hij stuurde aan de zevenhonderd leden van de prestigieuze Tamalpa-hardloopclub waar hij ook aan het roer staat, bleef onbeantwoord. Dus ging hij zelf. Vaak was er maar één loper, later werden het er meer. Hun namen en kwaliteiten als loper staan in zijn geheugen gegrift. ‘Het was Ronnie Goodman die over een marathon begon. “Ik heb dit weekend 32 kilometer gelopen, denk je dat ik een marathon haal?” vroeg hij. Zo begon het. In 2008 was de eerste een feit.’

In diezelfde periode zwol de kritiek op de strafrechtketen aan. Na de roemruchte jaren tachtig en negentig waarin ‘tough on crime’ en ‘three strikes you’re out’ – 25 jaar tot levenslang bij een derde (licht) vergrijp – de norm waren, werd de bijvangst van die benadering zichtbaar. De gevangenissen in Californië raakten zo overbevolkt dat het Hooggerechtshof zich er in 2011 over uitsprak. De erbarmelijke omstandigheden veroorzaakten nodeloos mentaal en fysiek lijden en zelfs de dood, aldus het Hof. De populatie moest worden gehalveerd, naar tachtigduizend.

De uitspraak luidde een reeks hervormingen in de Gouden Staat in. De strafmaat voor een derde vergrijp werd verlicht, three strikers werden versneld vrijgelaten, opeenvolgende gouverneurs waren riant met het verlenen van gratie en sinds de legalisering van marihuana in 2018 worden gevangenen die onder die nieuwe wetgeving niet meer berecht zouden worden naar huis gestuurd. De bezetting van Californische gevangenissen daalde van 167.000 in 2009 tot 127.000 in 2019. In San Quentin kromp de populatie in diezelfde periode van ruim vijfduizend naar krap vierduizend gevangenen.

De cijfers, de hoge kosten en de overbelasting van het systeem maken het gevangeniswezen een van de weinige onderwerpen waar Republikeinen en Democraten elkaar op dit moment in kunnen vinden. In december stemden het Congres en de Senaat met overweldigende meerderheden voor de First Step Act, een wet die onder andere vervroegde vrijlating en strafvermindering mogelijk maakt. De hervormingen gaan niet of nauwelijks gepaard met een toename van financiële of programmatische ondersteuning bij terugkeer in de samenleving. De recidive-cijfers liegen er niet om: 65 procent van de gevangenen die in Californië vrijkomen, belandt vroeg of laat weer in de bak.

‘Ik heb empathie ontwikkeld voor deze mannen en hun omstandigheden. De kaarten zijn voor de meesten van hen ongunstig geschud’

Daar neemt de progressieve Bay Area geen genoegen mee. Als de overheid niets doet, regelen we het zelf wel, vinden ze aan de baai overwegend. Maatschappelijke organisaties en vrijwilligers, geholpen door de gevangenisdirectie die de deuren voorzichtig openzette, maken van San Quentin een proeftuin voor programma’s die de kwaliteit van leven in de gevangenis verbeteren en de mannen voorbereiden op een leven buiten de muren. De centrale ligging van de gevangenis helpt daarbij: wie met de veerboot vanaf San Francisco aan komt varen, wordt vanaf de rotspunt toegezwaaid door mannen in oranje pakken, het huistenue van gevangenen met een hoog risicoprofiel. San Quentin is een zichtbaar en voelbaar onderdeel van het leven in de baai. ‘Het is ónze gevangenis’, zegt hardloopcoach Maloney genegen.

De keuze is reuze: van yoga, meditatie of hardlopen tot schilderles, tuinieren, schrijven of fotografie. Er zijn praatgroepen voor verslaafden in alle gradaties en programma’s voor het verwerken van trauma’s van binnen en buiten de bajes. De populaire podcast Ear Hustle (bajesjargon voor afluisteren) over het leven in San Quentin wordt gemaakt door gevangenen en bereikt luisteraars over de hele wereld. Sporters, journalisten en andere specialisten van naam komen hier om hun kennis te delen. Zo speelt de nba-ploeg van San Francisco, de Golden State Warriors, hier eens per jaar een potje en verloor tot groot genoegen van de bewoners al twee keer op rij. Techondernemers leren gevangenen coderen, universiteiten bieden opleidingen aan en wie wil kan in de werkplaats een vak met zijn handen leren. ‘Ze hebben het drukker dan jij en ik met al die programma’s’, grapt Maloney. ‘Als hun risicoprofiel deelname toelaat tenminste.’

De influx van vrijwilligers en hun programma’s veranderde San Quentin van de door Johnny Cash bezongen ‘levende hel’ tot de plek waar gevangenen in Californië het liefst worden geplaatst. Als je ergens moet zitten, dan maar daar. ‘Vergis je niet’, zegt Ruona. ‘Het is een hondenleven. Ik heb het hier van binnen gezien. Mannen leven opgehokt en weggestopt, de omstandigheden zijn erbarmelijk. Ik zou er geen nacht door kunnen brengen.’

De vrijwilligers zijn een welkome afleiding van het gevang en de bewakers die het instituut vertegenwoordigen. ‘Vertrouwen is belangrijk’, zegt Maloney. ‘Iemand die ze in de eerste plaats als mens ziet en niet als gevangene.’ Ruona: ‘Toen ik begon kreeg ik vaak te horen: waarom besteed je je tijd hier in hemelsnaam aan, die mannen zijn het niet waard. Dat is wel veranderd – op een paar hard asses na. Ik heb empathie ontwikkeld voor deze mannen en hun omstandigheden. De kaarten zijn voor de meesten van hen ongunstig geschud. Ik probeer ze te helpen, voor zover ik dat kan. Daarna moeten ze het zelf doen.’

Coach Jim Maloney (l) traint met Dan McCoy

‘Wat wil je drinken?’ vraagt het meisje achter de balie. Het is rustig in de koffieketen aan de Embarcadero, de haven in San Francisco. ‘Koffie’, antwoordt Markelle Taylor (47). ‘Waar heb je trek in?’ vraagt de verkoopster terwijl ze naar het keuzeoverschot op de borden boven haar hoofd wijst. Taylors ogen zoeken naar houvast, naar iets wat hem bekend voorkomt. ‘Wat is een espresso?’ vraagt hij weifelend. ‘O… aha…’ Een korte overpeinzing. Dan: ‘Ik wil graag suiker in mijn koffie, heb je ook iets zoets?’ Haar antwoord resoneert als een vreemde taal: ‘Natuurlijk, wil je een vanille-latte of een caramel-macchiato?’

‘Dit voelt zo ongemakkelijk’, zegt Taylor even later terwijl hij de suikerpot (‘dit is toch suiker?’) nog een paar keer ondersteboven houdt boven de slagroom.

Koffie bestellen als je achttien jaar hebt vastgezeten, ga er maar aan staan. Markelle Taylor – bijnaam Markelle the Human Gazelle – is net zes weken vrij. Zijn spieren voelen nog stram aan van de marathon in Boston, zijn eerste als vrij man. ‘Een verbetering van mijn persoonlijk record: drie uur en vier minuten!’ zegt hij trots. In San Quentin staan alle records op zijn naam. ‘Zondag heb ik alweer een race, tien mijl. Om zes uur haalt de coach me op. Hij houdt me flink bezig, als ik niet hoef te werken tenminste.’ Taylor is afwasser in een bejaardentehuis, een tijdelijk baantje.

De zelfmoord van een goede vriend bracht hem aan het lopen. De derde afwijzing voor vrijlating werd zijn vriend fataal. Rond die tijd kreeg Taylor zijn eerste oproep om voor de commissie die over vrijlating beslist te verschijnen. ‘Ik wilde voorkomen dat ik in de problemen zou raken of depressief zou worden, zoals mijn vriend. Ik moest mijn hoofd op orde krijgen, geconcentreerd blijven.’ Dertien jaar zat Taylor inmiddels vast. ‘Af en toe liep ik hard op de binnenplaats, in mijn eentje. Iemand zei dat je gratis schoenen en een petje kreeg als je bij de club kwam. Waarom niet? dacht ik. Man, het veranderde mijn leven!’ lacht Taylor uitgelaten.

‘Met hardlopen viel alles op z’n plek. Ik worstelde met mijn pijn. Er zat nog van alles van binnen, dat moest eruit. De praatgroep waar ik in zat hielp wel, maar er miste iets. Er waren te veel dingen die me afleidden, dingen waarvan ik wist dat ik ze niet moest doen. Dan deed ik ze toch. Toen ik ging lopen werd alles helder. Het hielp me met de keuzes die ik moest maken, net als mijn geloof. Ik ben het lopen en de Schepper dankbaar.’

Als hij rent is het alsof hij naar een plek in zijn hoofd gaat, legt Markelle uit. ‘Op die plek ben ik vrij, ontspannen. Alle onreine gedachten stromen langzaam weg, elke adem die ik uitblaas bij elke stap. Het is een meditatieve plek. Waar ik ook loop, binnen of buiten, dat maakt niet uit. Die plek is hetzelfde.’ Hij denkt even na. Dan: ‘Mijn favoriete film is Forrest Gump, heb je die gezien? Zoals Tom Hanks rent en rent en maar blijft rennen, die focus, die plek. Zo is het als ik loop.’

O p de binnenplaats weerkaatsen vergelijkbare verhalen. ‘Elke dag twintig rondjes, dat houdt mijn geest scherp en vrij’, zegt Dan McCoy (57). Met een geconcentreerd, bij vlagen gepijnigd gezicht en een ontbloot bovenlijf vol tattoos passeert hij tijdens een zware loop telkens weer. Vederlicht snelt Mark Jarosik (53) met zijn afgetrainde slanke bouw, sproeten en kort rossig haar de groep vooruit. Voordat hij hier terechtkwam was hij architect. ‘Ik had twee bureaus’, zegt hij. Al jaren is hij tweede bij de marathon. ‘Nu Markelle vrij is, kan ik eindelijk eerste worden. Ambitieus ben ik altijd geweest’, lacht hij enthousiast. ‘Ik volg ook een mba. Voor elk vak dat ik haal gaat er een week van mijn tijd af. Ik zit al op drie maanden.’ Verwachte datum van vrijlating? ‘2029.’

‘Met hardlopen viel alles op z’n plek. Ik worstelde met mijn pijn. Er zat nog van alles van binnen, dat moest eruit. De praatgroep hielp wel, maar er miste iets’

Zo is elke interactie in San Quentin een fragment van de werkelijkheid en een uitwisseling van hoop en wanhoop, van optimisme en realisme, van uitzichtloosheid en perspectief. Telkens dringt de olifant in de kamer zich op: wat is hun misdaad? En: doet het er eigenlijk toe? ‘De ongeschreven regel is dat je er niet naar vraagt. Als ze het willen vertellen, doen ze dat zelf wel’, legt Maloney uit na de training. ‘Ik wil het ook niet weten’, voegt coach Tim Fitzpatrick toe. ‘Laatst kwam ik er per ongeluk achter, via iemand anders. Het verandert hoe ik naar ze kijk. Als je het hoort… Ze hebben echt verschrikkelijke misdaden gepleegd. Maar ik kom er om met ze te rennen, dat kan ik met ze delen. Ik kom niet om te oordelen, dat heeft de rechter al gedaan.’

Het gesprek ontvouwt zich in een sushirestaurant op een paar kilometer van de gevangenis, vaste prik na de training. ‘Regenboogrol, sashimi, salades erbij?’ ‘Bestel jij maar. Vergeet je handen niet te wassen; daar is het toilet.’ Ogenschijnlijk kleine handelingen verraden de routine. Aan het ene eind van de tafel bespreken de coaches de training, aan het andere eind ontvouwt zich een gesprek over het rechtssysteem. Eensgezind zijn ze allerminst: dient het systeem voor rehabilitatie of voor straf? Moet iedereen wel weer vrijkomen? ‘We hebben het er veel over’, licht Maloney later toe in de auto op weg naar huis. ‘Eigenlijk altijd.’

Ook Taylor passeert de revue. ‘Ik maak me zorgen’, zegt Fitzpatrick, ‘kleine dingen maken hem van streek. Hij moet zich aanpassen aan het systeem buiten de gevangenis. Ik hoop dat hem dat lukt.’

Dat is niet altijd even gemakkelijk, vertelt Taylor op het bankje aan de haven. ‘Al die regels… Ik zit nog steeds gevangen, zo voelt het. Zondag heb ik een wedstrijd, maar ze willen me in het opvanghuis waar ik zit geen pas geven, want ik was te laat met aanvragen. Dat frustreert me. Ik weet dat ik moet wennen aan de regels hier, maar ik vind het moeilijk.’ Het zijn niet alleen de regels waar Taylor mee moet leren omgaan. ‘Vanochtend nog stond ik mijn boxershort te wassen onder de douche. Gevangenisgewoonte. Daar hadden we geen wasmachines. Of ik noem mijn kamergenoot cellie – zo noemen we een celgenoot binnen. Ik moet anders praten, anders begrijpen mensen me niet.’

‘Juist de alledaagse dingen zijn lastig’, zegt Maloney die net als zijn collega-coaches ook buiten de gevangenismuren betrokken is bij de ‘alumni’ – een woord van Fitzpatrick. ‘Ze bellen me over de meest basale dingen: hoe gebruik ik een telefoon, hoe werkt het openbaar vervoer? Als dat al lastig is, vraag dan maar eens een ID-bewijs of burgerservicenummer aan. Soms geef ik wat geld. Maar meestal zijn het praktische zaken: helpen bij sollicitatiegesprekken of kleren halen bij het Leger des Heils. En natuurlijk ga ik met ze rennen. Waarom? Er is níemand anders die het doet. Dat verbaast me nog steeds.’

Maloney begeleidt als vrijwilliger gevangenen ook bij de psychologische verwerking van hun situatie en hun daden. ‘Dat zijn zware processen die ver teruggaan’, zegt hij. ‘Veel mannen zijn getraumatiseerd en beschadigd: ze zijn mishandeld, verwaarloosd, opgegroeid in armoede of in een omgeving van drugs en geweld. Het bendeleven – laat ik dat maar even als voorbeeld nemen – is doorgaans de enige vorm van bescherming die ze kennen. De schaamte over hun daden drukt ook zwaar. We proberen ze met het programma te laten zien dat ze meer zijn dan hun misdaad, dat er leven is daarna. De mannen die dat willen tenminste, dat geldt lang niet voor iedereen, daar moet je ook reëel in zijn.’

Het brengt het gesprek onvermijdelijk op de schandvlek van het Amerikaanse gevangeniswezen: de institutionele benadeling van de zwarte bevolking, mannen in het bijzonder. De vicieuze cirkel van (historische) armoede, achterstand en institutioneel racisme brengt zwarte Amerikanen zes keer zo vaak achter de tralies als hun blanke landgenoten. Twaalf procent van de Amerikaanse bevolking is zwart – van de gevangenispopulatie is dat 33 procent. 64 procent van Amerika is blank – in de gevangenis is dat dertig procent. De trend daalt sinds een aantal jaren wel voorzichtig, onder andere door de hervormingen in het strafrechtsysteem.

Training in San Quentin

‘Ik ben gaan begrijpen dat het leven voor zwarte mensen in Amerika een stuk rauwer is dan voor jou en mij’, antwoordt Ruona op de vraag of zijn werk hem anders naar de wereld heeft doen kijken. ‘Toen ik begon, kwam ik hier alleen om te lopen zoals ik dat op de club buiten ook doe. Maar door de jaren heen heb ik de mannen echt leren kennen. De verhalen die je hoort (zucht verslagen)… ik ben dankbaar dat ik veilig en geborgen ben opgegroeid. Ik heb alle kansen gekregen, ben altijd gesteund. Maar zij… ook later als ze het geluk hebben de bak uit te komen, zijn ze nog een doelwit. Het systeem geeft ze overbelaste advocaten en rechters. Laatst nog heb ik getuigd. Een oud-renner kwam in de problemen. Hij maakte geen schijn van kans. Ik zeg het tegen al mijn mannen: blijf ver weg van problemen want ze pikken je er zo uit.’

‘Dat is mijn grootste uitdaging, zorgen dat ik positief blijf en de goede keuzes maak’, zegt Taylor. Plots belt zijn broer. ‘Ik moet opnemen, hij belt uit de gevangenis. Hij zit in Nevada.’

Na de wedstrijd een dag later belt hij terug. Het ging voor geen meter. Hij baalt. ‘Maar ik moet me blijven concentreren. Ik ben nu een loper. Zo voel ik me, zo wil ik gezien worden. Ik ben niet meer de man van vroeger. Boston was zwaar, ik had kramp. Maar dan denk ik gewoon: ik maak het af. Zo leef ik. Ook als het moeilijk is: ik blijf erbij en maak het af.’

Tegenslag loert altijd om de hoek. De laatste marathon werd twee keer uitgesteld, eerst vanwege de bosbranden, daarna vanwege een reeks sterfgevallen in de dodencel, vermoedelijk door drugs. De voeding is gezien het trainingsprogramma van de mannen onder de maat en materiaal is afhankelijk van donaties. Lang niet alles mag naar binnen. Zo zijn bendekleuren verboden. ‘Ik heb wél een goede lading schoenen staan voor mannen die vrijkomen’, lacht Ruona. De omstandigheden zijn misschien armoedig, maar de mannen hebben elkaar.

‘We trainden altijd samen, moedigden elkaar aan’, zegt Taylor. ‘Iedereen heeft een ander niveau en een ander doel, maar we helpen elkaar. Ik mis ze. Ik houd van ze. Maar de coach heeft geregeld dat ik mag komen trainen binnenkort, dan zie ik ze weer.’

‘Dat is Franks stille kracht’, zegt Maloney. ‘Dat geregel achter de schermen met de leiding hier is een drama. Niemand van ons zou dat kunnen, maar Frank doet het gewoon.’ Ruona is er laconiek over. Bijzaken zijn het. De mannen, dat is de hoofdzaak. ‘Een pensioenplan?’ Hij gniffelt zacht. ‘Ach, zolang ik gezond ben blijf ik dit waarschijnlijk wel doen.’ Dan pakt hij zijn spullen. Tijd om te gaan. In de ene hand zijn tas, in de andere de klok. Op weg naar de uitgang. Volgende week weer een training.