Hardnekkig

Nertsenfokkerijen, slachthuizen – door corona komen ze vol in het licht te staan. En ook de ongewenste praktijken, waar ze graag aan vast blijven houden.

Nederland had de primeur: twee, mogelijk vier mensen zijn door nertsen besmet geraakt met het coronavirus. In China, waar het inmiddels wereldwijd verspreide virus als eerste toesloeg, moet de oeroverdracht van dier naar mens nog worden bewezen, hier in Nederland is de besmetting van mensen door nertsen volgens wetenschappers ‘zeer waarschijnlijk’.

Geen primeur hadden we toen bleek dat ook in Nederland slachthuizen brandhaarden voor het coronavirus zijn. De VS gingen ons ruim voor. In de slachthuizen is het overigens niet het vlees van dieren dat mensen besmet, maar zijn het de woon-, reis- en werkomstandigheden van het personeel die het onmogelijk maken om afstand te houden ter voorkoming van besmettingen.

Door het coronavirus ligt het vergrootglas nu op deze twee sectoren, de pelsdierhouderij en de slachterijen. Behalve dat ze beide zijn geraakt door Covid-19, blijkt nu nog een andere overeenkomst: beide bedrijfstakken houden hardnekkig vast aan ongewenste praktijken.

Kijk even mee. Al in 1999, ruim twintig jaar geleden, diende pvda-Kamerlid Willie Swildens-Rozendaal een motie in die vroeg om een einde te maken aan het bedrijfsmatig houden van nertsen. Voor het dierenwelzijn was dit een onwenselijke praktijk. De motie behaalde een meerderheid, maar kreeg geen steun van vvd en cda en er gebeurde niks mee. Het duurde vervolgens tot 2013, ook nu met een initiatief vanuit de Tweede Kamer, dat er een verbod kwam op het houden van pelsdieren. Alweer zonder steun van vvd en cda. De pelsdierhouders kregen tot 1 januari 2024 de tijd om te stoppen met hun bedrijf. Wie in de tussentijd stopt, heeft – onder voorwaarden – recht op subsidie van de overheid. Onthoud dit laatste even!

Dat pelsdierenhouders zich niet makkelijk laten overhalen hun business op te heffen, blijkt ook nu weer, nu corona in inmiddels zeker zes bedrijven de nertsen heeft besmet en via hen vervolgens ook twee mensen. De voorzitter van de Nederlandse Federatie van Edelpelsdierenhouders beklaagde zich erover dat er ‘nog steeds geen overgangsregeling’ is als collega’s van hem willen stoppen. Pardon? Ook klaagde hij dat het slecht gaat in zijn business als gevolg van het virus, ook voor niet-besmette bedrijven. Tja, daar kampen wel meer ondernemers mee. Daarom is er voor het hele bedrijfsleven inmiddels een tweede steunpakket van miljarden euro’s. Maar de voorzitter van de pelsdierenhouders vond toch dat hij om nog eens vele miljoenen steun kon vragen.

De pelsdierenhouders vonden dat ze om nog eens vele miljoenen steun konden vragen

Of de nertsen in de besmette stallen allemaal gedood moeten worden, zal een dezer dagen duidelijk worden. Daar zal dan een vergoeding tegenover komen te staan. Maar of die nertsenhouders ook weer door mogen voor de nog resterende jaren, of hoe hoog de subsidie zal zijn als ze nu meteen voorgoed stoppen, is nog onduidelijk. Wel duidelijk is dat hun voorzitter het onderste uit de kan zal eisen.

Het onderste uit de kan willen ook de eigenaren van de slachterijen. Te beginnen van hun werknemers. Het zijn vooral arbeidsmigranten die voor hen werken, migranten die weinig verdienen, lange dagen maken, vaak op elkaar gepakt wonen in niet al te beste gebouwen en van daaruit met volle busjes naar hun werk worden gereden, waar ze ook weer dicht op elkaar aan de slag moeten in ijskoude hallen. Nu blijkt dat dit het coronavirus welgevallig is, valt het spotlicht extra op deze risicovolle omstandigheden.

Dat daarvoor nu ook vanuit de politiek aandacht is – net als bij de leefomstandigheden van de pelsdieren – is eveneens niet voor het eerst. Maar ook hier geldt dat de eigenaren van de slachterijen hardnekkig vasthouden aan hun verdienmodel, dat vooral leunt op de goedkope arbeidsmigrant. Slachterijen zijn daarin overigens niet de enige, ook in andere bedrijfstakken werken veel werknemers uit vooral Polen, Roemenië en Bulgarije.

Tijdens het debat over het tweede steunpakket voor het bedrijfsleven vroeg cda-fractievoorzitter Pieter Heerma vorige week aandacht voor de maakindustrie. Volgens hem laten de gevolgen van het coronavirus zien dat het belangrijk is dat goederen, of onderdelen daarvan, weer in Nederland of binnen de Europese Unie gemaakt gaan worden, zodat ze niet van over de hele wereld hierheen hoeven te komen. Dat maakt Nederland te afhankelijk van derden. De oorzaak van al dat heen en weer gesleep van goederen is vooral de lage prijs, want ze worden gemaakt in lagelonenlanden. Heerma wil dat er breder wordt gekeken dan alleen de prijs, ook naar de kwaliteit, de kosten van het vervoer en het risico als dat vervoer stokt, zoals in deze tijden van corona.

Breder kijken dan alleen de prijs? Prima, maar dan lijkt me dat ook noodzakelijk bij het consumptievlees. Want als het om vlees gaat, is Nederland het land van waaruit dat over de hele wereld wordt versleept. En om de prijs van vlees laag te houden verdienen de arbeidsmigranten hier weinig. Nederland is dan wel geen lagelonenland, slachterijen behoren hier wel tot de lagelonensector. Als Heerma kwaliteit ook belangrijk vindt, dan moet hij daarbij eveneens de omstandigheden betrekken waarin niet alleen veel arbeidsmigranten, maar ook de consumptiedieren moeten leven. Ook kan hij dan niet heen om de kwaliteit van de lucht en de natuur in de omgeving van de stallen waarin al die miljoenen varkens, koeien en kippen zijn gehuisvest.

Pelsdierenhouders, veehouders, eigenaren van slachterijen en het cda: door het coronavirus zie je nóg scherper de verbanden. En ook de hardnekkigheid waarmee al heel lang wordt vastgehouden aan wat echt niet meer kan.