Hardop dromen

Rob van Essen – ‘Soms zie je iets wat onmogelijk is en waardoor de wereld in een onbekende plek verandert’ © Saskia Vanderstichele

Er bestaat een rijke traditie van literatuur die een loopje neemt met de natuurwetten zonder dat er meteen ruimteschepen of elfjes aan te pas hoeven te komen. Juist in oer-realistische decors als bestaande straten klapt er een luik naar een onbekende wereld open, beginnen dieren te praten of tuimelen personages een andere tijdsdimensie binnen.

De suspension of disbelief, het opschorten van het ongeloof, waar de lezersdroom op drijft, krijgt het zwaar te verduren in deze bonte familie met stamvaders als Kafka, en uiteenlopende telgen als Márquez, Fuentes, Vestdijk, Lampo, Rushdie, Auster en Murakami. Persoonlijk heb ik een wat stroeve relatie met dit genre, en dat maakt de nieuwe verhalenbundel van Rob van Essen zo’n interessante leeservaring.

Van Essen is ijzersterk in het neerzetten van realistische decors waar je voelt dat er iets staat te gebeuren. Een bekende die opduikt voor de ingang van een dierenkerkhof. Een Amsterdams terras waar een man plots zijn jeneverglaasje aan scherven slaat. Een psychotherapeut die aanbelt bij de hoofdpersoon, die net bij hem langs was geweest. Vreemd: had hij iets laten liggen, had hij iets alarmerends gezegd?

Dan nodigt de therapeut hem uit naar buiten te komen, mee in de auto te komen, en na een ritje stelt hij voor dat hij te voet naar zijn ouderlijk huis gaat lopen. Raar, maar oké, het is allemaal zodanig geschreven dat je erin meegaat en het wilt weten ook. Tijdens de wandeling komen er natuurlijk herinneringen los, traumatische gebeurtenissen, pesterijen, en dan staan we ineens voor dat ouderlijk huis, waar beide ouders vastgebonden blijken te zijn, en wordt alles steeds absurder, compleet met een rolletje voor de tuinkabouter uit het omslag van het boek.

Oké, dus het was maar een droom, zoals we bij nader inzien na zin twee al konden weten (‘Hij had een gezicht als uit een droom: eerder gezien, niet eerder gezien’)? Telkens als een verhaal zo’n afslag naar het onmogelijke maakt, bekruipt me de teleurstelling als bij romaneindes waarin alles gedroomd blijkt, waar de vertrouwde verteller plots iemand anders blijkt – de postmoderne lange neuzen die Ian McEwan naar zijn lezers kan maken.

Alles is van cruciaal belang en hoe absurd en onlogisch alles is doet niet ter zake

Maar waarom is het zo erg? Verhalen zijn toch altijd hardop gedroomde gebeurtenissen? Waarom ergert het mij zo dat in een verder mooi en herkenbaar beschreven wereld van scholieren die dagelijks een uur naar school moeten fietsen, ineens een kelder onder een kruidenierszaak blijkt te bestaan waardoor je er in vijf minuten bent? Mis ik de diepzinnigheid of is dit gewoon flauw?

Bij verhalen als over die vastgebonden ouders speelt dat bezwaar veel minder, omdat er een hele ervaringswereld in resoneert, er gebeurt iets wat van wezenlijk belang is, waarbij je het fantastische element voor lief neemt.

Dit absurdisme vereist een welwillendere leeshouding, maar die inschikkelijkheid weet ik niet bij elk verhaal even goed op te brengen. Neem ‘De glazen kamer’, gebaseerd op Van Essens bezoek aan zo’n ‘uitblinkerslunch’ op Paleis Noordeinde. Herkenbaar voor menigeen uit de cultuurwereld – behalve dan dat je er heus niet per limousine voor wordt opgehaald en dat je niet op weg naar de wc ineens (jawel hoor) een deur opent, met daarachter een miniatuurpaleis waar de gebeurtenissen een hoog Alice in Wonderland-gehalte krijgen.

Deuren, tunnels, gangen, huizen, kamers, binnen dat buiten blijkt en omgekeerd, tijdreizen… Van Essen krijgt hierdoor iets van Esscher: met onmiskenbare technische perfectie creëert hij een wereld waarin het vooral de interne onlogica is waar je bij blijft stilstaan en die blijft hangen. En dat is volgens mij niet waar Van Essen op uit is. Hij beoogt overduidelijk meer. Zo lezen we in het verhaal over het dierenkerkhof: ‘Soms zie je iets wat onmogelijk is en waardoor de wereld in een onbekende plek verandert. Je dacht dat je er thuishoorde, maar dat is niet zo; opeens maakt het vreemde waarvan je schrikt ook jou vreemd.’

Die observatie lijkt me programmatisch. In de betere verhalen overkomt je wat de verteller overkomt in het openingsverhaal. Als hij in de supermarkt (een plaats waar Van Essen zijn avonturen vaker begint) zijn dubbelganger opmerkt, die exact dezelfde boodschappen op de band zet, voelt hij ineens overal ‘betekenis rondzingen’. Dat is de sensatie waar deze schrijver op uit is. Precies als in levendige dromen: alles is van cruciaal belang maar je kunt onmogelijk zeggen waarom, en hoe absurd en onlogisch alles is doet op dat moment niet ter zake.

Met name in de langere verhalen bereikt Van Essen dit machtig goed. Maar als je ze achter elkaar leest krijgt het vervreemdingsprogramma toch wat repetitiefs. Dan is het juist een verrassing als er géén deuren openzwaaien. Zoals over de mythische jeugdvriend Scipio, een terugkerend personage uit eerdere bundels, of (mijn favoriet) eentje over de beminnelijke oom Evert, alias ‘het orakel van de buitenwijk’. Die verhalen ademen iets authentiekers, zo niet iets autobiografisch, al speelt Van Essen daar uiteraard mee. Niet toevallig: dit zijn de verhalen waarin de natuurwetten intact blijven of lijken – ook dat gebeurt in dromen weleens.