Ger Groot

Hardop herlezen

In zijn Recherche laat Proust de beroemde actrice ‘La Berma’ een paar keer schitteren op het toneel. Ze doet dat in de rol die haar de grootste roem gebracht heeft: Phaedra, uit de gelijknamige tragedie van Racine. Merkwaardig genoeg wordt in die voorstellingen niet het hele treurspel gespeeld. Met één of twee van de meest dramatische scènes daaruit is de toeschouwer bij Proust al dik tevreden. Hij ziet La Berma in haar glorie en dwars door zijn bewondering heen wordt hij door het tafereel even diep geroerd als de volledige opvoering gedaan had.

Aan dergelijke gewoonten waagt het huidige theater zich niet meer, met uitzondering van de voorproefjes op de Uitmarkt, bedoeld om toeschouwers te lokken voor het komende seizoen. In plaats daarvan hebben we de terugspeeltoets op de video en de ‘scene selection’-functie in het dvd-menu gekregen.

De neiging om hoogtepunten van artistieke ontroering te herhalen is er nog altijd, maar ze is verschoven naar de private consumptie, alsof ze niet helemaal oorbaar zou zijn. De elektrotechniek helpt daarbij en dus valt het theater – zolang het niet op film is vastgelegd en daarmee onvermijdelijk iets anders is geworden – uit de boot. Geheel ongewild bevestigt het daarmee de hoge status die het sinds de uitvinding van de film gekregen heeft. Het toneel is niet meer iets wat men ter wille van het toeschouwersentiment in brokjes consumeert.

De literatuur heeft daar minder last van. Herlezen van gedichten of romanfragmenten is van oudsher niet alleen iets gewoons, maar zelfs prijzenswaardigs geweest. De lezer leerde er hele stukken tekst door uit zijn hoofd. Hij werd als het ware zelf cultuur, steeds beter in staat om literaire toespelingen te herkennen en zijn conversatie te doordesemen met ad rem gekozen citaten.

Het vreemde is dat die verinwendiging van teksten de herlezing ervan niet in de weg staat. We kunnen gedichten of zelfs hele cycli uit ons hoofd kennen, en toch steeds weer teruggrijpen naar de bundels waar ze in staan. Daar staan de woorden en we spellen ze opnieuw. En steeds weer raken we er als bij de eerste keer door ontroerd, ongehinderd door het feit dat ze wanneer we maar willen in ons geheugen resoneren of we, zoals bij verhaal- of toneelteksten, precies de afloop weten. Onbekommerd raakt die ons steeds weer in ons gemoed.

We hoeven Shakespeare niet op te slaan om te weten dat Othello zijn geliefde Desdemona vermoorden zal, bitter tot inkeer komt en huilend zegt: ‘This look of thine will hurl my soul from heaven/ And friends will snatch at it. Cold, cold, my girl/ Even like thy chastity.’ Toch kost het niet steeds minder maar juist méér moeite om bij die woorden een snik te onderdrukken, terwijl we hen – misschien nu voor het eerst – zelf zijn gaan prevelen en ten slotte hardop declameren.

Want die herhalingsdwang leidt niet alleen tot een gestage accumulatie van het sentiment. Ze brengt ook de neiging voort datgene wat inmiddels woord voor woord verankerd ligt in ons geheugen uit te spreken, alsof alleen dán de investering van het weten haar winst behaalt in het gevoel. De woorden moeten klinken, zoals we ze ook op papier opnieuw moeten hebben gezien. We moeten in die reprise hebben herkend wat we ons niettemin al lang letterlijk ‘eigen’ hebben gemaakt.

De kluizen van de kennis zijn nu eenmaal een steriele opslagplaats. Het loutere na-denken van de woorden en het reciteren in het hoofd volstaan niet om hen de almaar vervulder betekenis te geven die ze krijgen in hun klank. Ze moeten als het ware naar buiten worden gedreven, de werkelijkheid in, opdat we ze in hun zintuiglijkheid terugzien – en ontdekken dat ze wederom méér te betekenen hebben gekregen.

Zo maakt de lezer zijn lezen tot zijn eigen schouwspel. Méér dan de declamatie uit het hoofd, waarin het geheugen nog altijd een weddenschap met zichzelf afsluit (ken ik de tekst nog wel?) is de klinkende herlezing een oefening in belangeloze vervreemding die direct weer ongedaan gemaakt wordt. De woorden keren terug tot de materie en opnieuw verwonderd nemen we ze in die wereldse gestalte waar alsof we ze zagen en hoorden voor het eerst. Nieuw worden ze omdat ze ons heel even vreemd geweest zijn: geen geheugeninhoud maar stoffelijke taal.

Daaraan hecht zich de verrassing, ontzetting of ontroering die ons zo steeds weer kan overvallen en meeslepen. Want overrompeld worden we nooit alleen maar door onszelf – abstracte, wetende subjecten als wij zijn. Echt weten we ons pas in het woordtheater dat we gestaag herbouwen voor onszelf en dat iedere reprise overleeft.