Gastcolumn

Hardwerkende Nederlanders

Is premier Rutte er nu vooral voor de zwoegende vuilnismannen en verpleegsters, of voor de blanke Hollanders?

WAAROM ZIJN WE allemaal zo geschrokken van de uitspraak van Mark Rutte op de avond van de provinciale verkiezingen, dat ‘wij ervoor gaan zorgen dat we dit prachtige Nederland teruggeven aan de Nederlanders’? Iedereen leverde er commentaar op, op de toon van: het staat hem niet. Dit is PVV-retoriek. Het past niet bij hem. Zo kennen we hem niet.

Maar hoe kennen we hem dan wél? Als de man die zei dat de VVD ‘een partij moet zijn voor iedereen die iets van zijn leven wil maken’. Voor iedere hardwerkende Nederlander, zoals hij zegt. Maar wie is die hardwerkende Nederlander? In een heuglijk tv-interview vroeg Clairy Polak hem dat letterlijk. Rutte begon over een vuilnisman, een verpleegster en een caféhouder.

Polak: ‘Laat ik het anders vragen: wie valt er niet onder?’
Rutte: ‘De mensen die niet hard werken.’
Polak: ‘Dat is flauw. Als u het hebt over de hardwerkende Nederlanders, dan betekent het dat er ook veel Nederlanders zijn die niet hard werken. Wie zijn dat?’

Rutte begon over 1,5 miljoen uitkeringstrekkers, waarvan zeventig tot tachtig procent wel zou willen werken, maar daartoe niet geholpen wordt door de sociale diensten.

Clairy Polak raakte hierdoor van slag, omdat ze het gevoel kreeg dat ze haar feiten niet kende: zou het kunnen, zeventig procent, en hoeveel mensen zijn dat? Je moet een snelrekenaar zijn om meteen te weten dat Rutte hier suggereerde dat ruim een miljoen mensen tegen hun zin door die verschrikkelijke bureaucratische overheid hopeloos werden verklaard. Er is volop werk en de mensen willen dolgraag aan de slag, maar ze worden door kortzichtige bureaucraten tegengehouden. Ruim een miljoen slachtoffers van wrede ambtenaren, dat is een waar slagveld. Je zou om internationale interventie moeten vragen, de Verenigde Naties erbij moeten halen, dit is een mensenrechtenschending die bij het tribunaal in Den Haag aan de orde moet worden gesteld.

Polak probeerde zich te redden met de opmerking: ‘U creëert een tweedeling in de samenleving.’
Rutte: ‘Ik constateer een feit.’
Polak: ‘U sluit mensen met een uitkering uit.’
Rutte: ‘Juist niet. Ik wil ze uitdagen om niet te accepteren dat ze niet meer aan de slag kunnen.’

En Rutte vervolgde snel met een praktijkvoorbeeld van een man in Leeuwarden die al 25 jaar werkloos thuis zat, totdat een wakkere ambtenaar van de sociale dienst opmerkte dat dit absurd was en hem aan een baan hielp.
Nu wist Polak het echt niet meer. Ze had zich laten meeslepen, ze raakte gevangen in een heel ander discours, terwijl ze wist dat ze zich niet had moeten concentreren op ‘hardwerken’ maar op ‘Nederlanders’: Rutte heeft het nooit over hardwerkende mensen, hij heeft het altijd uitdrukkelijk over ‘Nederlanders’. En daar staat alleen de niet-Nederlander tegenover. De buitenlander, de vreemdeling, de allochtoon, de moslim.

Waarom verdenken we Rutte nooit van zo'n snoodheid? We kenden hem als een montere, optimistische, vriendelijke jongen die vooral verstandig was. Dat wil zeggen: een sociaal-liberaal, een man op de linkervleugel van de VVD, een verkapte D66'er. Hij werd door partijgenoot Frans Weisglas ooit zelfs het broertje van Wouter Bos genoemd, omdat Rutte zei dat hij er niet was voor de mensen met de hoogste inkomens, maar voor de tweeverdieners die nu te veel belasting betalen aan een inefficiënte overheid. Het is Tea Party-ideologie, maar oppervlakkig gezien komt het rationeel over.

Maar er is ook een heel andere kant aan Rutte die we steeds vaker zien terugkomen en waar we nog aan moeten wennen. We herinneren ons graag de ‘jonge’ Rutte, de man die langzaam klom op de schouders van de kleurloze - en ja, tamelijk regenteske - Jozias van Aartsen en die een sociaal gezicht had en die ons deed denken aan Hans Dijkstal. Rutte stelde zich in 2006 kandidaat voor het lijsttrekkerschap van de VVD als een man met verstand. En een beetje weinig gevoel, maar dat gaf niet. Een politiek leider moet enkel afgaan op de feiten. En Rutte kende ze, vooral de economische feiten, al verdraait hij ze zo nu en dan met een flair die de tegenstander onzeker maakt.

Als de jonge Rutte dus sprak van hardwerkende Nederlanders legde hij zelf ook de nadruk op hardwerken. Maar toen kwam 4 april 2006: Rita Verdonk stelde zich ook kandidaat voor het leiderschap van de VVD. En zij had geen feiten, zij was één brok gevoel. Zij had het over illegalen, over immigratie, over criminaliteit en veiligheid, zeg maar de kwesties van de onderbuik. Rutte bleef hameren op economische groei, op werk en inkomen en duurzaamheid - ja, dat vergeten we, ooit wilde Rutte van de VVD een groen-rechtse partij maken.

Rutte was ervan overtuigd dat zijn rationalisme het zou winnen van Verdonks populisme, maar het was op het nippertje: op 31 mei won hij het lijsttrekkerschap met zes procent verschil van Verdonk.

En toen kwam pas de echte grote vernedering. Voor het eerst in de Nederlandse parlementaire geschiedenis kreeg de nummer twee van een partijlijst tijdens de Tweede-Kamerverkiezingen meer voorkeurstemmen dan de nummer één: aartsvijand Verdonk kreeg in november 2006 maar liefst 67.355 meer stemmen dan partijleider Rutte.

Het was een harde dreun, een diepe krenking, die Rutte ertoe dwong om te gaan denken als zijn vijand. Hij moest meer gevoel brengen in zijn tot dan toe verstandige verhaal. Meer onderbuik en meer sentiment, dus meer over immigratie, criminaliteit en allochtonen, en meer goedkope dreiging en bangmakerij. Zo kwam het accent in ‘hardwerkende Nederlander’ steeds meer op Nederlander. En Rutte hield het impliciet, omdat hij weet dat de mensen het begrijpen: dat zijn de Blanke Hollanders.