Harige maatjes

IN DE JEUGDLITERAIRE herberg is plaats voor de meest onnatuurlijke schepsels: de verliefde kikker, de kater die zijn moeder haat, de muis die een dichter is of een bekende tandarts, de beer met slaapproblemen, de egeltjes die een lat-relatie proberen, de hamsters die lesbisch blijken. Niets menselijks is het kinderboekendier vreemd.

Vooral in het prentenboek schemeren de jaloerse, ondeugende beren, muizen en varkentjes je pastelkleurig voor de ogen. Raad eens hoeveel ik van je hou luidt de titel van de nieuwste bestseller op dit gebied, waarin moeder en kind haas tegen elkaar opbieden in hun liefdesbetuigingen. Reuze schattig en ook verkrijgbaar als T-shirt, prentbriefkaart en knuffelhaas, maar het is wel erg kant-en-klaar voor gebruik.
Zouden er nog prentenboekenmakers bestaan die gewoon een lieve moeder in spijkerbroek durven op te voeren? Het is niet uitgesloten dat die moeders zijn weggespoeld met de tweede feministische golf. Hazen en andere vierpotigen hebben van die golf geen weet en mogen oeverloos moederen. Het riekt naar misbruik van het dier. Misschien zouden we ook Toon Tellegen moeten onderhouden over de vraag waarom zijn dierenvolk altijd zo diep moet nadenken, alles betrekkelijk moet vinden en eeuwig taart moet eten. Laat hij die eekhoorn toch eens een gewone beukenoot tussen de poten gunnen of een woeste achtervolging door de hoogste bomen.
OVER HET ECHTE DIER zou het hier dus moeten gaan en ook daaraan geen gebrek op de kinderboekenplank. Omvangrijk en kleurig geïllustreerd zijn de series over het wel en wee van de mug, de kikker, de slak, de pimpelmees, het wilde dier, het zoogdier, het huisdier. Waar wonen ze, wat eten ze, en eerst en vooral: hoe planten ze zich voort? Netjes gedaan is het vaak, maar saai en passieloos. Gerard Brands - met Bernlef en Schippers ooit de drijvende kracht achter Barbarber - kon dat beter. Altijd nieuwsgierig rondkijkend in de buurt van zijn boerderij schreef hij miniverhaaltjes over wat hij zag. De titels van de niet meer verkrijgbare bundelingen Padden verhuizen niet graag en Het schaap in de luie stoel passen precies bij zijn luchtige verteltrant.
Nog wel in de winkel is het werk van die andere bioloog met schrijftalent, Midas Dekkers. Onnavolgbaar is zijn boekje Het grote moment; hoe dieren geboren worden. Met een mix van nuchterheid en ontzag beschrijft hij ‘het gewoonste wonder van de wereld’. De openingszinnen zijn inmiddels klassiek: 'Een van de moeilijkste dingen om te maken is een poes. Een echte. Om een echte poes te maken, moet je niet alleen een staart en vier pootjes in elkaar zetten, maar ook een hart, kilometers bloedvat, een automatische spinner en ogen die lichten in het donker. Een mens kan wel een maanraket maken, of een prachtig gedicht, maar het eerste het beste onderdeeltje van een poes - één haar, één zenuwtje - is hem al te moeilijk.’ De enige die zoiets kan is de kat zelf, betoogt de auteur. en dat heet voortplanting, waarna hij een beeld geeft van hoe dat bij allerlei diersoorten gaat.
Al zou het wonder van de planting niet misstaan in een kerstnummer, toch denk ik dat we voor de gelegenheid naar iets anders op zoek zijn en wel naar de dikke keel en de betraande ogen. En dan zijn we waar we moeten wezen: bij het dier als makker van de mens. Verhalen die daarover gaan, brengen ons in de gewenste staat van aangename want overzienbare treurigheid. Homerus wist dat al. Wanneer Odysseus na twintig jaar terugkeert op eigen erf en ondanks zijn vermomming herkend wordt door zijn hond Argos, staat er (in de vertaling van Imme Dros): danks alles wist hij dat zijn baas er was, hij kwispelde met zijn staart, hij legde zijn oren plat, maar had geen kracht meer om naar Odysseus toe te kruipen. Die keek vlug opzij en veegde langs zijn ogen.’ Als zelfs de man van duizend listen, die zo veel heeft moeten verduren, in tranen is bij de aanblik van zijn oude hond, hoe zou de lezer de ogen dan droog houden?
Binnen de jeugdliteratuur is deze lezersgevoeligheid op vele manieren uitgebuit en het is de hond die altijd weer in de meest rechtstreekse verbinding met de traanklieren blijkt te staan. Een buitengewone big van Dick King Smith (Babe geheten in de filmversie) is roerend, maar het betreft dan ook een ken met hondse neigingen, wiens grote ambitie het is om 'herdersbig’ te worden. En de kat is waarschijnlijk te onafhankelijk en eigenzinnig om zich te laten voegen in een mooi droevig kinderboek. Rudyard Kipling maakte dat glashelder met zijn verhaal De kat die zijn gangetje ging, waarin de vrouw - toen iedereen nog woest en wild was - zowel de man, de hond als het paard tam maakt met lekkere hapjes en toverij, maar niet de kat. Die stelt zijn voorwaarden en behoudt zijn vrijheid, voor zover die hem uitkomt.
Voor een nog preciezere typering van de hond ten opzichte van de kat denk ik aan Borre en de nachtzwarte kat, een schitterend prentenboek over jaloezie. Borre is een schapendoes die volmaakt tevreden samenleeft met Roosje. Tot de nachtzwarte kat de harmonie komt verstoren. Het vrouwtje wil haar graag binnenhalen, maar dat kan Borre niet toestaan. Wanneer Borre niet kijkt, zet de vrouw een schoteltje melk buiten en wanneer Roosje niet kijkt, kiepert Borre dat om. Uiteindelijk zwicht de hond voor Roosjes stille verlangen. De kat lijkt het om het even, maar laat zich alleen regelmatig zien in al haar hooghartige schoonheid. De hond worstelt met zijn afgunst en loyaliteit. Zijn eigen welzijn is afhankelijk van dat van de baas. En het is prachtig getekend allemaal, in breed opgezette prenten met Roosje die rondwandelt op haar dikke benen in onwaarschijnlijke pantoffels en met Borre als een enorme wolbaal met een allerliefste kop, die onveranderlijk op droef staat. De uitgever zou eeuwige dank verdienen als dit tijdloze boek nog eens herdrukt kon worden.
HET OERVERHAAL in de jeugdliteratuur over mens en hond is natuurlijk Alleen op de wereld (1878), waarin Remi voortdurend gescheiden wordt van alles wat hem lief is. Maar de trouwe Capi deelt dit zware bestaan tot het gelukkige einde, waar hij op zijn stramme poten nog eenmaal rondgaat met het centenbakje. Vanaf de ontmoeting met Vitalis en zijn dierentroepje is de glansrol van de poedel duidelijk. Die wordt in alle bescheidenheid gespeeld, zoals dat een hond past. Hij is er gewoon, geeft een paar warme likken en blaft een meelevende of opwekkende blaf. De eerste nacht dat Remi eenzaam op zijn bed ligt te snikken, komt Capi hem besnuffelen en legt hij zijn poot in de hand van de jongen: 'Dat ontroerde mij zo, dat ik alle moeheid, pijn en verdriet vergat. Ik voelde me opeens niet meer zo alleen, want ik had in deze stille, donkere nacht een vriend gevonden!’
De Nederlandse evenknie van Remi heet Kruimeltje. Het gelijknamige boek is inmiddels aan zijn achtenzestigste (!) druk en vele generaties hebben sinds 1922 tranen gestort over het Rotterdammertje, in de woorden van zijn schepper Chr. van Abkoude 'een alleraardigst boefje, dat zonder enige leiding of opvoeding op de straten opgroeide’. Verlaten door zijn ouders, de deur uitgegooid door zijn pleegmoeder, doodongelukkig in het 'gesticht voor onverzorgde kinderen’ en ook nog valselijk beschuldigd van diefstal, blijft Kruimeltje zijn strijdkreet 'hooliaadiééééé!’ roepen.
OOK VOOR Kruimeltje is de rots in de branding een viervoeter, luisterend naar de goed vaderlandse hondenaam Moor. De ontmoeting vindt plaats in een grote kist waar zowel de jongen als de hond een onderkomen voor de nacht hebben gezocht. Schaamteloos dik zaagt de auteur de emotionele planken, met als toppunt de scène in de kerstnacht. Na de zoveelste tegenslag staat Kruimeltje alleen op de donkere straat en uiteraard waait er een gure noordenwind: 'Waarheen? Wat gaf het? Overal hetzelfde. Overal was de harde, onmeedogende wereld, die immers toch geen plaats voor hem had?’ Zelfs uit de kerk wordt hij verjaagd, hij heeft immers 'die hond’ bij zich. Alleen op de wereld - 'en het sneeuwde, sneeuwde, sneeuwde…’ - maar niet zonder Moor, 'die trouw de wacht hield’.
Het is deze keelsnoerende zieligheid die veel kinderen af en toe dig hebben om eigen verdriet weg te spoelen. En geen betere bondgenoot in de treurnis dan de brave hond - zelf vaak ook niet al te vriendelijk bejegend door de grote wereld - die vragen noch eisen stelt maar alleen in volle warmte aanwezig is.
Heel wat luchtiger en kleiner is de aanpak van Patsy Backx in Het verhaal van Stippie en Jan, maar het principe van onafscheidelijkheid en wederzijdse steun is hetzelfde. Jan is een spoorwegbeambte die tot afschuw van zijn collega’s alleen maar dansen wil. Stippie wordt door zijn bazen in het bos achtergelaten: 'We willen naar het buitenland in een duur en chic hotel./ Daar hebben we geen zin in jou dat begrijp je zeker wel.’ Hond en jongen vinden elkaar niet alleen als maatjes, maar ook in de danskunst: 'Ze werden rijk en erg beroemd en de schouwburg werd naar hen genoemd.’ De combinatie van de ouderwetse rijmen en de kale, expressieve tekeningetjes, waarop Stippie ondanks zijn minuscule afmetingen en ongedefinieerdheid qua ras buitengewoon honds en aaibaar is, maken dit tot een boekje voor het leven.
VERSCHILLENDE auteurs hebben hun eigen huisdier vereeuwigd in een kinderboek. Zo gaf Maurice Sendak ooit in Iggeltje Piggeltje Pop (1967) de hoofdrol aan zijn Sealyham terriër Jenny, die de wijde wereld in trekt om aan het toneel te gaan. Op de ragfijne pentekeningetjes is het onmiskenbaar dat ze in elk geval de rol van eigenwijze hond tot in ieder haartje beheerst.
Guus Kuijer legt in de openingszinnen van Olle (1990) zelfs uit dat het boek bedoeld is om zijn Airedale terriër levend te houden: 'We kochten Olle toen hij drie maanden oud was. Hij is nu dertien jaar. Als je een hond al zo lang hebt, vergeet je dat je hem hebt gekocht. Het lijkt of hij er altijd is geweest. Nu is hij oud en zijn einde nadert. Ik schrijf dit boek omdat ik niet wil dat hij doodgaat.’
Olle is een eigenzinnig type, ongevoelig voor de autoriteit van de mens, niet in staat om een vrouwtje op de juiste plek te bespringen, maar wel buitengewoon communicatief. De baas verbeeldt zich zelfs dat Olle praten kan. Met bewondering en genegenheid beschrijft Kuijer het doen en laten van zijn huisdier en laat daarbij minstens zoveel van zichzelf als van zijn hond zien. Grote gevoelens worden hier in toom gehouden door de anekdotische aanpak. Toch worden ze minstens zo zichtbaar als in de methode-Kruimeltje, met name in de aanloop naar Olles onvermijdelijke einde, waar de zieke hond een spuitje moet hebben: 'Olle zuchtte zijn leven naar buiten. Het was maar een klein zuchtje.’ Eerder heeft Kuijer opgemerkt dat mensen en dieren broertjes zijn. Het is precies die instelling die zijn hondebiografie de juiste toon geeft van vanzelfsprekende betrokkenheid op elkaar.
Soms krijgt de hond zelf het woord. Heel goed is dat gedaan door Els Pelgrom in Bombaaj!, het Kinderboekenweekgeschenk van 1995. Bombaaj is zoals hij zelf vertelt een 'hond op korte pootjes’ uit Spanje. Samen met zijn baas raakt hij betrokken bij een meisje dat op zoek is naar haar vader. En het is uiteindelijk Bombaajs geweldige neus die iedereen bij elkaar brengt.
Het knappe van het kleine verhaal is dat de lezer de wereld consequent op hondehoogte ziet. Els Pelgrom moet de gedragspatronen van de soort met grote toewijding hebben geobserveerd, om op grond daarvan de hondse overwegingenen en drijfveren te kunnen construeren. De grote leidraad in het hondeleven is uiteraard de neus, een orgaan dat in alle boeken van Pelgrom een rol speelt. Bombaaj is bovendien een poëtische hond die de dingen mooi kan zeggen. Een huis is verkeerd vanwege de Verschrikkelijke Bleekwaterlucht, paarden worden aangeblaft vanwege de 'dikke wolk paard’ waar de voorbijganger doorheen moet, en de luchtjes van dierbaren zijn als een wolk waarin een hond veilig is. Ook zonder het te zien weet Bombaaj wanneer zijn baas lacht, want 'dan komt er een sliertje zoete en ook pittige geur van hem los’, en roerend is de directe liefde voor een vreemd meisje, omdat ze ruikt 'als het kussen in de stoel van de baas’. Zo'n bijzonder verhaal zou in een substantiëlere uitgave dan het Kinderboekenweekgeschenk verkrijgbaar moeten blijven.
Aardig is ook Hondeleven van de Fransman Daniel Pennac. De hoofdpersoon luistert naar de naam De Hond en door hem moet duidelijk worden wat mensen honden aandoen. Als onooglijke pup moet hij verzopen worden en als dat niet lukt, belandt hij via de vuilnisbelt in het asiel, waar hij wordt uitgekozen door een klein meisje met vreselijke ouders. Het grote doel in De Honds onzekere bestaan is het vinden en africhten van een baasje. Hij wordt daarin bijgestaan door ervarener soortgenoten. Het is grappig en met veel inleving in de hondse problemen opgeschreven, maar de auteur gaat te vaak tussen hond en lezer in staan met een houding of hij eigenlijk liever het handboek Hoe zijn wij goed voor de hond? gepubliceerd had.
EEN STUK OVER hondeboeken is niet compleet zonder Sheila Burnfords De ongelooflijke reis (1960), dat inmiddels de klassieke status heeft verworven, zeker na de Disney-verfilming. Het is de inderdaad ongelooflijke geschiedenis van een labrador, een bull-terriër en een siamese kat die samen vierhonderd kilometer door de verlaten Canadese wildernis trekken, van hun oppasadres terug naar huis. Gedrieën gaan ze hun neus en instinct achterna en weten ze honger, verwondingen, een aanval van een beer en de dreigende verdrinkingsdood te overleven. Burnford vond de perfecte manier om haar dierenverhaal te vertellen door als alwetende instantie boven de gebeurtenissen te zweven. Ze vertelt alleen wat er gebeurt, niet wat de beesten mogelijk denken of voelen. Dat mag de lezer zelf verzinnen en dat werkt feilloos, want de gebeurtenissen zijn spannend en de dieren gedragen zich weliswaar op een manier die is afgeleid van hun fysieke kenmerken, maar tonen zich op hun eigen wijze toch verantwoordelijk voor elkaar. Nergens is sprake van eenzame baasjes die troost zoeken bij hun makker met de lieve warme snuit, maar het doel dat achter deze ontberingen in de wildernis schemert, is toch de baas. Daar hoort de hond, of hij nu Argos, Moor, Capi of Bombaaj heet.
Niet alleen voor hun trouw en aanhankelijkheid, maar ook voor het feit dat je zo heerlijk om ze kunt huilen, verdienen alle honden de hondenhemel, zoals geschetst door Nicholas Allan in het komische Hemeltjelief. Daar slingeren op straat vlezige botten rond, er staan honderden lantaarnpalen, en op de grond ligt een overvloed aan besnuffelbare zaken. Voor die hemel wordt hond Bas op een dag gehaald door twee engelen met een staart die onder hun gewaad uit piept. Bas heeft zijn koffertje al gepakt en zijn vrouwtje mag niet mee. Daar heeft ze veel verdriet van, maar voor een nieuw hondje gaat ze proberen qua botten, lantaarnpalen en snuffeldingen op de grond een hemel op aarde te maken. Het zij het hondje van harte gegund.