Groep 14 leert het land kennen

Haring, oliebol, hagelslag

Ze hebben net een verblijfsvergunning gekregen en moeten nu, voordat ze mogen inburgeren, een participatiecursus van drie maanden doorlopen. Een initiatief van minister Asscher. ‘We eten boerenkoolstamppot en een homohuwelijk is geen probleem.’

Medium groep 14irene4

‘Wat vinden jullie leuk aan Nederland?’

‘Dat het veilig is’, zegt Khaled uit Egypte.

‘Het tijdsysteem’, zegt Daniel uit Eritrea. ‘Als je om twee uur afspreekt, dan moet je er ook om twee uur zijn.’

‘Vrijheid’, zegt Bhutuk. ‘In Tibet is er geen vrijheid en zijn er geen mensenrechten.’

Het is 5 februari 2015. ‘Groep 14’ heeft les over democratie. Zo meteen moeten de kakelverse Nederlanders de participatieverklaring tekenen. ‘Nederland is een prachtig land om te wonen en te werken’, zo staat in de welkomstbrief die is ondertekend door minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. ‘Iedereen is hier gelijkwaardig. Alle mensen krijgen de kans om iets van hun leven te maken. Ook u.’ Een foto van Asscher, glimlachend en zijn armen over elkaar geslagen, staat ernaast. ‘Met deze verklaring zeggen nieuwkomers “ja”, tegen Nederland’, zei de minister tijdens een certificaatuitreiking van een eerdere groep in Amsterdam. ‘Het is straks ook hun land.’

‘Wat vinden jullie grappig aan Nederland?’ vervolgt de docent.

‘Mensen die op straat eten’, zegt Bhutuk.

‘Wat vinden jullie niet leuk?’

‘De regen en kou’, zegt Mohammed uit Syrië.

Drie maanden eerder; woensdagochtend 10.30 uur.
De cursisten van Groep 14 komen onwennig binnen in het bedrijfsverzamelpand ‘Garage Notweg’ in Amsterdam-Osdorp en stellen zich voor: Daniel, hij is elf maanden in Nederland; Adama, vier jaar; Benoit, een jaar; Bhutuk, twee jaar; Aho, anderhalf jaar; Mohammed, vijf maanden; Khaled, vier jaar; Afshin, Mustafa, Delelu, Ahmad, Zhara en Paul die een jaar en twee weken in Nederland is – hij telt nog steeds de dagen. Ze komen uit Syrië, Senegal, Eritrea, Afghanistan, Iran, Tibet: alle probleemgebieden in de wereld. En ze hebben overal en nergens in asielzoekerscentra gewoond, van Almere, Leeuwarden, Eindhoven, Oude Pekela, Ter Apel, Alkmaar en Soesterberg tot Luttelgeest.

‘Dit is jullie nieuwe familie’, begint Sally Halfide, projectleider bij Implacement terwijl ze een breed armgebaar maakt naar de groep. Ze introduceert ook zichzelf: ‘Ik ben half Surinaams-Chinees, dat zie je aan mijn ogen, en al dertien jaar samen met een vrouw.’ En dan verder de praktische zaken: ‘Iedereen krijgt elke maand veertig euro trajectvergoeding van de dwi als tegemoetkoming in de reiskosten, het geld mag ook gebruikt worden om een fiets van City Bike te kopen.’ De deelnemers staren naar de projectleider. De meesten hebben geen idee wat ze zegt. Of ze nu Nederlands of Engels praat, het maakt niet uit. Onwennig bekijken ze de map die ze net hebben gekregen. Daarin zit het rooster van de eerste maand en de regels van Implacement: ‘1 Op tijd komen, 2 Als je ziek bent of niet kan komen: moet je ons bellen, 3 Niet eten of roken in de klas, 4 Jouw eigen vuilnis zelf weggooien, 5 Niet zonder te vragen de kamer in komen. 6 Lief zijn voor elkaar!’

Implacement Projecten BV ontwikkelt en verzorgt in opdracht van de Dienst Werk en Inkomen (dwi) van de gemeente Amsterdam de cursus Taal Oriëntatieprogramma Vluchtelingen. Het is een pilotproject waarvoor minister Asscher Amsterdam en een paar kleinere gemeenten heeft uitgekozen. Nadat vluchtelingen hun status hebben gekregen, worden ze toegewezen aan een gemeente. Die biedt hen een woning aan en verstrekt de uitkering. ‘Dan worden ze direct bij ons aangemeld’, zegt Johnny van Bochove, business manager bij Implacement. De dwi bepaalt hoe de cursus, die verplicht is voor Amsterdamse vluchtelingen, eruitziet. ‘Amsterdam loopt hierin voorop’, vervolgt Van Bochove. ‘Het doel is participeren en aan het werk komen. De gemeente heeft gekozen voor een snelle oriëntatie op de stad en op de taal. Hoe we dat het best kunnen doen, is pionieren.’

Medium groep 14irene1

Donderdagochtend 9.30 uur: Nederlandse les.
Margriet van der Valk, docente Nederlands, schrijft ‘wie ben ik’ op het bord. De nieuwkomers moeten tijdens deze eerste les leren hun naam, adres, postcode en burgerlijke staat goed op te schrijven. Bhutuk (29) uit Tibet vult het formulier zorgvuldig in. Bhutuk komt uit de hooglanden en leidde als kind een nomadisch bestaan met zijn familie. Hij was politiek actief voor een onafhankelijk Tibet. De politie was hem op het spoor. Als hij zou blijven, zou hij worden opgepakt. ‘Tien jaar cel of misschien geëxecuteerd’, zegt hij.

Zijn oom hielp hem over de bergen naar Nepal. Hij wist waar de soldaten stonden. Na een paar maanden in Nepal kon hij op een vliegtuig stappen en belandde hij in Nederland. Direct contact met zijn familie kan hij niet hebben. Ze bellen niet, hij heeft zelfs geen foto’s van hen in zijn mobiele telefoon. Te gevaarlijk.

‘Waar woon jij…?’ vraagt Margriet – de cursisten noemen de docenten bij hun voornaam – langzaam en elk woord duidelijk articulerend.

‘Reigersbos’, probeert Bhutuk maar struikelt over de ‘g’.

‘Wat is je naam?’

Maandagochtend 9.30 uur: ‘Het park’.
‘Wat is dit?’ Roger Teeling, docent ‘buitenactiviteiten’ staat stil bij de ingang van het Sloterpark. ‘Een park’, antwoordt hij zelf als het een tijdje stil blijft.

‘Wat doen Nederlanders in een park?’

‘Een park is voor kinderen’, zegt Mustafa uit Afghanistan.

‘In Nederland is een park ook voor volwassenen, ze wandelen erin of rennen. Dit is rennen.’ Hij rent een paar passen. ‘Dit is wandelen.’ Hij wandelt. ‘Dit is stilstaan.’ De vluchtelingen zwijgen. Ze lopen verder het park in. ‘Boom, stam, tak, bladeren’, wijst Roger.

Aho (26) – Simon voor vrienden – kijkt omhoog. Mompelt de woorden na. Hij is Syrisch-orthodox christen en aanhanger van president Assad. Hij woonde in het noorden van het land aan de grens met Turkije. Op een dag zei zijn vader dat ze moesten gaan. Hij vluchtte samen met familie en dorpsgenoten via Libanon en Egypte over de Middellandse Zee. De smokkelaars hadden beloofd dat er voor de tienduizend euro die ze per persoon betaalden een boot zou zijn, met een zwembad, goed eten, een bed. Ze kregen tien dagen lang brood met wat rijst, moesten midden op ruige zee van bootje naar bootje klauteren. Eenmaal aan land is hij direct met een auto naar Nederland gebracht.

Bij de kinderboerderij – maandagochtend gesloten – wijst Roger naar de geiten achter het hek. ‘In Amsterdam lopen geen koeien, schapen en geiten op straat’, legt hij uit. ‘Bij ons zitten die in de dierentuin of in een kinderboerderij.’ Mohammed (27) zucht. Hij komt ook uit Syrië maar dan uit Damascus en is aanhanger van het Vrije Syrische Leger. Hij heeft zijn lange haar in een knot op zijn hoofd gewikkeld, eroverheen een wollen muts, hij draagt een geruite broek die op een pyjama lijkt en een veel te dunne hoody. Hij is filmmaker, althans dat wil hij worden. Nu is hij acteur en maakt hij vlogs op YouTube. ‘In Syrië vechten we tegen IS en hier leren we dat er geen koeien door de straten van Amsterdam lopen.’

Als we bij een lange kabelbaan aankomen, springt Adama (32) er ondanks zijn spierwitte katoenen broek die strak om zijn dunne benen spant en zijn glimmende groene jasje, enthousiast op. ‘Dit hebben we niet in Senegal’, roept hij. Bijna valt hij in de modder bij het eindpunt. Adama is gay. Daarom is hij naar Nederland gevlucht. ‘Senegal is homofoob’, zegt hij. ‘Je kunt naar de gevangenis, ze slaan je in elkaar op straat.’ Hij is ‘gay geboren’. Pas toen hij zeventien, achttien jaar was accepteerde hij dat. Hij groeide op in een groot gezin met vier broers en drie zusters. Hij stopte voortijdig met de middelbare school in Dakar om zijn vader te helpen in hun winkel met traditionele maskers, houten beeldjes, kettingen en andere souvenirs. Tien jaar leefde hij een geheim leven, alleen zijn moeder wist ervan. ‘Moeders houden altijd van hun zonen.’

‘Maak wat plezier’, zegt Adama tegen Mohammed, met wie hij gedurende de cursus goede vrienden wordt. ‘En koop een warme jas. Dit is Nederland.’ Hij leent hem zijn winterjas en schudt de modder van zijn nieuwe groene All Stars-gympen. Plezier maken deed Adama ook toen hij in Noorwegen zat en voor het eerst de sneeuw zag. ‘Zo hoog, zoveel sneeuw.’ Hij ging erin zwemmen. Na een jaar werd hij teruggestuurd naar Nederland omdat hij hier het eerst was aangekomen. Het duurde vier jaar voordat hij asiel kreeg. ‘Ik heb gewacht en geslapen. Nu begint het leven.’

Medium groep 14irene6
‘In Syrië vechten we tegen IS en hier leren we dat er geen koeien door de straten van Amsterdam lopen’

Donderdagmiddag 13.00 uur: ‘POPPAP’.
‘De toekomst begint nu’, staat voor op de vragenlijsten van het Persoonlijk OntwikkelingsPlan (pop), een eis van de dwi om de ontwikkeling van de cursisten te volgen. ‘Ik ben naar een stadsdeelkantoor geweest’, ‘ik ben wel eens naar een ziekenhuis geweest’, ‘welke supermarkt doe ik boodschappen’, ‘welke woningbouwvereniging huur ik mijn huis’…

‘Ik geb…’, begint Benoit, een brede man uit Senegal, zijn zin. Benoit (38) komt uit het zuiden, uit de regio Casamance, waar al sinds 1982 een onafhankelijkheidsbeweging – de beweging van Democratische Krachten van Casamance – vecht tegen de regering in Dakar voor afscheiding. Hij had een goede baan als farmaceutisch vertegenwoordiger maar vluchtte om rekrutering te voorkomen.

‘Ik heb’, verbetert docente Barbara Sylvester hem. ‘Dat zeg ik toch’, zegt hij. Als zijn landgenoot Adama hem probeert te helpen, raakt hij nog geïrriteerder. ‘J’ai dit ça: ik geb.’

Mohammed, de Syrische filmmaker, pakt in de pauze zijn gitaar, Adama zingt mee: ‘Look at you…’

Donderdagochtend, 9.30 uur: Nederlandse les.
‘Is Zwarte Piet een belediging voor zwarte mensen?’ vraagt Margriet. De les is gewijd aan sinterklaas. ‘Er is nu een discussie daarover in Nederland. Maar zo is het niet bedoeld. Het hoort bij ons verhaal, we denken niet aan slaven, maar aan hulpjes. Sinterklaasavond vinden we allemaal heel erg leuk.’ Ze strooit pepernoten en laat de nieuwkomers marsepein proeven.

Maandagochtend 9.30 uur: ‘Fotospel’.
‘Wij Nederlanders houden van de Hema’, legt Roger uit en loopt met de groep de Hema op de Nieuwendijk binnen. In het restaurant krijgt iedereen een ontbijt – croissant, jam, baguette met omelet, koffie of thee – voor één euro. Delelu (29), klein met een bol gezicht en haar donkere haren opgestoken, pakt een foto van haar kinderen: ze heeft er vier tussen de zes en dertien jaar oud. Ze zijn nu nog bij haar zus in Ethiopië. Delelu komt van het platteland, ze heeft een getatoeëerde ketting rondom haar nek die bestaat uit kleine kruisbeelden, is analfabeet, spreekt haar eigen taal en een handjevol Arabisch, geen Engels, geen Nederlands. Delelu vluchtte – ‘om politieke redenen, man’ – via Soedan en Libië naar Europa en deed twee jaar over de reis. ‘Ze mogen nu snel komen’, vervolgt Delelu terwijl ze met de groep via de Kalverstraat naar de Dam loopt. Bij de Dam, bij een grote klomp voor een toeristenwinkel, bij een kaaswinkel, bij een coffeeshop – ‘Dat mag allemaal in Nederland’, zegt Roger, ‘je mag het zelf weten’ – moeten de cursisten een foto maken. ‘Nog zeventien dagen’, zegt Delelu. ‘Dan zie ik mijn kinderen.’

Medium groep 14irene5

Donderdagmiddag 13.00 uur: ‘Leef en Leer’.
Mustafa uit Afghanistan is uit de cursus verdwenen, net als Aho uit Syrië en nog een paar anderen. Sommigen zijn ziek, kampen met depressie of zijn zwanger. Anderen hebben al werk en dat gaat bij de dwi voor. Mohammed uit Damascus stapt na de ochtendles op zijn brommer naar huis.

Binnen deelt Barbara Sylvester een A4’tje uit. ‘Wat zijn dit?’ vraagt ze en wijst naar een foto van klompen.

Paul uit Oeganda komt binnenlopen.

Barbara: ‘Hoe laat is het?’

Paul: ‘Kwart over één.’

Barbara: ‘Je bent te laat.’

Khaled uit Egypte komt binnen. ‘Ik zat op wc.’

Benoit komt binnen.

‘Hoe laat is het? Er zijn regels in Nederland.’ Barbara zucht en gaat verder. ‘Melk, kaas, vlees… op de boerderij. Wat is een boerderij?’

Delelu komt binnen…

‘Het is geen Afrikaanse tijd hier’, roept Barbara nu getergd. ‘Ik kom uit Suriname, als je daar om één uur afspreekt, kom je om vier uur. Hier niet. Iedereen is hier heel punctueel. Eén uur is één uur.’

Barbara wijst op een huwelijksfoto van Willem-Alexander en Máxima. ‘Wie zijn dit?’

‘Máxima!’ roepen Khaled en Benoit in koor.

‘En wie is die man?’

‘De president…?’

‘Dat is jullie koning! Hoe heet hij?’

Iedereen is stil, ze hebben geen idee.

‘Wat zien we hier?’

‘Een bruiloft’, zegt Khaled.

‘Een homohuwelijk’, antwoordt Barbara. ‘Man met man, vrouw met vrouw. Prima, alles is prima in Nederland. Alles mag, geen probleem. Je hoeft het niet te accepteren, maar wel respecteren.’

‘Maak wat plezier’, zegt Adama tegen Mohammed. ‘En koop een warme jas. Dit is Nederland’

Khaled knikt. ‘Dat is Nederland. Goed.’

‘Het is niet goed.’ Delelu schudt haar hoofd. ‘Man en man en vrouw en vrouw kunnen geen kinderen krijgen.’

‘Liefde is liefde’, zegt Barbara. ‘Twee mannen kunnen jou vragen voor hen moeder te worden.’

Delelu kijkt haar verward aan: ‘Wat?’

‘Haring’, gaat Barbara verder, ‘pannenkoeken, boerenkool, rookworst, kaas, pepernoten, oliebollen, broodje hagelslag…’ ‘Broodje Ter Apel’, grinnikt Afshin. In het azc in Ter Apel kregen ze altijd hagelslag. Een broodje Ter Apel noemden ze dat. De Iraanse Afshin is ontwerper. Hij heeft al regelmatig werk. Hij wil hierna de intensieve inburgeringscursus op de Vrije Universiteit volgen, ze leren er vijftig nieuwe woorden per dag.

Ook anderen uit de klas moeten zelf een particuliere organisatie uitzoeken waar ze hun inburgeringscursus gaan volgen. Ze moeten het zelf betalen – dat is 350 euro voor het verplichte examen, daarbovenop komt de cursus, de kosten daarvan variëren van een paar duizend tot tienduizend euro. Ze mogen daarvoor bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (duo) van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een lening aanvragen. De mensen van Implacement mogen van de dwi niet sturen in de keuze omdat ze onafhankelijk moeten blijven. Dat doen ze ook niet, maar soms worstelen ze daarmee. ‘Wij weten vaak beter welke opleiding goed is voor iemand’, verklaren ze allemaal, inclusief business manager Van Bochove. ‘Sommige zijn te moeilijk, of juist te makkelijk. Wij kennen deze mensen.’

Als ze bij Implacement binnenkomen spreekt dertig procent van de mensen een paar woorden Nederlands, de rest helemaal niets, aldus Johnny van Bochove. De cursisten woonden kort geleden nog in een asielzoekerscentrum. Nu hebben ze een eigen huis en moeten ze hun leven zelf inrichten. Het niveauverschil in elke groep is groot. Mensen uit Syrië zijn vaak hoogopgeleid, evenals Iraniërs. Daarnaast zijn er op het moment veel mensen uit Tibet, Eritrea en Afghanistan. Implacement heeft sinds vorig jaar zo’n driehonderd mensen gehad. Binnenkort start Groep 20. ‘We doen meer dan ons gevraagd wordt. Daar ontkom je niet aan, wij zien hier de problemen van de mensen. Dan stuur je ze niet weg.’

‘Nederlandse mensen gaan om zes uur eten’, vervolgt Barbara haar les. ‘De Nederlandse cultuur is: pappa, mamma en twee kinderen. Vier personen. En de moeder kookt ook precies voor vier personen. Als jij aanbelt bij mensen thuis, zeggen ze: “O, we gaan wel zo eten, hoor.” En dan moet je weg. Als je wilt mee-eten, moet je even bellen. “Kom je eten, gezellig, dan maken we voor vijf.” Bij ons, in Suriname, koken we voor wel tien personen, iedereen kan altijd aanschuiven. In Nederland niet.’

Khaled knikt. ‘Nederland is een christelijk land’, vervolgt Barbara. ‘Alleen op de christelijke feestdagen hebben mensen vrij. Voor moslimfeestdagen moet je zelf vrij nemen.’

Medium groep 14irene3

Donderdagmiddag 13.00 uur: ‘Leef en Leer’.
‘Oké, wat doen Nederlanders?’ zegt docent ‘Leef en Leer’ Christiaan Käller. ‘Wij vinden het leuk om bij mensen naar binnen te gluren, wij zijn nieuwsgierig. Dat weten jullie al, altijd vragen, veel vragen. En we houden altijd de gordijnen open, dus kun je zo bij mensen naar binnen kijken.’ En op verjaardagen feliciteren wij iedereen, alle aanwezigen. Christiaan laat het de mensen voordoen. ‘Khaled, jij komt op visite, wat zeg je dan?’ Khaled staat op en steekt zijn hand uit. ‘Gefeliciteerd, gefeliciteerd’, en gaat zo de hele groep langs.

Khaled (49) is een serieuze man. Hij wist vroeger niet eens dat Nederland bestond. Totdat zijn zus met een Nederlandse man trouwde. Hij kwam hier in 2010, al voor de revolutie in Egypte, om zijn zus, die gescheiden was en ernstig ziek werd, te helpen met haar twee kinderen. Hij had problemen met het Egyptische leger. De assistent van de minister van Defensie wilde zijn flat hebben, zonder te betalen, bedreigde hem, zette zijn buren tegen hem op, hij zou als christen tegen moslims zijn en zo nog meer. ‘Ik had geluk, als ik tijdens de revolutie in Egypte was geweest, oh God, yes, dan hadden ze me binnen een seconde vermoord. Honderd procent zeker. Iedereen gebruikte de revolutie om mensen uit de weg te ruimen.’

Hij had liever naar Canada of Engeland gewild. ‘Nu adoreer ik Nederland. Om de vrijheid, de veiligheid.’

‘Waar koop je een televisie?’ gaat Christiaan verder.

‘Kringloopwinkel.’

‘Marktplaats.’

‘Waar koop je broccoli?’

‘Broccoli, wat is dat?’

‘Hoe maak je dat?’ vraagt Paul (35) uit Oeganda zacht. Paul praat altijd zacht. Als hij praat, want meestal is hij stil. Hij komt uit de hoofdstad Mapala. Hij is, vertelt hij later in de pauze, bijna dood geweest. Hij werd aangevallen door de ‘inhabitants’. Hij kan er niet over praten. ‘Als ik eraan denk, houdt mijn lichaam ermee op. Het zit in mijn hoofd. Oh man.’ Hij schudt zijn hoofd heen en weer. ‘Ik weet niet wat ik moet doen.’ In Noord-Oeganda is het Verzetsleger van de Heer actief, maar ook is vorig jaar een antihomowet ingevoerd, sindsdien zijn homoseksuelen vogelvrij. Staatssecretaris Fred Teeven van Justitie heeft om die reden afgelopen jaar het asielbeleid voor homoseksuelen uit Oeganda versoepeld. Paul kan niet vertellen waarom hij hier is. ‘Ik ben gezond, lichamelijk, maar soms ben ik helemaal weg.’

‘Waar koop je sokken?’ vervolgt Christiaan.

‘Action.’

‘Primarkt.’

‘Waar haal je een paspoort?’

‘De gemeente.’

‘Ga maar vast sparen’, waarschuwt hij. ‘Het kost bijna negenhonderd euro.’ Een enkelvoudig naturalisatieverzoek om de Nederlandse nationaliteit te krijgen kost 829 euro, pas daarna kan een paspoort van 67 euro worden aangevraagd. ‘Als je vijf jaar hier bent mag je dat kopen.’

Delelu laat een brief van de ind zien waarin staat dat haar kinderen een verblijfsvergunning hebben. Ze waren al in Addis Abeba om naar Nederland te vliegen. Maar ze mogen niet. Ze moet naar de Ethiopische ambassade in Den Haag om een paspoort voor de kinderen aan te vragen, maar als erkend vluchteling kan ze daar niet heen. Ze gaat praten met Vluchtelingenwerk om haar te helpen. Ze drukt haar hand op haar hart. ‘Lukt niet.’

Maandagochtend 9.30 uur: ‘De markt’.
Roger neemt zes mensen mee in de regen naar de Ten Katemarkt. ‘Het is koud’, zegt Mohammed uit Damascus, die een legerachtige bruingroen gevlekte winterjas heeft gekocht. Hij loopt naast Khaled met zijn handen in zijn zakken over de markt. Slechts een paar kraampjes hebben hun waar uitgestald. ‘Het gaat slecht in Damascus’, vervolgt hij.

‘Als jij aanbelt bij mensen thuis, zeggen ze: “O, we gaan wel zo eten, hoor.” En dan moet je weg’

‘Bij ons gaat het ook slecht’, reageert Khaled. ‘In Caïro is een vrouw gedood, en op een lagere school vijftien mensen, onder wie twee kinderen. Why?’

‘Zo zijn Arabieren’, antwoordt Mohammed. ‘Die schieten gewoon.’ Mohammed zong als kind de azan in de moskee. Hij had een mooie stem. Maar hij houdt ook van het beieren van de kerkklokken. Bij hen was alles door elkaar. Hij woonde drie kilometer buiten het centrum van Damascus. Zijn vader, de oudste van de familie, had toen de oorlog dichterbij kwam tegen hem, zijn broer en elf neven gezegd dat ze moesten kiezen: vechten of vluchten. Zijn neven hebben zich alle elf aangesloten bij het Vrije Syrische Leger, hij en zijn broer zijn gevlucht naar Istanbul. Zijn ouders volgden later. ‘Ik wil niemand doden en niemand een opdracht geven om te doden. Zelfs Assad zou ik niet kunnen doden. Er zijn daar slechte krachten aan de gang. Ik weet niet waar ze allemaal vandaan komen.’

‘Wat is het verschil tussen een markt en een winkel?’ vraagt Roger. Mohammed wil naar huis. Khaled haalt hem over te blijven. Khaled is de afgelopen twee maanden uitgegroeid tot de hoeder van de klas. Hij had er helemaal geen zin in toen hij hoorde dat hij naar deze cursus moest, nu vindt hij het geweldig. Hij woont in Amsterdam-Noord, ver weg, maar hij vindt de mensen leuk. ‘Dat heb ik niet vaak’, glimlacht hij. ‘Ik heb vrienden gemaakt en ik leer veel over Nederland, dat is belangrijk.’

Mohammed heeft twee jaar in Caïro gewoond toen hij daar de filmschool volgde. Dat was in de tijd dat Morsi president was. Toen Morsi, die het Vrije Syrische Leger steunde, werd verdreven, moest ook Mohammed weg. President Al-Sisi is juist tegen hen.

Donderdagmiddag 13.00 uur: ‘Leef en Leer’.
Vandaag komt iemand van ProDemos lesgeven over democratie, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken. ‘Waarden zijn belangrijk in Nederland’, benadrukt de docent. Hij deelt stickers uit met daarop ‘kernwaarden’ als privacy, anderen helpen, rechtvaardigheid, samen delen, tradities, eer, familie, geloof… Iedereen in de klas moet de stickers uitkiezen met de waarden die hij of zij belangrijk vindt. ‘Vrijheid en respect’, zegt Mohammed resoluut. ‘Dan heb je alles, meer hoef je niet te zeggen.’ Daniel kiest voor familie, geloof en traditie. ‘Wat is privacy?’ vraagt de Eritreeër.

Bhutuk zet vrijheid bovenaan. ‘Dat is het allerbelangrijkste.’

‘Uw collega is homoseksueel en wil trouwen met zijn vriend. Mag dat?’ vervolgt de docent – ook bij ProDemos is dit een speerpunt. ‘Voor ons mag dat niet, wij vinden dat niet goed, maar het mag wel in Nederland’, zegt Daniel, ondertussen goed getraind.

‘Goed’, knikt Adama.

In Senegal is homoseksualiteit bij wet verboden. Adama leidde een geheim leven. Totdat hij naar een feest van een vriend ging ter ere van een ‘ huwelijk’ van twee mannen. Er werden foto’s gemaakt en die verschenen plotseling in een tijdschrift. ‘Na die publicatie werden sommige vrienden opgepakt, sommigen lukte het om op tijd het land uit te vluchten.’ Adama zei zijn vader nooit gedag. Nu probeert hij hier gelukkig te zijn. Hij gaat elke dag naar the gym. Zes vrienden van hetzelfde feestje wonen ook in Osdorp, Rotterdam, Breda, Haarlem. ‘En ik bid vijf keer per dag. Als ik thuis ben.’ Naar een moskee gaat hij niet. ‘Mijn geloof is van mij. Wat je ook bent, wit, zwart, joods, christen, moslim. Het maakt niet uit. Er is een God, laat iedereen zijn eigen ding doen.’ Zijn droom is om een eigen restaurant te beginnen, als manager. ‘Hier is mijn leven veilig. In juli ben ik vijf jaar hier. Als mijn inburgering klaar is, mag ik een Nederlands paspoort aanvragen.’

Hij laat foto’s zien van zijn nieuwe huis in Amsterdam, de muur heeft hij groen gemaakt, de bruine bank zelf gekocht. ‘Ik weet hoe ik met weinig geld toch goed voor mezelf kan zorgen.’ Op de volgende foto staat een kast vol schoenen. ‘Eenentwintig paar’, zegt Adama.

‘Ah man, je bent een vrouw’, zegt Mohammed, die net is binnengesloft.

Adama: ‘Ja, dat ben ik ook.’

Mohammed: ‘Ben je gay?’

Adama: ‘Ja.’

Mohammed lacht luid. Hij omhelst hem.

‘Kom een keer eten’, vervolgt Adama. Zijn favoriete eten is riz au poison, traditioneel Senegalees. Hij zoekt het op en laat een foto zien op zijn mobiel. ‘Hier is het goed’, zegt Adama. ‘Ze helpen ons om dingen te begrijpen. Ze leren ons Nederlands, maar ook hoe je moet integreren, hoe je met respect moet praten. Hoe je je buiten moet gedragen in de samenleving, de regels. Ze zijn aardig. We lachen, praten, dat zijn goede dingen.’

‘Hierin staat dat jullie het eens zijn met hoe het in Nederland is geregeld’, zegt de docent en hij pakt de participatieverklaring van Asscher. Iedereen tekent. ‘Bewaar het thuis. Het is het bewijs dat jullie participeren.’

Medium groep 14irene2

Donderdagmiddag 13.00 uur: ‘Leef en Leer’.
‘Wat willen jullie hier voor werk gaan doen?’ vraagt Christiaan.

‘Accountancy’, zegt Khaled. Hij was financieel manager in Caïro op de internationale school, daarvoor zat hij ook in de accountancy, werkte bij PricewaterhouseCoopers. Hij is hij een van de beste van de klas en heeft maar één les gemist, vorige week toen hij naar de kaakchirurg moest. ‘Ik houd ervan om te leren. Ik studeer veel.’ Hij voelt zich minder alleen. ‘Het is een eenzaam proces om hier opnieuw te beginnen. Maar de mensen zijn aardig. Ik ga heel hard werken. Het zal moeilijk worden, dat weet ik. Ik ben bijna vijftig en moet een nieuwe start maken.’

‘Vrachtwagenchauffeur’, zegt Paul. ‘Of misschien werken in een hotel…’ Serieus zitten ze in de klas. Paul, die worstelt met traumatische herinneringen; Delelu, die hoopt dat haar kinderen zullen komen; Khaled, die hard werkt aan zijn toekomst; Benoit, die elk moment weer boos kan worden; Mohammed, die denkt aan Damascus. Hij voelt zich slecht, slaapt niet meer. Sinds twee dagen valt het Vrije Syrische Leger het centrum van Damascus aan. ‘Mijn Damascus. Waarom nu? Laat mensen leven.’

Hij herinnert zich dat vrienden uit Aleppo hem vertelden over de vernietiging van hun stad. ‘Nu weet ik pas hoe het voelt als je stad wordt aangevallen.’

Woensdagochtend 18 februari 10.30 uur:
certificaatuitreiking van Groep 14.
‘Ik ben heel blij met jou’, zegt Christiaan tegen Daniel. Iedereen krijgt een individueel gesprek met de contactpersoon van Implacement. De rapporten gaan naar de dwi. ‘Ik ook blij’, antwoordt Daniel opgetogen.

‘Je bent stil, maar actief’, vervolgt Christiaan. ‘Je maakt opdrachten, helpt anderen, tolkt. Mijn advies voor je toekomst: inburgeren, de taal leren. Heel belangrijk. Blijf gemotiveerd. En gaan werken in de bouw. Dat heb je ook in Soedan gedaan. Toen je moest vluchten uit Eritrea. En dan vrouw hier naartoe laten komen. Dan moet je werken, geld verdienen.’

‘Ik mis haar’, knikt Daniel. ‘Vijf jaar al. Ik wacht op haar.’

‘Je bent echt vooruit gegaan. Drie maanden geleden konden we niet praten. Nu hebben we een goed gesprek.’

Delelu bekijkt tijdens het wachten een filmpje op YouTube van een dienst van de orthodoxe kerk in Addis Abeba en wijst op de getatoeëerde ketting van kleine kruizen in haar nek. Benoit bekijkt sites met tweedehands auto’s. Bhutuk wacht geduldig op zijn beurt. Paul is stil. Mohammed komt te laat en Khaled loopt zenuwachtig heen en weer.

‘Je Nederlands was al het beste van de klas.’ Barbara heeft in een apart kamertje met Adama het evaluatiegesprek. ‘Ik ben heel tevreden. Je bent veel geweest, hebt hard gewerkt.’ Ze adviseert hem een taalcoach te nemen, snel in te burgeren. ‘En ga iets doen met je verdriet’, raadt ze aan. ‘Verstop het niet in je hart.’ Adama knikt bedachtzaam. ‘Deze groep is anders dan andere groepen’, zegt Barbara als Adama de deur uit is. ‘Meer los zand en met een lage opkomst. Maar de mensen die wél kwamen, waren heel gemotiveerd.’ Daar gaat het haar om, dat ze iets kan meegeven. ‘Het zijn de eerste stappen in Nederland, wij kunnen hier een basis leggen waar ze veel aan hebben. Dit is hun nieuwe familie, verder hebben ze vaak helemaal niemand. Wij verbinden mensen, dat is dankbaar werk.’

‘De participatiecursus is stap één van vijf die de dwi voor ze in petto heeft’, zegt Implacement-manager Johnny van Bochove. Nu gaan ze naar stap twee: inburgering. De bedoeling is dat ze na drie jaar op eigen benen staan en aan het werk gaan. Implacement is nu samen met de dwi aan het kijken of ze deze cursus kunnen uitbreiden naar andere gemeenten. ‘We zijn de enige organisatie die met deze groep zo aan het werk is’, zegt Van Bochove. ‘We zouden wel meer willen doen, bijvoorbeeld deze mensen toeleiden naar werk. We zijn erin gespecialiseerd mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te helpen. Nu zijn we ze kwijt, ze gaan elders inburgeren en wat dan?’

Bij de broodjeslunch roept Van Bochhove de deelnemers één voor één naar voren om hun certificaat te tekenen. Het is een bewijs dat ze hebben deelgenomen aan de cursus. Meer niet. Adama is er blij mee. ‘Het is belangrijk voor me, het is mijn eerste Nederlandse certificaat. Maar ook het eerste in mijn leven. Ik ga het inlijsten en aan de muur in mijn huis hangen.’ Bij het afscheid omhelzen de deelnemers elkaar en de docenten. ‘Ik zal iedereen erg missen’, zegt Khaled die stil aan de kant staat. Dan loopt hij weg, samen met de anderen.


Beeld: (1) Bhutuk, Paul en Daniel leren over de Nederlandse cultuur. ‘Iedereen is hier heel punctueel. Eén uur is één uur’. (2) Paul noteert alles wat hij hoort over Amsterdam tijdens een buitenles. (3) Groep 14 tijdens een les Nederlands van docent Margriet. Van links naar rechts achterste rij: Delelu, Khaled, Mohammed; voorste rij: Benoit en Paul. (4) Margriet legt Mohammed de Nederlandse grondwet uit aan de hand van kleurplaten. (5) Benoit poseert tijdens het ‘fotospel’ met een Hema-worst. (6) Delelu ontvangt haar certificaat voor het voltooien van de participatiecursus.