Nobelprijs: Huisbewaarder van een wildebeestenhok

Harold Pinter

Was de toekenning van de Nobelprijs voor de literatuur aan Harold Pinter een cadeautje voor zijn 75ste verjaardag? Of toch een «knietje» voor de (in Pinters ogen) «massa moordenaars» Bush en Blair?

Wie zou het hoofdredactio nele commentaar op de toekenning van de Nobelprijs voor literatuur, afgelopen vrijdag in de Volkskrant, hebben geschreven? Ik gok op Michaël Zeeman. Hij komt weliswaar niet voor op het reguliere lijstje van commentatoren bij die krant, maar het is wel zijn stijl, dat taalgebruik waarin Burgemeester Dickerdack en Markies de Cantecleir (uit de verhalen van Marten Toonder) met elkaar op de vuist gaan. Zeeman wedde op de gedoodverfde winnaars Amos Oz (Israël) of Orhan Pamuk (Turkije). Het werd de Engelse toneelschrijver en dichter Harold Pinter. Een citaat uit het deftige commentaar in mijn ochtendblad, vrijdag 14 oktober 2005: «De toneelschrijfkunst is weliswaar een klassiek en be langrijk deelterrein van de literaire kunst, maar staat daar inmiddels ook terzijde van. De grote literaire gebeurtenissen voltrekken zich niet in het theater en de grote oeuvres van onze tijd zijn geen toneeloeuvres. Dat is ooit anders geweest, maar de artistieke en intellectuele dominantie van de roman en de poëzie is in onze tijd onmiskenbaar. (…) Na de alom aan gevochten keuze voor de boze Oostenrijkse schrijver Elfriede Jelinek (2004), wier oeuvre ten dele eveneens uit toneelwerk bestaat, zij het van aanzienlijk minder gewicht dan dat van Pinter, draagt de Zweedse Academie opnieuw een aanvechtbare kandidaat voor. Daarmee erodeert het gezag dat de Nobelprijs voor de literatuur in een eeuw heeft opgebouwd. Dat is jammer.» Je hóórt de reus achtige literatuurpasja Zeeman vanuit zijn Romeinse residentie kreunen en steunen: niet wéér dat ellendige tónéél!

Laten we de toekenning vanuit een ander perspectief bekijken. Toneel is in de eeuw van de Nobelprijs (vanaf 1901) een ronduit achterlijke kunstvorm gebleken. Modernismen, een ándere manier om een verhaal te vertellen, gewaagde beeldtaal, een dwarse toonzetting of een brutale stilering – in de roman, de muziek, de poëzie en de beeldende kunst waren die avonturen vanaf het moment dat Alfred Nobel de mensheid zijn ruime legaten schonk al lang aan de hand. In het toneel liepen de vernieuwingen steeds vér achter de troepen van de andere kunstvormen aan. En wat wíl je ook. Toneel is mensenwerk. Toneelschrijven is schrijven voor ploeterende individuen in een kaal licht en een bordkartonnen werkelijkheid, vertoond in achterhaalde zalen met zichtlijnen uit (op z’n vroegst) de laatste decennia van de negentiende eeuw.

Toneel – ik herhaal het nog maar even – is een achterlijke kunstvorm. Dat wordt weerspiegeld in de lijst van toneelschrijvende laureaten voor de Nobelprijs voor de literatuur. Leest u even mee (met tussen haakjes het jaar van de toekenning): Maurice Maeterlinck (1911), Gerhardt Hauptmann (1912), George Bernhard Shaw (1925), Luigi Pirandello (1934), Eugene O’Neill (1936), Samuel Beckett (1969), Dario Fo (1997), Elfriede Jelinek (2004), Harold Pinter (2005). Ik sla Camus (1957) en Sartre (1964) voor het gemak even over – zij kregen de prijs voor veel méér dan alleen hun toneel. Op 104 jaar Nobelprijs voor literatuur welgeteld zeven toneelschrijvers. De afgelopen 36 jaar een inhaalslag voor vier helden in dit genre. En vrijwel zonder enige uitzondering kregen deze toneelschrijvende laureaten hun Nobelprijs toen ze al lang over hun toneelschrijvende top heen waren. Met misschien als uitzondering Eugene O’Neill. Die moest in 1936 zijn meesterwerk Long Day’s Journey Into Night nog schrijven. Die tekst was trouwens een grote inspi ratiebron voor Who’s Afraid of Virginia Woolf? van Edward Albee (een nooit genomineerde auteur). Zou de Zweedse Academie ooit Eugène Ionesco hebben overwogen?

Terug naar Harold Pinter (1930). Hij kreeg de Nobelprijs twee dagen na zijn 75ste verjaardag. Dat is in ieder geval rijkelijk laat. Zijn laatste toneeltekst dateert van 2000 (Remembrance of Things Past). Zijn belangrijkste successen werden geboekt in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Zijn eerste avondvullende toneelstuk was van 1957, The Birthday Party. Dat liep één week op West End in Londen. Werd daarna van het repertoire gehaald. Het is nog steeds een intrigerende, rare toneeltekst. Centraal staat ene Stanley. Wij zouden hem nu een weirdo noemen, een mafkees. Hij logeert in een goedkoop pension. Er komen twee vreemdelingen met bolhoeden langs. Die geven Stanley een soort van hersenspoeling. Hij wordt vol le dig ga-ga afgevoerd. Wie die vreemdelingen zijn, wie Stanley is, waarnaar hij wordt weg gevoerd, geen idee. Hitchcock zonder slot, Psycho zonder de verlossende politiebureauscène aan het eind, dat was het. Iemand uit het publiek van The Birthday Party schreef Pinter een brief. Citaat: «Verklaar mij alstublieft drie dingen uit Uw stuk. (1) Wie zijn die twee indringers? (2) Waar komt Stanley vandaan? (3) Zijn die mensen allemaal normaal?» Pinter schreef terug. «Kunt U Uw brief nader verklaren? Ik begrijp de volgende dingen niet. (1) Wie bent U? (2) Waar komt U vandaan? (3) Gaat U in Uw omgeving voor normaal door?»

Dat lijkt een buitengewoon flauwe, arrogante pesterij van een schrijver richting een toeschouwer. Maar dat ís het niet. Pinter begreep eenvoudigweg de brief van die toeschouwer niet. Omdat zij probeerde iets te begrijpen wat niet te begrijpen valt. In het verslag van een mooie ontmoeting van de schrijver en de Nederlandse vertaler/dramaturg Janine Brogt (afgedrukt bij de tekstuitgave van Moonlight (1993, Maanlicht, Toneelgroep Amsterdam, 1994) signaleert Brogt dat Pinter dicht bij de voordeur van zijn schrijfhuis meters onaan geroerde «pinteriana», Pinter-verklaringen in boekvorm heeft uitgestald. Pinter: «Ik sluit me totaal af voor die boeken. Ze hebben niets met mij te maken. Vaak worden die boeken geschreven door mensen die niets van het werk in het theater afweten.»

Harold Pinter weet álles van het werk in het theater. Hij is acteur, speelt ook regelmatig in zijn eigen stukken, gaat volgend jaar het toneel op in Krapp’s Last Tape van Samuel Beckett, tijdens het vijftigjarig toneeljubileum van het Londense avant-gardetheater Royal Court, waaraan hij veel te danken heeft. Acteur Lou Landré, die vorig seizoen afscheid nam van het toneel in een briljante vertolking in Niemandsland (1974): «Je merkt aan alles dat Pinter acteurs begrijpt. Hij heeft me geleerd dat je van moment tot moment moet spelen. Pinter legt weinig uit, dus het eigen maken van een Pinter-rol gaat langzaam, zeer langzaam. Alsof je een ui schilt en doordringt tot die wonderlijke vrucht.» Dat uien schillen doet Pinter als-ie schrijft hardop. In de ontmoeting met Janine Brogt (1994) zegt hij: «Mijn acteursplezier in de taal speelt een rol bij het schrijven. Ik zég ook alles wat ik schrijf. Ik zit hier altijd geweldig te mompelen achter mijn bureau en als een stuk af is lees ik het eerst helemaal hardop voor, in mijn eentje. Daar verheug ik me dan zeer op.»

De eerste ervaring met een nieuwe, onbekende, belangrijke schrijver – dat is altijd een cruciale ontmoeting. Mijn eerste ervaring met Harold Pinter was in 1966, in de Haarlemse schouwburg. Toneelgroep Centrum speelde The Homecoming (1964), De thuiskomst. Regie en vertaling: Walter Kous. De voorstelling werd gespeeld door Guus Hermus, Ton van Duinhoven, John Koch, Ann Hasekamp, Piet Römer, Peter Oosthoek. Ik heb een geluidsopname van die productie. Als ik me beroepshalve met Pinter bezighoud, fiets of wandel ik wel eens door Amsterdam met die opname op mijn walkman. En herbeleef die onvergetelijke avond. Ik was achttien toen. Rillingen, niets dan rillingen, tijdloos toneel, verslag van een gevecht op leven en dood in een wildebeestenhok. Openingsscène. Max, een gepensioneerde slager (Guus Hermus, één van Pinters lievelingsacteurs op het Europese continent). Lenny, zijn oudste zoon, een pooier (Ton van Duinhoven).

Dialoog.

Lenny: Zeg pap … als we eens op een ander onderwerp overstapten. (Pauze) Wat ik vragen wou … Wat we daar net gegeten hebben, wat was dat nou? Hoe héétte dat nou? (Pauze) Waarom neem je geen hond! Dat eten van jou is typisch iets voor honden. Eerlijk, jij denkt geloof ik dat je voor een stelletje honden kookt.

Max: Als het je niet bevalt, ga je maar ergens anders heen.

Lenny: Maar ik gá ergens anders héén! Ik ga straks ergens heen waar je een behoorlijk stukje kan eten.

Max: Nou ga dan! Wie houdt je tegen? (Lenny kijkt hem aan)

Lenny: Wát zei je? …

Max: Ik zei … oplazeren dan …! Dat zei ik!

Lenny: Zeg pappie, ’s kijken wie er dan het eerst gaat, hè? Als je die toon tegen me aanslaat.

Max: O, ja, lel? (Max grijpt zijn stok)

Lenny: O! Pappie! Niet met de stok! Je gaat me toch niet met de stok geven! Nee toch, pappie, niet met de stok! Alsjeblieft. Ik heb het niet gedaan. Een van de andere jongens. Ik heb echt niks gedaan, echt niet. Niet rossen, paps, niet met de stok.

(Stilte. Max zit in elkaar gezakt. Lenny leest de krant)

We waren toen op pagina 12 van het script. We hadden nog 76 moorddadig mooi geschreven pagina’s te gaan. Er werd die avond in de Haarlemse schouwburg lang nagesproken met de regisseur. Iemand vroeg of een auteur als Harold Pinter, ondertussen beroemd geworden (The Homecoming was zijn dertiende stuk), zomaar alles mocht opschrijven, zo wreed, zo koud. Ik weet niet meer wat de regisseur antwoordde. Die vraag stemde me als achttien jarig joch zeer tot nadenken.

Een andere vraag werd in de afgelopen week opgeworpen. Of de Nobelprijs voor de literatuur voor Harold Pinter een tweede «knietje» of dolkstoot was van de Zweedse Academie, richting de heren Bush en Blair. Bedoeld werd: een tweede vernedering voor deze heren, na de toekenning (enkele dagen eerder) van de Nobelprijs voor de vrede aan Mohamed el-Baradei en het Internationaal Atoom Agentschap. Die steeds hebben ontkend dat Saddam Hoessein massavernietigingswapens in Irak had op geslagen. Die vervolgens ook niet te vinden waren. Pinter heeft Blair vaak een leugenaar genoemd, en Bush een massamoordenaar. Zouden die politieke uitspraken een rol hebben gespeeld in de toekenning? Geen idee eigenlijk. Een aanwijzing in die richting is in de karige jureringsrapportage van de Zweedse Academie ook niet terug te vinden. De literatuurlaureaat van vórig jaar, Elfriede Jelinek, juichte vorige week volgens mij net iets te luid: «Wieder ein Linke. I’m delighted.» Pinters snijdende, politieke teksten uit de afgelopen vijftien jaar (Party Time, De nieuwe wereldorde, Bergtaal) en die langzaam afgepelde ui Ashes to Ashes – de jury zal dat werk (hoop ik) ook zeker hebben gelezen. Die teksten handelen over ándere wildebeestenhokken dan in De thuiskomst en De huisbewaarder. De slagers in die toneelstukken heten in ieder geval niet Bush of Blair. Pinter is geen pamflettist.

Max en Lenny uit De thuiskomst keren wél in die stukken terug.

Ze heten alleen anders.

En ze zijn éven wreed.