Bij het 150-jarige bestaan

Harper’s Apocalyps

Deze maand 150 jaar geleden verscheen het eerste nummer van Harper’s New Monthly Magazine. Volgens hoofdredacteur Lewis H. Lapham zal Harper’s Amerika overleven: «Ik ben elke dag weer verbaasd dat het Amerikaanse Rijk nog niet ten onder is gegaan.»

NEW YORK - Door zo toonloos mogelijk voor te lezen, probeert Seymour Hersch zijn emoties in bedwang te houden. Maar het lukt niet. Bij de zoveelste slachting van alweer een groep vrouwen en kinderen in het Vietnamese dorp My Lai, maart 1968, begeeft zijn stem het. Hij snikt. «Dit overstijgt oorlog», brengt hij uit, «dit is hell business.» Er ontsnapt een vreemd lachje aan zijn mond. Dan leest hij verder. Steeds sneller. «Dit sla ik maar even over.» Maar bij de volgende groep ongewapende burgers die wordt neergemaaid, is de grens bereikt. Hij rent het podium af. Even is het stil in de met driehonderd diep bewogen luisteraars gevulde aula van de New School in Manhattans Twaalfde Straat. Dan begint een respectvol applaus voor de man die dertig jaar geleden met zijn minutieuze verslag in Harper’s Magazine de bijna twee jaar durende stilte verbrak rond een der grootste oorlogsmisdaden begaan door Amerikaanse GI’s in Indo-China. Met zijn reconstructie, gebaseerd op eerstehands getuigenverklaringen en uiteenlopende bronnen binnen het leger, droeg Seymour Hersch in belangrijke mate bij tot een omslag in de houding van de Amerikanen tegenover de oorlog in Vietnam. Zijn ereplaats in de rij van Harper’s-auteurs die op de gala-avond van het 150 jaar oude blad uit hun werk mogen voorlezen, is ruimschoots verdiend. Terwijl het applaus voor de weggevluchte Hersch eerder aanzwelt dan afneemt, beklimt de volgende voorlezer al het podium. Het is een kleine, grijsblonde man, gestoken in een perfect gesneden, roomkleurig kostuum, afgerond met een blauwe stropdas, blauw pochet met witte biesjes en zwart-witte lakschoenen. Met een volstrekt misplaatst «Thank you» dwingt hij het publiek tot stilte. «Sey en ik verschillen hemelsbreed van mening over de oorlog», zegt de man over de weggevluchte Hersch, «maar we zijn het wél eens over wat goede verslaggeving is.» Het publiek, amper ontwaakt uit de nachtmerrie over de meer dan vierhonderd lijken in de greppels en rijstvelden van My Lai, is verbijsterd. Maar is het ook verrast? Nee, want op het podium staat de doorgedesignde onbeschaamdheid zelve, luisterend naar de naam Tom Wolfe. «Goede verslaggeving, daarover gaat het stuk waaruit ik gevraagd ben voor te lezen », begint Tom Wolfe, terwijl hij een witte kermisbril te voorschijn haalt. «Het betreft een stuk waarover een criticus opmerkte dat het zelfs nog hooghartiger en zelfingenomener is dan alles wat Norman Mailer bij elkaar heeft geschreven.» Het gaat om het stuk «Stalking the Billion-Footed Beast», verschenen in Harper’s Magazine in november 1989 en net als Hersch’ My Lai-stuk opgenomen in An American Album, de indrukwekkende bloemlezing uit vijftien jaargangen Harper’s. In het betreffende stuk betoogt Wolfe dat zijn befaamde grotestadsroman Het vreugdevuur der ijdelheden het bewijs levert dat, in weerwil van wat postmoderne neuzelaars beweren, er nog altijd niets gaat boven zulke voortreffelijke realistische schrijvers als Gogol, Balzac, Zola, Sinclair Lewis en hemzelf. Het doet allemaal nogal potsierlijk aan: Tom Wolfe in een roomkleurig pak op een podium naast een tweeënhalve meter hoge reproductie van de jubileumcover van Harper’s met daarop… Tom Wolfe in een roomkleurig pak in een gespiegelde pose met de eveneens in een romig kostuum gestoken Mark Twain, de man die een fin de siècle eerder zijn beroemde pen aan Harper’s leende. Potsierlijk maar passend. IJdele portretten op het omslag van een blad dat al 150 jaar lang de ijdelheden der Amerikaanse politiek en zakenwereld aan de kaak stelt ter bevrediging van de enige ijdelheid die in de ogen van de achtereenvolgende hoofdredacteuren recht van bestaan heeft: die van de gepassioneerde lezer die zich er gaarne op laat voorstaan goed geïnformeerd te zijn, liefde voor de schone letteren te koesteren en hart te hebben voor de publieke zaak. Zo zag de eerste hoofdredacteur, Henri T. Raymond, het in 1850, en zo ziet de huidige hoofdredacteur, Lewis H. Lapham, het nu nog altijd. Weldenkende tegendraadsheid, dat is wat Harper’s Magazine, als je afgaat op de stukken in An American Album, vanaf het eerste nummer typeert. In den beginne werd het hoofdartikel, onder de titel «Editor’s Easy Chair», maandelijks geschreven door de voormalige communistische utopist George William Curtis, bijvoorbeeld over hoe pers en politici onvermoeibaar bezig zijn om in eendrachtige samenwerking het openbare ambt te schande te maken. Bijna anderhalve eeuw later, in 1994, spreekt Lewis H. Lapham er in het hoofdartikel, onder de meer eigentijdse titel «Editor’s Notebook», schande van dat pers en politici de mislukte president Richard Nixon, alleen maar omdat hij zo goed was dood te gaan, plotseling van een verstandelijk onderontwikkelde schurk meenden te moeten promoveren tot een staatsman van historische verdienste. Lewis Lapham blijkt, anders dan je op grond van zijn stukken en boeken zou verwachten, geen typische vertegenwoordiger van de door Tom Wolfe ooit zo vernietigend geportretteerde Radical Chic. Het is een uiterst elegante gentleman van 65, goed in het pak, een klassieke hoornen bril op het hoofd. Zijn kantoor is sober («Ga maar eens kijken bij mijn collega’s van The New Yorker of Vanity Fair, dan zie je wel wat anders»). Muren, bank en stoelen zijn afgeladen met boeken en manuscripten. Alleen zijn fraaie, ruwhouten bureau is zorgvuldig leeg gehouden, behoudens een paar vetlederen mappen met een zware koperen L erop. Gedurende een groot deel van het gesprek is hij bezig enkele zojuist aangeschafte, goudglimmende vulpennen van inktpatronen te voorzien. «Willie Morris, de hoofdredacteur van Harper’s aan het eind van de jaren zestig, die was nou echt van de Radical Chic», zegt Lapham met een stem die zo sonoor is dat die in staat lijkt de poten onder zijn bureau vandaan te trillen. «Ik hield niet van the sixties, daar was ik ook net iets te oud voor. Ik vond veel van het radicalisme uit die tijd dubieus, soit disant, oplichterij. Er heerste een houding van one can have it all: je kunt tegelijkertijd schrijver zijn, een bekende televisiepersoonlijkheid, een miljonair en een guerrillastrijder. Een guerrilla in een krijtstreeppak.» Lapham heeft weinig op met zijn voorganger Willie Morris, die echter voor een van de opwindendste perioden in de geschiedenis van Harper’s zorgde, met baanbrekend werk van Norman Mailer, David Halberstam en William Styron, en het wereldschokkende My Lai-stuk van Seymour Hersch. In zijn overzicht van 150 jaar Harper’s, afgedrukt zowel in An American Album als in het jubileumnummer van juni dit jaar, doet Lapham zijn best te bewijzen dat Morris in amper vier jaar tijd Harper’s op de rand van de afgrond had gebracht. Met dure fullcolour-covers, een overvloedig promotiebudget en auteurshonoraria die in de zes cijfers liepen, hield het uitgeefbeleid, schrijft Lapham, gelijke tred met «the go-go expectations of the Age of Aquarius». Harper’s was, voor het eerst in zijn bestaan, hot in New York, maar daar waar traditioneel de lezers zaten, ver ten westen van de Hudson, hielden de abonnees het massaal voor gezien. In 1971 was het geld op. Morris nam, gevolgd door een groot aantal redacteuren en medewerkers, woedend de benen om zich voortaan te wijden aan het schrijven van memoires, kinderboeken en boeken over zijn hond. Toen hij vorig jaar augustus overleed, heette hij nog steeds de «voormalige hoofdredacteur van Harper’s Magazine». In de paniek na de grote leegloop werd de freelance-journalist Lapham gevraagd managing editor te worden. «In Morris’ ogen was de uitgever een plutocratische geldwolf. Ik vond dat bullshit. Ik nam de job aan en bleef managing editor tot 1976. Toen werd ik hoofdredacteur.» Nadat het blad in 1981 opnieuw in een crisis belandde - Lapham werd zelfs ontslagen, om twee jaar later weer in genade te worden aangenomen - kwam Harper’s Magazine in 1983, mede dankzij het familiekapitaal van de nieuwe uitgever John R. MacArthur en een grondige restyling door Lapham zelf, weer in rustiger vaarwater terecht. Lapham introduceerde de beroemde en veel geïmiteerde Harper’s Index, een maandelijkse lijst van veertig verbazingwekkende getallen («Het aantal ondervoede mensen over de hele wereld in verhouding tot het aantal overvoede mensen: 1:1», «De kans dat een Amerikaanse visser tijdens het werk om het leven komt: 1 op 718 », «Dezelfde kans voor een Amerikaanse politieman: 1 op 4613»). En hij vond de rubriek Readings uit, waarin hij fragmenten opnam van binnengekomen maar onpublicabele manuscripten, stukken uit obscure lokale blaadjes, transcripties van radioprogramma’s die niemand gehoord heeft, briljante passages in redevoeringen tot het parlement, manifesten van exotische actiegroepen, en ander tekstmateriaal dat op het bureau van de hoofdredacteur belandt, nergens anders valt onder te brengen en toch de moeite van het afdrukken waard is. «Waarom zou ik de lezer vermoeien met wat voor mij al zo'n marteling is om allemaal te lezen », licht Lapham toe. «Daarvoor respecteer ik de lezer te zeer. Ik geef hem de sausage en bespaar hem de onverteerbare pastry.» Maar de hoeksteen van Harper’s was en bleef de literaire reportage. Vanaf het allereerste begin lag daar het zwaartepunt, al werd dat destijds, toen er nog geen auteursrechten bestonden, grotendeels ingevuld door stukken te jatten van Europese schrijvers als Charles Dickens, Hans Christian Andersen en William Makepeace Thackeray. De Amerikaanse republiek der letteren stelde op dat moment immers nog maar weinig voor. Je had Herman Melville, Nathaniel Hawthorne en Walt Whitman, die dan ook onmiddellijk werden aangetrokken. Er gingen decennia overheen voordat Harper’s kon gaan putten uit een eigen, nationaal reservoir aan auteurs. Daar kozen ze meteen maar de besten uit: Henry James, Mark Twain, Joseph Conrad, Emma Goldman, John Steinbeck, John Dos Passos, William Faulkner, Philip Roth, Sylvia Plath, James Baldwin, John Updike, Norman Mailer, Alice Walker, Tom Wolfe - allemaal Harper’s-medewerkers van wie bijdragen zijn opgenomen in An American Album. «De lezer van Harper’s wil twee dingen», legt Lapham uit. «Hij wil geïnformeerd worden, weten hoe dingen werken, hoe veranderingen tot stand komen. En hij wil leesgenot, hij wil gegrepen worden door een verrassende zinswending, meegesleept worden door een originele gedachte, hij wil een smaakvol geschreven stuk.» Vroeger, in de negentiende eeuw, waren dat vooral vertellende en uitleggende stukken, waaronder veel reisreportages. ‘Tegenwoordig’, zegt Lapham, «zijn het meer persoonlijke verhalen, verhalen met een subjectieve invalshoek. Ik geloof heilig in de eerste persoon, ik geloof dat een overtuigende schrijver een schrijver is die zegt: hier sta ik, dit zie ik, dit denk ik, dit weet ik… Ik heb een hekel aan mensen die ex kathedra spreken, die het over 'wij’ hebben: 'Wij, Amerikanen…!’ Als je dat leest, moet je oppassen.» Lapham zelf weet de kunst van het schrijven in de eerste persoon met smaak te beoefenen. Niet alleen in zijn maandelijkse «Notebook», ook in zijn boeken - hij schreef er sinds hij hoofdredacteur werd een stuk of zes - mengt hij autobiografische feiten op elegante wijze met cultuurfilosofische beschouwingen. Zo vernemen we uit zijn Money and Class in America (1988), een driehonderd pagina’s lange filippica tegen de Amerikaanse aanbidding van de Mammon, hoe hij zelf met een zilveren lepel in de mond werd geboren. Toen hij als kleuter aan de zijde van zijn grootvader, een van de oprichters van Texas Oil Company en burgemeester van San Francisco, op nationale feestdagen in een open auto door de stad reed, «leerde ik me inbeelden dat ik geboren was om in triomf over straat te gaan terwijl anderen, minder fortuinlijk en groter in getal, geboren waren om glimlachend aan de kant te staan en met hun hoeden te zwaaien.» De breuk met zijn achtergrond voltrok zich in de jaren vijftig, toen hij aan Yale University studeerde. «Yale is een van de oudste universiteiten in de Verenigde Staten. Een heel protestantse school, er heerste daar een intens soort serieusheid. Er werden vragen gesteld over God en geweten. Als jongeling was ik daar erg gevoelig voor. Ik was dan ook vreselijk teleurgesteld toen ik merkte dat mijn klas- en klassegenoten daar helemaal niet in waren geïnteresseerd. Zij wilden alleen maar zo snel mogelijk naar Wall Street, ze hadden niet het gevoel dat ze iets verschuldigd waren aan de wereld. Ik was een idealist. Ik verslond de oude Romeinse schrijvers. Die leerden mij dat als je de regering van de republiek overlaat aan slaven, de ondergang onvermijdelijk is. Ik vind het, juist als iemand uit de geprivilegieerde klasse, een plicht je sterk te maken voor de publieke zaak. Maar wat zie ik om me heen? Corporative executives die tien, twintig miljoen dollar per jaar verdienen. Sorry hoor! Allemaal luxe en ijdelheid! Ik weet genoeg van geschiedenis om te weten dat je daar vroeg of laat de tol voor betaalt. Ik ben elke dag weer verbaasd dat het Amerikaanse Rijk nog niet ten onder is gegaan.» Als er één constante is in de vijftien jaargangen van het maandblad, dan is het wel de telkenmale herhaalde laatste waarschuwing dat het land ten onder gaat aan de schandelijke verwaarlozing van de publieke zaak. «Voor mij is Harper’s een vorm van public service», verklaart Lapham plechtig. «Ik zie mijn werk als een soort plicht, zij het een die ik met vreugde vervul. Het doet me pijn om te merken dat mijn eigen kinderen zich geen jota interesseren voor de res publica. Zij vinden de mensen die het land leiden maar een stel rascals, scoundrels en fools.» Redt Harper’s Magazine Amerika van de definitieve ondergang? De voorlezers in de New School, Laphams persoonlijke selectie uit zijn schrijversstal van de laatste drie decennia, stemmen weinig hoopvol. Een depressieve postfeministe die zichzelf kastijdt vanwege haar vroegere politieke correctheid. Een katholieke homo die zich verliest in een preek over boeddhisme en de Amerikaanse goddeloosheid. Een Argentijn die in Candlelight -lyriek een aan aids gestorven vriend bezingt. Een grijsblonde man in een roomkleurig pak die in de trant van Nietzsches Ecce homo uitlegt waarom hij zulke goede boeken schrijft. Dat brengt de redding van Amerika zeker niet dichterbij. Beter gezegd: als dit de toon is van de hedendaagse Amerikaanse journalistiek - o Heer, laat dit land ten onder gaan! Maar dan wel graag in Harper’s een verslag van die Apocalyps, geschreven door David Foster Wallace. Hij is de jongste voorlezer op het gala, achter in de dertig, het vettige haar in een kort staartje samengebonden. Zijn act is het hoogtepunt van de avond, afgezien van de pijnlijke confrontatie tussen Hersch en Wolfe. In de zomer van 1993 liet Wallace zich door Lapham erop uit sturen om verslag te doen van de jaarlijkse Illinois State Fair, een dantesk inferno waar tienduizenden boeren en buitenlui handel en vermaak zoeken tussen tienduizenden koeien, paarden, varkens en kippen. Wallace leest een passage voor over een wedstrijd tussen majorettes, een onschuldig meisjesvermaak dat door hem wordt omgetoverd in een helse partij stokkensmijten waarbij vergeleken de ijshockeyfinale om de Stanley Cup een gezellig potje mikado is. Het publiek hangt stuiptrekkend van het lachen in de stoelen. «American Apocalypse» door David Foster Wallace, het kan niet anders of dat wordt een baanbrekend stuk journalistiek waarmee Harper’s eeuwige roem zal inleggen. An American Album: One Hundred and Fifty Years of Harper’s Magazine. Samengesteld door Lewis H. Lapham en Ellen Rosenbush, met een voorwoord door Arthur Schlesinger. Uitg. Jr. Franklin Square Press