Menno Hurenkamp

Harry en Rick

Ik zie vanuit mijn werkplek neer op het Leidseplein te Amsterdam. Een plein vol tegenstellingen: internationale biertrog voor vechtziek plebs maar ook favoriete weidegrond van de waarlijk groten der Nederlandse cultuur. Noem een maaiveld-plus-man, en je kunt hem er regelmatig in actie zien. Cultuurstaatssecretaris Rick van der Ploeg bijvoorbeeld, die te slim is voor de Tweede Kamer en te dom om dat voor zich te houden. Of anderen. Zo gebeurde het op dinsdag om kwart voor vier dat ik de schrijver Harry Mulisch, via een zijdeur van café De Balie, het Leidseplein zag betreden. Mulisch in een modieus, strak om de benen gesneden beige pak loopt naar de tramhalte. Het haar als een Griekse helm gekapt, de bril mat glanzend, de hakjes niet te hoog maar ook niet te laag, juist weer een boek verfilmd: Harry gaat goed. Je ziet aan zijn gang dat hij ouder wordt, maar het is duidelijk dat dit geen probleem is. Het is niet dat hij het zomaar niet erg vindt, nee, hij heeft het besluit genomen zich daar niet aan te storen. Harry stiefelt dus vastbesloten maar wankel de rijbaan op die het Leidseplein, zijn Leidseplein, kruist. Ik kijk toe. Het herfstlicht dat nu over het kolossale Hirschgebouw valt, kondigt onherroepelijk een mirakel aan.

En ja. Opeens zie ik de oude Mulisch als door een pofadder bedreigd een meter achteruitspringen. Een fractie van een seconde daarop scheurt een reusachtige motor over het Leidseplein, exact over de plek waar zojuist nog de voeten van de oeuvreschrijver en Nobelprijskandidaat Harry Mulisch stonden. Harry wankelt. De motor is alweer verdwenen. Ik zie de grote schrijver heel even verbijsterd om zich heen kijken. Hij was bijna dood! Dan herneemt hij zich razendsnel en ruim een minuut kijkt hij de vandaal (de Visigoot, de Hun?) na die hem probeerde om te brengen. Dit is het, denk ik, hier ontstaat literatuur. Mulisch staat op de stoep bij de tramhalte en hij zit achter zijn schrijftafel. Terwijl het winkelend publiek de schrijver aanstaart, stollen zijn gedachten leesbaar boven zijn hoofd.

«Het zou niet voor niets zijn geweest. Mijn romanhelden verongelukken met regelmaat, onder vallende meteoren of aanstormende auto’s. Er is geen toeval, alleen mijn werkelijkheid. Welke grootheden kwamen niet om het leven door een motorongeluk? Gaudí liep onder een tram… Wat hebben de goden met mij voor dat ik dit overleefde? Misschien sterf ik toch niet. Quod licet jovi non licet bovi. De Duitsers reden hier ook zo hard. Het is vandaag 24-10, is dat niet ook de som van de lengtemaat van de assen van die motor? Die motor was een Harley Davidson. Bijna sneuvelde ik onder Davidszoon, dat is Jezus, dat weet een kind. Mat theüs 1-1. Ik moest maar eens even een stukje gaan schrijven.»

Ten overstaan van het auto- en allochtone grauw geeft een groot schrijver het ontstaan van nieuw werk open en bloot ter inzage. Heeft Van der Ploeg in vier jaar toch heel wat van zijn begeerde culturele emancipatie bereikt. Het Leidseplein, voor al uw wonderen.