Harry, Fidel en Che

Mei 1968? Amsterdam beleefde zijn revolte al in de hete zomer van het provojaar 1966, toen bouwvakkers in opstand kwamen tegen het vakantiegeldgesjoemel van hun bazen en De Telegraaf belegerd werd. Harry Mulisch schreef over provo een vrolijk-boos boek: Bericht aan de rattenkoning.

Het jaar 1968 verliep in Nederland betrekkelijk rustig. Toch ging de Vietnamoorlog zijn napalmperiode in, en na de moord op Che Guevara in 1967 bleef de VS-blokkade van Cuba gehandhaafd. Ook over Cuba schreef Mulisch na veldwerk een partijdig boek: Het woord bij de daad (1968). ‘Cuba heeft mijn leven gebeterd, dat zeven jaar geleden in Jeruzalem was verslechterd. Van Eichmann heb ik geleerd, waartoe rechts leidt; van Fidel Castro wat daartegen gedaan kan worden.’

Mulisch’ Cuba-boek, inclusief het heerlijk eigenwijze nawoord Over de affaire Padilla (1971), heb ik met heimwee, verbazing en verlangen herlezen. Het blijft een aanstekelijk essay waaruit een betrokkenheid spreekt die tegenwoordig zeldzaam is. Welke journalist durft er nu nog een tekst ‘over solidariteit’ te schrijven zonder tot een vrijblijvend ironisch toontje te vervallen? Welke Nederlandse schrijver is van plan een bewonderend boek schrijven over links elan en daadkracht in Venezuela (Hugo Chávez), Ecuador (Rafael Correa), Bolivia (Evo Morales) of Paraguay (Fernando Lugo)? Links leeft in Latijns-Amerika, ook dankzij Fidel en Che. In Nederland ligt links onder vuur, en zelden schieten de bangelijke sociaal-democraten of de chauvinistische SP-socialisten met verbaal vernuft en echt geëngageerd terug. Waar vinden we nu onder de trottoirtegels het zand en het strand van de verbeelding die we aan de macht willen helpen?

In Het woord bij de daad keert Mulisch zich tegen de politieke verstening (het partijcommunisme) en pleit hij voor de permanente revolutie en de geboorte van de nieuwe mens ‘als waarde en niet als koopwaar’. Zonder enige reserve schaart hij zich achter Fidel Castro, die hij niet ziet als de sterke man maar als de spreekbuis van een onstuimige volksbeweging. De boeren kregen grond, de kinderen gratis onderwijs en de zieken gratis zorg. Tegelijkertijd vocht Cuba voor zijn bestaansrecht tegen de invasie- en infiltratiepogingen van de CIA en tegen de uithongeringspolitiek van de VS. Overdreef Mulisch toen hij Cuba zo omschreef? Welnee. Cuba was, en is, in oorlog met het land dat meent overal in de wereld als politieagent te mogen optreden.

Wat Mulisch – door velen als een hardnekkige narcist beschouwd die alleen voor eigen parochie preekt — in Het woord bij de daad over bewondering schrijft is opmerkelijk. Wat bezielt degene die zonder enige reserve Fidel en Che wenst te bewonderen? Mulisch kruipt alvast in de huid van de kritische lezer: ‘Hij is een romantikus. Hij heeft geen kritisch oordeel. Hij laat zich beetnemen. Hij is een puber. Hij zoekt een vaderfiguur. Hij wordt misbruikt. Hij zal ruw ontwaken. Hij is Hitler vergeten.’ De slotzin is een tot nadenken stemmende uitsmijter.

Tot op de dag van vandaag wordt het Mulisch nagedragen dat hij zich niet achter Padilla heeft opgesteld maar de revolutie trouw is gebleven, tot en met De ontdekking van de hemel, waarin hij op bladzijde 234 de nieuwe mens niet toevallig op Cuba verwekt laat worden. Maar in Nederland is het zelden vertoond dat een schrijver zonder enige reserve een politieke beweging verdedigt die zich met de moed der wanhoop teweerstelt, als David tegen Goliath, tegen niets en niemand ontziend yankee-imperialisme. Nee, Harry Mulisch is niet het wereldgeweten, maar hij heeft wel in 1968 een moedig en kwetsbaar boek geschreven, omdat hij durfde te bewonderen, omdat hij solidair wilde zijn. Wie niet durft te bewonderen, komt aan de verbeelding niet toe.