Portret: Harry Smith

Harry Smith

Harry Smith (1923?-1991), filmer, antropoloog, schilder, folklorist, alchemist en sjamaan werd geacht een bastaardzoon te zijn van magicus en satanist Aleister Crowley. Dichter Serge van Duijnhoven ging op zoek naar zijn laatste sporen.

Zijn naam is even triviaal als zijn voorkomen enigmatisch is. De kring rond de beat poets beschouwde hem als leermeester of «oudere broer» die als een soort levend orakel te pas en te onpas kon worden geraadpleegd. Andy Warhol noemde hem een «geniaal filmer en schilder». Allen Ginsberg prijsde Smith’ «cantannerous genius» en nam hem persoonlijk onder zijn hoede. Hij liet Smith zelfs enige jaren intrekken in zijn eigen appartement in Manhattan; een cohabitatie die niet zonder spanningen verliep. Ginsbergs huisarts stelde Smith aansprakelijk voor de hartklachten van zijn patiënt. Smith verliet desgevraagd de woning, maar werd later uitgenodigd door de beat dichter om zich te komen vestigen in Boulder, Colorado, nabij Ginsbergs zomerresidentie. Smith kreeg een kleine houten barak toebedeeld in de tuin van het Naropa Instituut, een vrije, alternatieve hogeschool waaraan Allen Ginsberg verbonden was als docent van een door hemzelf opgerichte vakgroep literatuur, de Jack Kerouac School of Disembodied Poetics.

In Boulder bracht Harry Smith zijn laatste jaren door als «shaman in residence» en lector-hoogleraar op het gebied van de «curieuze antropologie», levend van een bescheiden wedde en een financiële toelage die jaarlijks beschikbaar werd gesteld door de bandleden van de legendarische psychedelische-rockband The Grateful Dead.

In 1991, twee weken voor zijn dood, kreeg Smith tijdens de Grammy Award-uitreiking nog een Lifetime Achievement Award voor zijn uitgebreid geannoteerde anthologie van Amerikaanse folkmuziek, waarin vele unieke opnamen te horen zijn van vroege blues, bayou-muziek, kinderballaden en cowboyliederen. Folkways Records heeft het werk in 1952 uitgebracht in een corpus van negen elpees, en speelde (volgens Bob Dylan en Ry Cooder) een cruciale rol bij de herontdekking en wederopleving van folkmuziek begin jaren zestig.

Behalve dat hij de eerste Amerikaanse kunstenaar is geweest wiens werk, samen met dat van Marcel Duchamp, te zien was in het Lou vre in Parijs in 1951 en dat hij gezien wordt als de «grondlegger van de Amerikaanse onafhankelijke film» wist Smith indruk te maken met een serie unieke verzamelingen, variërend van indiaanse heilige voorwerpen tot Oekraïense beschilderde paaseieren. Zijn collectie papieren vliegtuigjes (stuk voor stuk gedateerd en met vermelding van vindplaats) groeide uit tot de grootste op aarde en is overgedragen aan het Smithsonian Air Space Museum in Washington DC. Ongetwijfeld is het de combinatie van dergelijke wapenfeiten alsmede zijn bizar-markante uiterlijk (bochel, baard, grote bril en geringe lengte) die van Harry Smith een legende hebben gemaakt.

«Does Harry Smith really exist?» vroeg film criticus Jonas Mekas zich in 1965 af in Village Voice toen Harry’s langverwachte film Heaven and Earth Magic in omloop werd gebracht. «Jarenlang is Harry Smith een zwarte en omineuze legende gebleven en een bron van vreemde geruchten», aldus Mekas. «Sommigen zeggen zelfs dat hij deze planeet lang geleden al heeft verlaten.»

In november 1995 trad in het Amsterdamse Hotel Winston de Oostenrijkse dichter-performer Christian Loidl op. In anderhalf uur tijd transformeerde hij tot iemand anders. Zijn stem werd krakerig, oud, gebarsten, Amerikaans. Zijn motoriek werd traag. Zijn ogen vernauwden zich tot dunne streepjes waardoor hij gluurde als een jongen door een spleet in een schutting. «Ik ben Harry Smith», verklaarde hij, «en het is me opgevallen dat paddestoelen en zeker de soorten die groeien in dit vochtige land van windmolens en ingepolderde weilanden nauwer verwant zijn aan insecten dan aan planten.»

Korte tijd later vertelde Loidl me hoe hij met Harry Smith was geconfronteerd tijdens een symposium over experimentele film in Boulder: «De man was nauwelijks groter dan een dwerg, liep uiterst langzaam en voorover gebogen vanwege een bochel, had haren die als spinnenwebben tot op de schouders hingen, een witte spaghettibaard vol schilfers, basaltzwarte tanden en een bril met buitenproportioneel grote glazen.

Harry was niet bepaald een innemend heerschap. Eerder een onvriendelijk, nooit volwassen geworden kind. Iemand die ongastvrij was, gierig op het boosaardige af, en die de mensen om hem heen bij voorkeur beledigde. Je wist nooit of hij je in de maling nam of dat hij het meende. Ik ben een keer bij hem thuis geweest, in zijn kleine houten woning in de tuin van het Naropa Instituut. Harry bood me druivensap aan in het smerigste glas dat hij te midden van zijn beschimmelde bende kon vinden. Zijn huisje zag er van binnen uit als een boomhut, met tussen de hoge stapels boeken overal stenen en dikke takken, en boomstronken die dienden als zetel. Toen ik recorder en microfoon uit mijn tas te voorschijn haalde vroeg Harry, die tegenover me wiet uit een grote plastic zak plukte, argwanend of ik het gesprek wilde gaan opnemen. Ik zei: ‹Ja, als u er geen bezwaar tegen heeft.› Vervolgens nam hij me de kleine Sony-recorder uit de hand en onderzocht het apparaatje minutieus. Uiteindelijk zei hij: ‹Vanochtend vroeg heb ik nog vogel gezang opgenomen met een soortgelijk apparaat. Toen ik daarmee bezig was, hoorde ik plots iemand saxofoon spelen. Grappig nietwaar? Ik neem vogelgeluiden op, en ineens klinkt er een saxofoon… Zeer grappig, zeker als je weet dat Charlie Parker Bird werd genoemd.›

Toen ik dacht dat daarmee het ijs eindelijk gebroken was, murmelde Harry dat er op dat moment vreemde stemmen in de lucht zaten en dat hij niet graag had dat die stemmen op band verschenen. Onverrichter zake nam ik afscheid, waarbij Harry me bij de deur van zijn woning nariep: ‹Als je nog eens problemen zoekt, klop dan gerust weer bij me aan.›»

In Boulder moesten volgens Loidl nog heel wat mensen te vinden zijn die me meer duidelijkheid zouden kunnen verschaffen omtrent het fenomeen Harry Smith.

BOULDER – Dit uiterst vrijzinnige universiteitsstadje is sinds de jaren zeventig dé centrale ontmoetingsplek voor de on the road-generatie en haar nazaten. Het ligt centraal in Amerika en vormt letterlijk een crossroad tussen de oost- en de westkust, het noorden en het zuiden. De geest van de beats, levend en dood, is hier nog volop aanwezig. In de hoofdstraat bevindt zich een Beat Bookshop en op een veldje buiten de stad staat nog het karkas van de beschilderde bus van de Merry Pranksters, die daar na een decennialange trip van mondiale geestverruiming door chauffeur Ken is geparkeerd. Boulder is Woodstock Forever, het tot leven gewekte decor van een Beatles-song, met magische paddestoelen die groeien in de bergen, wilde-aardbeienvelden rond de buitenwijken en cafés met namen als Pennylane en Helter Skelter. Beat-oppergod Ginsberg wist welke plek hij uitkoos toen hij samen met de Tibetaanse monnik Chögyam Trumpa aan het Naropa Instituut in Boulder zijn hogeschool voor poëzie, dans en meditatie oprichtte.

In de bibliotheek vraag ik een film op van Harry Smith: Heaven and Earth Magic, het magnum opus waar de alchemist-cineast twintig jaar aan zou hebben gewerkt, veelal gebukt in bad. Dat was Harry’s favoriete werkplek voor toepassing van een procédé waarbij hij film frames met de hand beschilderde en bewerkte.

Smith heeft in zijn leven in totaal 23 films gemaakt in een stijl die door filmcritici is omschreven als «picturaal, hallucinant en hermetisch». Zelf noemde Harry zijn filmwerk een vorm van «magisch illusionisme».

Nadat ik de videoband van Heaven and Earth Magic in de recorder heb gestopt en een kop telefoon om mijn hoofd heb geklemd, hoor ik geluiden van vogels en kletsende mensen, een bel, klokken, stoomlocomotieven, brommers, verkeer, een roeispaan in water, het klotsen van golven tegen de boeg van een schip, koe geloei, machinegeluiden en kikkergekwaak. Ik zie bewegende poppetjes, fantasierijke contouren, voortdurende transformaties van getekende figuren en kleurvlakken. Ik zie een injectienaald die in een oogbal wordt gestoken, krioelende insecten, rondtollende reptielen en een feest van dansende skeletten.

Op de videofilm na is in de bibliotheek weinig van of over Harry Smith te vinden. Zelfs in de dikke biografie over Allen Ginsberg is de moderne Prospero alleen traceerbaar in een minuscuul voetnootje, en dan nog zonder verdere uitleg. Na lang zoeken in kaartenbakken en registers kom ik op naam van Harry Smith dan toch een soort kaartje tegen, waarop behalve een nummer en een stempel van het Naropa Instituut de volgende tekst staat:

«En met de zonden van de kinderen moeten de ouders gekweld worden – levensloop van Harry Smith, door hemzelf geschreven.

Geboren in Portland, Oregon, als kind van ouders wier dwaasheid wat betreft hun geslacht tot een cyclische sociale en religieuze manie voerde. Deze dwong hem om zijn eigen dualiteit met groot enthousiasme te omarmen en een huwelijk met het dualistische principe aan te gaan: ‹Breng de mensen zover tot ze denken dat ze denken, en ze houden van je. Breng ze tot denken, en ze haten je.› Natuurlijk leverden de omvang van zijn oneindige ellende en zijn welbekende begeerte hem menig private en publieke mecenas zodat hij zijn uitstapjes naar de afgestompte honger aan de grens van stem en visioen kon financieren. Hij heeft ongeveer 1500 opnames gemaakt voor beperkt wetenschappelijk gebruik en zo’n 120 commerciële filmpjes. Hij heeft 23 films geproduceerd, waarvan ongeveer de helft gemakkelijk te verkrijgen is. Hij is naar Boulder gegaan om te ontdekken waarom hij zo’n verdomde zot is, en hij had gehoord dat Boulder de beste plaats is om dit te doen.»

Ook vind ik een wit briefje waarop met een typemachine de titels staan getikt van colleges die Smith in de vier jaren van zijn aanwezigheid in Boulder heeft gegeven: «1. de rationaliteit van het naamloze; 2. is zelfreflectie mogelijk?; 3. communicatie, quotatie en creatie; 4. de grammatica van het bewustzijn».

Smith’ kleine houten barak doet nu dienst als atelier voor studenten die op bibliofiele wijze dichtbundels willen leren drukken. In het huisje staat de Kavyantra Press oftewel de «poëziemachine», een handmatig te bedienen drukpers gebouwd door Vandercook Chicago aan het einde van de vorige eeuw.

Ik ontmoet er Neil Gil, een vriendelijk ogende kerel met een ringbaardje, een rond brille tje en een wat opdringerig buikje. «Dit gebouwtje is een klein heiligdom», zegt Neil. «Harry’s geest hangt hier nog altijd.» Hij leidt me rond door de diverse vertrekken. «Dit is waar hij sliep, dit was de living, hier was de keuken en hier was de badkamer… Er is flink uitgemest toen Harry was overleden. Containers vol met spul, takken, boomstronken, boeken, keien, speelgoed, papieren vliegtuigjes, dagboeken en geluidsbanden hebben we uit het huisje geruimd. Alles in zijn woning, zijn leven, zijn omgeving was onderwerp van een voortdurend experiment. Harry maakte hele geluidscomposities van een druppelende kraan, een fluitende theeketel, een aanslaande koelkast. Hij maakte ook opnamen van de footballwedstrijden, van het geluid dat opsteeg uit het stadion, hij probeerde zelfs het geluid vast te leggen van sneeuw die smolt. Van al zijn verrichtingen hield hij een logboek bij.

Hier stond destijds de bedbank waarop Harry sliep. Midden op het bed lag de uitgedroogde placenta van een van zijn poezen die in dit huisje was bevallen. De placenta zag eruit als een ster. Niemand mocht de vlek verwijderen. De kinderen van Boulder kenden Harry als Mister Magoo. Ze vonden dat hij leek op een kabouter. Hij had meestal veel bekijks als hij ’s zomers door de tuin dwaalde met zijn koptelefoons om en een microfoon in de hand, geluidsopnamen makend van de eekhoorntjes of vogels of van zijn jeugdige toeschouwers.

Hier op deze tafel stond altijd zijn grote oude Philips-magnetofoon met twee spoelen. Onder de tafel lag een stapel zwarte dunne dozen waarin hij zijn metaalbanden bewaarde, stuk voor stuk nauwkeurig gedateerd. De bedoeling was dat Harry’s tapes gedraaid zouden worden in auditoria waar blinden vertrouwd konden raken met chaos en rumoer.»

Harry Smith stierf zingend – zoals Paola Iglio ri in haar filmdocumentaire over de alchemist verhaalt – en bloedspuwend op 27 november 1991, tijdens een uitstapje naar New York waar hij in het Chelsea Hotel verbleef. De mythevorming rond zijn persoon is er alleen maar door verhevigd. Uit de verhalen die me in Boulder werden verteld, kwam Harry nauwelijks als een mens naar voren. Iedereen die hem van nabij had meegemaakt, had wel een verhaal paraat over zijn confrontatie met de magiër annex hoogleraar en kunstenaar. Het patroon van die verhalen vertoont sterke overeenkomsten. Meestal waren er atmosferische merkwaardigheden die Harry’s verschijning begeleidden, kon de vreemdste taal uit zijn mond worden opgetekend en scheen zijn curieuze verschijning een verlammende in druk te hebben gemaakt op de omgeving. Daarnaast zijn er de wonderlijkheden die mees tal alleen zijn voorbehouden aan heiligenlevens, zoals Harry die zich nooit waste, maar toch niet stonk of smerig was. Harry die nooit at, maar toch stokoud werd (of die indruk maakte). Harry die een formule wist waarmee je jezelf onzichtbaar kon maken. Harry die kon communiceren met objecten en dieren. Harry die in contact stond met hogere machten.

Bij Tom Peters van de Beat Bookshop was de drank onontbeerlijk om meer over Harry Smith te weten te komen. In zijn winkel reageerde Tom ontwijkend op mijn vragen. Nadat ik een boek en wat kaarten had gekocht werd hij toeschietelijker en beloofde na sluitingstijd een en ander te vertellen. De dorst bleek ’s avonds echter sterker dan de belofte verhalen over Harry uit de doeken te doen. Tom voerde me van het ene naar het andere bierhol. We eindigden in de Sundown Bar, waar hij vroeg of ik al in Harry’s Place was geweest.

Ik knikte en vroeg hem: «Was het daar destijds echt zo’n smeerboel als me verteld is?»

«There was dirt in the bathtub, but it wasn’t dirty. You know the difference? Wat is vies? Sommige mensen vinden de natuur vies. Bij Harry thuis trof je stenen aan, zand, mos, takken. Maar geen stinkende berg afval. Het was er niet schoon maar ook niet smerig, you know. Alles bij Harry had z’n plaats. Hij verzamelde en catalogiseerde alles wat hem interesseerde. Flyers van radioshows die hij had opgenomen. Papier, speelgoed, tarotkaarten, potjes van de pillen die hij slikte.»

Hoe zit het met de onduidelijkheid rond zijn jaar van geboorte?

«Harry deed daar heel geheimzinnig over. Hij wekte de indruk stokoud te zijn. Dat kwam vooral doordat hij zich zo langzaam voortbe woog. Harry hield rekening met de mogelijkheid dat hij een bastaardzoon was van Aleister Crowley, met wie zijn moeder in haar jeugd contact had gehad. ‹Do As Thy Wilt Shall Be the Whole of the Law›, de bekende frase van Crowley, was altijd een van Harry’s credo’s. Voor zover ik weet groeide Harry op in een vrijmetselaarsfamilie in Oregon. De man die hem opvoedde, zijn officiële vader, zat in de zalmvishandel. Zijn moeder was lerares.»

Ik vraag Tom hoe het kan dat vrijwel iedereen die naar Harry Smith luisterde tijdens zijn lezingen een totaal andere versie van zijn vertoog reproduceerde.

«Harry had de gewoonte om geen enkele zin die hij begon af te maken, hij sprak volstrekt niet lineair. Allen Ginsberg zei soms tegen hem als hij weer halverwege een zin bleef steken: ‹Maak je zin eens af, Harry!› Waarop Harry zei: ‹Ik heb m’n zin afgemaakt. Eh, eh… eh… is een perfect legitieme manier om een zin te beëindigen.›»

Deze week wordt in De Balie en Paradiso

te Amsterdam een vierdaags memorial gehouden ter ere van Harry Smith