Perquin

Hart

Commotie in de supermarkt. Voor het schap met de blikgroenten ligt een oude man op de grond. Zijn gezicht is grauw. Hij heeft zijn ogen wijd open. De supermarktmanager is bij hem neergeknield en houdt zijn hand vast. Achter hem staat een oude mevrouw. Ze kijkt naar de man op de grond. In haar handen klemt ze een doosje tompoucen. ‘Zijn hart’, zegt ze. 'Zijn hart.’ Naast de mevrouw staan nog twee personeelsleden. Ze kijken gespannen. Een van hen zegt: 'De ambulance is er zo.’
Ik passeer het groepje zonder mijn pas in te houden, zonder al te opzichtig te kijken - maar het gaat me niet gemakkelijk af. Mijn lichaam zendt signalen uit: afremmen, afremmen! Een stem in mijn binnenste jubelt schaamteloos: 'Hier valt iets interessants te zien! Iets Heel Ergs! Kijk dan toch!’ Snel duw ik mijn karretje het eerste het beste gangpad in. Ik haal diep adem. Er zijn mensen bij, er is hulp onderweg. Wat zou ik toevoegen? Die meneer ligt daar. Waarschijnlijk in doodsnood. Stel je voor dat hij vanuit zijn ooghoeken een wildvreemde ziet opdoemen. Iemand die stopt en staart. Met de loze blik van een ramptoerist. Naar zijn gezicht. Naar zijn vrouw. Naar zijn laatste minuten. De hel, dat zijn de anderen.
Ik speel dat ik doelbewust door de supermarkt loop, rustig wijn uitkies - maar mijn oren blijven gespitst op naderende sirenes, wanhoopskreten. Ook hier gebeurt het, denk ik. Terwijl je iets lekkers haalt omdat de kleinkinderen straks op bezoek komen. Terwijl je met je vrouw discussieert over wat je zult eten. 'Maar ik hou van sperziebonen.’ 'Ben je mal, je zegt juist altijd dat je veel liever bloemkool hebt.’ En dan: klik. De schakelaar om. De stilte van een hart dat stopt met kloppen. Bij de kassa aangekomen begin ik machinaal mijn boodschappen op de band te leggen. Ik heb geen idee wat ik heb gekocht. Twee ambulancebroeders rijden een brancard langs. De oude man is vastgegespt tussen zachtgele dekens. Zijn gezicht kan ik niet zien. Achter de brancard loopt de oude mevrouw. Met een doosje tompoucen.