Hart in kaart

Daniel Goleman, Emotionele intelligentie. Uitg. Contact, 448 blz., f39,90
Wie vandaag de dag beweringen doet over het IQ, begeeft zich in politiek gevoelig vaarwater. Dat ondervonden de auteurs van het geruchtmakende boek The Bell Curve, waarin gezocht werd naar een wetenschappelijke verklaring van de bewering dat zwarten een lager IQ zouden hebben dan blanken. Op dezelfde lijn zat de Schotse psycholoog Christopher Brand, wiens boek onlangs de dag voor verschijning door de uitgever werd teruggetrokken omdat Brand zich racistisch uitgelaten zou hebben.

En nu is in Nederland dan het boek Emotionele intelligentie van de Amerikaanse psycholoog Daniel Goleman verschenen. Aan pretenties ontbreekt het Goleman niet. Al direct in het eerste hoofdstuk dendert hij de lezer tegemoet met: ‘Nu is de wetenschap eindelijk in staat om met gezag te spreken over de dringende en onthutsende vragen omtrent de meest irrationele krachten van de psyche en om met enige precisie het menselijk hart in kaart te brengen.’ Toe maar.
Natuurlijk maakt Goleman zijn beloften niet waar. We mochten willen dat we zoveel van het gevoel wisten, en dan nog wel in combinatie met het IQ. De provocerende stelling van Herrnstein en Murray dat het IQ genetisch bepaald zou zijn, met alle maatschappelijke consequenties van dien, laat Goleman gemakshalve links liggen. Hij legt onverstoorbaar zijn eigen politiek correcte weg af: de emotionele intelligentie die hij poneert is er een die - u raadt het al - wel door middel van opvoeding en onderwijs opgekrikt kan worden en zeker niet genetisch bepaald is. Goleman eindigt zijn boek dan ook met een pleidooi voor emotionele opvoeding, waarbij alle open deuren nog eens ingetrapt worden. Het is kennelijk die positieve boodschap die velen naar de boekhandel deed snellen. Kennis is het meest welkom wanneer die in ons straatje past.
Goleman stelt dat er nog geen enkele IQ-test bestaat waarin deze emotionele intelligentie getest wordt. Ik heb wel eens zo'n test onder ogen gehad en daarin kwamen allerlei emotionele facetten aan de orde. Het is natuurlijk maar net wat je emotionele en wat je rationele facetten noemt. Ik krijg de indruk dat Goleman dat zo'n beetje door elkaar husselt. Misschien bestaat er inderdaad wel zoiets als emotionele intelligentie. Maakte hij het nu maar aannemelijk. Hij duikt meteen de hersenen in om gevoelsgebieden te traceren. Daar wordt zijn verhaal opeens heel technisch en baseert hij zich op bestaand onderzoek. Maar de grote stap, het leggen van de connecties tussen 'breinspul’ en 'geestesspul’ waar Daniel C. Dennett zo fascinerend over heeft geschreven, die stap maakt Goleman zo terloops, zo slordig, dat je de lust verliest om door te lezen. Goleman schrijft niet graag over problemen. Hij wil oplossingen verkopen.
Een totaal waardeloos boek is het overigens niet. Het idee dat er een snelle manier van denken is, waarin beslissingen worden genomen, zeg maar intuitie, is op zich natuurlijk waardevol. Boeiend zijn de voorbeelden van het gedrag van mensen die niet over een 'emotioneel brein’ beschikken. Dat doet denken aan de prachtige vertellingen van Oliver Sacks. Interessant is bijvoorbeeld ook wat Goleman schrijft over 'emotionele besmetting’, zeg maar het gegeven dat je gaat gapen als iemand anders ook gaat gapen. Maar dan schrijft hij weer iets als 'kunst is zelf het medium van het onderbewuste’. Ja, doei.