Reportage: de pacificatie van Atjeh

Harten veroveren in Atjeh

Ondanks een wapenstilstand is het in Noord-Sumatra nog steeds onrustig. Rebellen willen een vrij Atjeh, terwijl Jakarta autonomie onder Indonesische soevereiniteit nastreeft. Intussen worden vrijheidsstrijders heropgevoed.

BANDA ATJEH — Maandagmorgen negen uur. Appèl. Zo’n duizend ambtenaren staan op een open veld in de hoofdstad van de provincie At jeh. Een politiecommandant houdt een rede. Dan zweert iedereen loyaliteit aan Republik Indonesia. Een ambtenaar komt te laat aangereden. Het zweet staat op zijn voorhoofd. Hij twijfelt of hij zich nog zal aansluiten, de ceremonie is al in volle gang. «Die wordt berispt», zegt een voorbijganger grijnzend.

Even later, bij het kantoor van de militaire inlichtingendienst, melden zich twee middelbare scholieren. Ze dienen een verzoekschrift in voor een muzikaal optreden over enkele weken. Niet hun eigen idee, maar een opzetje van de inlichtingendienst zelf. Alle scholen zijn opgeroepen mee te doen aan een optreden in het teken van de unitaire eenheidsstaat. Vervolgens moeten de scholieren in persoon toestemming vragen om de opdracht uit te voeren. Onderuitgezakt houdt een vadsige agent een betoog over de geneugten van de republiek. De jongens horen het nerveus aan.

Atjeh is in staat van beleg. Op 19 mei 2003 kondigt president Megawati Soekarnoputri een «integrale operatie» aan. Daarmee begint zij het grootste Indonesische militaire offensief sinds de inlijving van het inmiddels al weer onafhankelijke Oost-Timor in 1975. Meer dan 45.000 strijdkrachten worden naar de provincie in het noordelijkste puntje van Sumatra gestuurd. Doel is eens en voor altijd een einde te maken aan de rebellie van de Beweging Vrij Atjeh, Gerakan Atjeh Merdeka (Gam), die sinds 1976 voor onafhankelijkheid strijdt. In bijna dertig jaar heeft het conflict naar schatting meer dan tienduizend levens geëist.

Aanleiding voor de oorlog is het door beide partijen doelbewust ondermijnen van een sinds december 2002 bestaande wapenstilstand. De Gam gebruikt de luwte om nieuwe manschappen te rekruteren en onder het volk geld te innen als was het een legitieme belas ting. Het Indonesische leger blijft militaire acties uitvoeren. Verwoede onderhandelingen tussen Jakarta en de Gam onder druk van de internationale gemeenschap leiden nergens toe. De Gam ziet een mogelijke overeenstemming slechts als een eerste stap naar onafhankelijkheid, terwijl Jakarta volhoudt dat de rebellen akkoord moeten gaan met autonomie onder Indonesische soevereiniteit.

In tegenstelling tot bij eerdere militaire operaties tegen de Gam hebben de strijdkrachten nu ook civiele taken. Ze moeten het door corruptie geplaagde rechtsstelsel herstellen, humanitaire hulp verstrekken en het provinciale bestuur verbeteren. Anders dan voorgaande keren zal het leger ditmaal geen mensenrechten schenden, is de uitdrukkelijke belofte.

Bij aanvang zegt de top van de Indonesische strijdkrachten (TNI) slechts zes maanden nodig te hebben om de taak uit te voeren. Nu, bijna een jaar verder, pleiten de militairen in Atjeh opnieuw voor verlenging. Volgens de legertop zijn zo’n drieduizend rebellen gedood of gevangen. In totaal zou de Gam over vijfduizend strijders beschikken.

Op het oog heeft het leven in Banda Atjeh normale vormen aangenomen. Het wemelt weliswaar van de soldaten, maar ze doen hun best plezierig over te komen. In koffiehuizen, bij de moskee en op straat spreken de mensen hun waardering uit voor de militairen. Nu de strijdkrachten het voor het zeggen hebben, spreekt niemand een kwaad woord over ze. In plaats daarvan klaagt iedereen naar hartelust over het provinciale bestuur onder leiding van de als buitengewoon corrupt bekendstaande gouverneur Abdullah Puteh. Het leger lijkt de harten van de Atjeeërs te hebben veroverd.

In werkelijkheid is de alledaagse gang van zaken slechts schijn. Achter de façade van gemoedelijkheid gaat een wereld van angst en zwijgen schuil. Wanneer de Gam ter sprake komt, wordt het gesprek steevast afgebroken. De angst wordt gevoed door mogelijke repercussies van zowel de Gam als het leger. Alleen de uitbater van een eetlokaal geeft zich op eigen initiatief bloot als de laatste klant is vertrokken. In zijn geboortedorp werden acht maanden terug twintig mensen gedood. Niet door de Gam, maar door het leger, zegt hij. Waarom? «Omdat ze de rebellen wel eens rijst hadden gegeven. Na een paar uur ondervragen schoten ze ze dood», fluistert de man, die zegt zelf in 1976 te zijn opgepakt. Vijf maanden werd hij gemarteld met stroomstoten.

Op een geheime locatie en op basis van anonimiteit is een hoge officier bereid te praten. Hij is belast met de identificatie van rebellen. Onder zijn gezag werden alle ambtenaren in de provincie aan een loyaliteitstest onderworpen. Hij zegt 150.000 functionarissen te hebben gescreend. In eerste instantie op basis van een enquête. Daarna werden twijfelgevallen voor een gesprek opgeroepen. Sommigen werden gevangen gezet, anderen uit hun functie ontheven.

De officier is tot de conclusie gekomen dat steun voor de rebellen grotendeels opportunistisch van aard is: «Van de Gam-leden die wij vonden was tachtig procent niet méér dan gelegenheidssympathisant. Je kunt het ze niet kwalijk nemen. Dit volk is getraumatiseerd, leeft in armoede en wordt afgeknepen door een corrupte provinciale regering. Zolang niemand ze uitzicht biedt op iets beters steunen ze gewoon degene die hen het meest bedreigt. Hun loyaliteit is van tijdelijke aard. Net zoals de zogenaamd massale steun nu voor het leger. Als de omstandigheden niet veranderen en wij ons terugtrekken, kiezen ze vroeger of later weer voor de Gam.»

Hoeveel van de dertienhonderd gedode Gam-verdachten zijn daadwerkelijk rebellen? De officier draait om het antwoord heen: «De strijdkrachten doen er echt veel aan om niet de fouten uit het verleden te herhalen. Om vast te stellen dat er geen onschuldige burgers zijn gedood, moet een commandant na een actie altijd een formulier achterlaten bij het dorpshoofd. Daarop kan worden aangegeven of de slachtoffers inderdaad rebellen waren of niet. Dat formulier moet vervolgens naar de militaire politie worden gestuurd. Die stelt bij twijfelgevallen een onderzoek in.»

Hoe vaak komt het voor dat er melding wordt gemaakt van onschuldige slachtoffers? «Niet vaak, maar het gebeurt wel eens», zegt hij. Getallen wil hij niet geven. Sinds februari publiceert het leger geen statistieken meer over het aantal doden en gewonden.

De nationale commissie voor mensenrechten, Komnas Ham, zegt aanwijzingen te hebben van schendingen van mensenrechten door militairen. Het leger zou ongewapende burgers hebben aangevallen en onschuldige dorpsbewoners zouden zijn vermoord, gemarteld en verkracht. Verdachten zouden zijn geëxecuteerd voordat hun schuld was bewezen. Komnas Ham was namens de regering belast met het monitoren van de eerste zes maanden van het offensief. Sindsdien is de commissie niet langer welkom in de provincie.

De restricties gelden niet alleen voor Komnas Ham. Vrijwel alle non-gouvernementele organisaties wordt de toegang ontzegd, buitenlandse journalisten worden zo veel mogelijk geweerd en tegengewerkt. Lokale journalisten spreken over een strenge censuur. Een plaatselijke krant werd gesloten omdat hij niet gehoorzaamde aan de strijdkrachten. Europese waarnemers zullen tijdens de parlementsverziekingen alleen in de zogenaamde witte zones toegelaten worden. Zwarte zones, waar mogelijk nog rebellen zitten, zijn verboden terrein. Wat zich daar afspeelt, komt alleen in de vorm van geruchten naar buiten.

De weg van Banda Atjeh naar Lhokseumawe voert langs tientallen uitgebrande scholen. Direct na de aankondiging van de «integrale operatie» in mei vorig jaar werden meer dan vijfhonderd scholen in brand gestoken. De verantwoordelijkheid hiervoor wordt door de meesten bij de rebellen gelegd. In enkele gevallen werden pubers op heterdaad betrapt die later verklaarden de opdracht voor vijftigduizend roepia (vijf euro) te hebben uitgevoerd. De Gam verzet zich al vanaf het begin tegen het Indonesische onderwijs in Atjeh. De actie zou passen in de strategie om het volk ongeschoold en wanhopig te houden, omdat het dan loyaal zal zijn aan de Gam.

Maulida, een spijtoptant van de Gam, be vestigt de benadering van de rebellen. «Vooral ongeschoolde boeren zijn een makkelijk doelwit voor ze», zegt hij ’s avonds laat in een obscuur kantoortje in Lhokseumawe. Maulida zegt in 1987 tegen zijn zin te zijn gerekruteerd door de Gam: «Ik ontving een uitnodiging van een vriend in Maleisië om in het buitenland te studeren. Er zat een ticket naar Amsterdam bij. Het leek een buitenkans. Op Schiphol werd ik samen met andere studenten opgewacht en met een nieuw ticket doorgestuurd naar Tripoli. Ik dacht dat ik daar op een islamitische universiteit terecht zou komen, maar in Libië werden we naar een kamp gebracht.»

Na aanvankelijk verzet laat Maulida zich in Libië opleiden tot Gam-rebel. Hasan Tiro, de president van Vrij Atjeh die sinds de jaren zeventig in ballingschap in Zweden leeft, komt regelmatig naar het kamp, waar zo’n vijfhonderd rekruten worden getraind. «Sommigen waren er uit vrije wil, maar de meesten waren arme boerenjongens, net als ik onder valse voorwendselen geronseld», zegt Maulida. Na een jaar van indoctrinatie wordt hij teruggestuurd naar Atjeh om als propagandist aan de slag te gaan. Hij reist van dorp naar dorp. «In veel kampongs sloeg de boodschap aan», herinnert hij zich. «De mensen wisten niet beter. Ze leefden in armoede, waren niet naar school geweest en walgden van de Indonesische politie en het leger. Wij beloofden ze van alles. Na de onafhankelijkheid zou alles beter worden.»

In 1990 wordt Maulida opgepakt door de militaire inlichtingendienst. Hij wordt twee weken lang verhoord. «Ze hebben me niet gemarteld of geïntimideerd, misschien omdat ik gewoon meteen heb verteld wat er allemaal gebeurd was», verklaart hij. Kort na te zijn vrijgelaten wordt hij door een informant uit zijn dorp ervan beschuldigd nog steeds voor de Gam te strijden en opnieuw wordt hij gearresteerd. Na drie maanden in hechtenis ontsnapt Maulida en vlucht naar Java.

«Na de val van Soeharto in 1998 durfde ik pas weer naar Atjeh terug. Ik heb me bij de politie gemeld en mocht weer naar mijn dorp op voorwaarde dat ik ze op de hoogte hield van mogelijke activiteiten van de Gam.» Een jaar later wordt Maulida in een eethuis ontvoerd door rebellen. Een patrouille van de nabijgelegen legerpost opent het vuur. «Tijdens het gevecht ben ik gevlucht», zegt Maulida. Sindsdien werkt hij als informant voor het leger.

Zijn verhaal is niet te controleren. Hij wil niet op de foto en geeft zijn achternaam niet. «De Gam zal me uit de weg ruimen», verklaart hij. «Wie garandeert mij dat ze over een paar maanden niet weer de dienst uitmaken? Van de leiding is nog niemand gevangen.»

Een van de hoogsten in rang die het leger tot nu toe heeft weten op te pakken is Mustafa bin Ibrahim (31). Hij is de Gam-commandant van een berggebied in het district Pidie. Mustafa werd aan het begin van de militaire operatie in Medan gevangen genomen. Nu wacht hij op een uitspraak van het hooggerechtshof. In een eerder vonnis is hij tot zeventien jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Mustafa zit met dertig anderen in een cel in de gevangenis van Lhokseumawe. Een verzoek om een interview wordt door de militaire politie geweigerd. Wel mogen enkele vragen worden gesteld in bijzijn van medegevangenen en bewakers. «Ik ben ook maar overgehaald om mee te doen», zegt Mustafa. Hij heeft nooit deelgenomen aan gevechten. Nerveus ontwijkt hij elk oogcontact. Hij doet er het zwijgen toe.

Een heropvoedingskamp in het dorp Relet is de bestemming voor de minst zware gevallen, aangemerkt als rebellen uit «categorie C». In lange barakken die oorspronkelijk dienden voor de opvang van vluchtelingen zitten nu 662 voormalige Gam-sympathisanten. «Deze mensen zijn niet opgepakt, maar hebben zich vrijwillig overgegeven», zegt kampcommandant Dwi Prasetyo tijdens een onaangekondigd bezoek. De mannen en vrouwen zijn voor zes maanden geïnterneerd. In die tijd krijgen ze les in taal, recht en de geschiedenis van In donesië, en wordt ze praktische vaardigheden bijgebracht als landbouw, naaien en motortechniek. Elke dag wordt massaal een eed van loyaliteit aan de republiek afgelegd. «We hebben hier te maken met domme mensen», zegt Prasetyo. «Wij proberen ze wat bij te brengen, zodat ze een betere toekomst hebben.»

De kampcommandant weigert te spreken van «gevangenen», hoewel ze geïnterneerd zijn. Hij noemt ze «leerlingen» die zelf weer op het rechte pad geholpen willen worden. «Na de ramadan hebben we ze een week vrijaf gegeven om naar hun dorpen te gaan. Niet één van hen is langer weggebleven», vertelt hij.

In het kamp hangt een bijna vrolijke stemming. De gevangenen krijgen van Prasetyo een hand of klopjes op de schouder. Er wordt gelachen. Vrijwel iedereen zegt blij te zijn in het kamp te mogen leren. Ze verklaren unaniem door de Gam te zijn gedwongen mee te doen aan de vrijheidsstrijd. Een voormalige onderwijzer moest dertig procent van zijn salaris afstaan in de vorm van vrijheidsbelasting. Een boerenjongen van dertien werd gedwongen als informant te werken. De oudste kampgevangene, een man van 67, is sinds het begin van het conflict in 1976 wel vijf keer van kant gewisseld. «Uit lijfsbehoud», zegt hij.

Een dag later komt er hoog bezoek uit Jakarta. Het hoofd van de militaire politie, majoor-generaal Sulaiman, inspecteert het kamp. Op het veld doen de gevangenen een dansje met een wave en een yell: «In!… Do!… Ne!… Sia!… Indonesia!» klinkt het enthousiast. «Jullie zien het zelf. Dit is geen gevangenis», verklaart Sulaiman. Is hij niet bang dat zijn «leerlingen» zich opnieuw bij de Gam zullen aansluiten? «Er zijn geen garanties, maar wij maken ze hier weerbaar zodat ze niet meer zo makkelijk geïntimideerd kunnen worden.»

Na vrijlating zullen de voormalige Gam-sympathisanten worden opgewacht door Be rantas, een antiseparatistische weerbaarheidsclub in het district Noord-Atjeh. De oprichting van Berantas, november 2003, deed denken aan de gewapende milities die met instemming van het leger dood en verderf zaaiden nadat de Oost-Timorezen in een referendum in 1999 voor afscheiding hadden gekozen. Muhammad Satria Insan Kamil, het hoofd van de organisatie, presenteert Berantas nadrukkelijk als een onafhankelijke beweging. Waarom een agent van de militaire inlichtingendienst, nota bene uit West-Timor, bij het gesprek aanwezig is, kan hij niet duidelijk maken.

«Ons doel is de logistieke lijnen van de Gam te doorbreken», verklaart Satria. «De rebellen zijn voor eten en informatie afhankelijk van steun in de dorpen. Daarom ronselen wij leden in de achtergelegen gebieden die gezamenlijk een front zullen vormen wanneer de rebellen uit het bos komen en een beroep doen op de dorpsbewoners. De bedoeling is dat onze leden in de dorpen zelf de rebellen gevangen zullen nemen of vergeldingsacties lanceren. Als de Gam het huis afbrandt van iemand die zich verzet, branden wij een huis af van de rebellen of hun familie.» Satria zegt vooralsnog ruim vijfhonderd veelal jeugdige leden te hebben geworven.

De werkmethodes van Berantas blijken toch wat grimmiger te zijn. «Als iemand weigert lid te worden van Berantas wordt hij voor Gam uitgemaakt», vertelt een lokale journalist. «Hij loopt dan het risico te worden ontvoerd en bij de politie te worden ingeleverd. Dan zit hij in de gevangenis en moet zijn onschuld bewijzen.» Naar eigen zeggen heeft Berantas tot op heden zestig vermeende rebellen overgeleverd aan de politie. Wat er van deze verdachten is geworden, is niet bekend.

Bij het plaatsje Ganda Pura hangen vijf medewerkers van Palang Merah Indonesia, de Indonesische variant van het Rode Kruis, bij hun post. Voor hen staat het karkas van een busje dat voor ambulance moet doorgaan. «Hiermee halen we de slachtoffers op uit de achtergelegen gebieden en brengen we ze naar het ziekenhuis», vertelt een van hen. «Deze week is het rustig, maar vorige week hadden we er weer drie. Meestal krijgen we bericht uit een dorp dat er doden zijn gevallen. Soms belt het leger dat we lijken moeten bergen.»

Hij haalt een kartonnen doos te voorschijn met twintig fotoalbums. «We maken altijd foto’s van de slachtoffers zoals wij ze aantreffen.» Hij toont foto’s van kapotgeschoten lichamen. Zijn het allemaal rebellen? «Dat weten we niet. Om onze neutraliteit te bewaren bemoeien we ons niet met de identificatie. Soms horen we naderhand dat dorpsbewoners het lichaam hebben geclaimd om te kunnen begraven. Maar in de helft van de gevallen wordt de identiteit nooit achterhaald», aldus de man die niet bij naam genoemd wil worden. «Niet veel mensen durven met het lijk van een verdachte rebel te worden geassocieerd.»

_______________________

Indonesische verkiezingen koersen aan op monstercoalitie

jakarta — Maandag 5 april mogen naar schatting 140 miljoen Indone siërs toch naar de stembus om een landelijk parlement, regionale volksvertegenwoordigers en districtsraden te kiezen. Wekenlang klonken er waarschuwingen dat de stembussen en 660 miljoen stembiljetten niet klaar zouden zijn om op tijd verspreid te worden over de 585.000 kieslokalen in de archipel. Ministers spraken over uitstel. Maar de logistieke nachtmerrie lijkt toch tot een goed einde te komen.

De verkiezingen lijken uit te monden in een zege voor de oppositiepartij Golkar. Golkar was de stemmachine van voormalig president Soeharto, totdat hij in 1998 tot aftreden werd gedwongen. Bij de verkiezingen in 1999 kwam de pdi-p van Megawati Soekarnoputri als grootste uit de bus. Desondanks werd zij vice-president. In het volkscongres spanden Golkar en de moslimpartijen tegen haar samen. Abdurrahman Wahid werd zo staatshoofd en regeringsleider. Megawati werd pas president nadat Wahid wegens incompetentie door datzelfde volkscongres in 2001 was afgezet. Het grote verschil met toen is dat de president nu op 5 juli direct door het volk gekozen zal worden. Alleen partijen die maandag meer dan vijf procent van de stemmen in de wacht slepen, kunnen over enkele maanden een kandidaat laten meedingen.

Dat de regerende pdi-p waarschijnlijk zal verliezen en door Golkar voorbijgestreefd wordt, is ironisch, gezien de achtergrond van beide partijen. Veel kiezers verlangen terug naar de stabiliteit die onder het juk van Soeharto bestond. De pdi-p is in de ogen van velen verworden tot een corrupte en zelfgenoegzame partij die de «orang kecil» (kleine man) uit het oog heeft verloren. Desondanks loopt Megawati nog altijd voorop in de peilingen voor de presidentsverkiezingen. Er wordt daarom gespeculeerd over een monstercoalitie tussen deze twee partijen. Andere mogelijke partners zijn de vele moslimpartijen die, hoewel negentig procent van de 220 miljoen zielen tellende bevolking moslim is, volgens analisten gezamenlijk geen absolute meerderheid zullen halen. Partijen die een islamitische staat nastreven, zullen wellicht nog verder terugvallen.