Muziektheater: Julius Caesar

Hartenklop

Medium toneel
Julius Caesar in het Amsterdamse Bostheater © Ben van Duin

Shakespeare is sterk in details. In Julius Caesar (1599) schenkt hij Brutus een bediende die doodop is en steeds in slaap valt. Lucius heet hij, een cadeau van een rol. Michiel de Regt, regisseur van de productie voor Orkater in het Amsterdamse Bos, houdt van dergelijke details. Hij doet iets met Lucius wat Shakespeare niet aandurft: de bediende blijft tot het eind bij zijn baas, hij helpt bij zijn zelfmoord. Amarenske Haitsma speelt hem als een gehandicapt joch dat met zijn spasmen veel meters maakt op die enorme speelvloer. Spannend, grappig en ontroerend is dat, het leidt af van de retorische zwarigheid in het verhaal.

De gestileerde details geven de avond een eigen schwung. Neem de moord op Caesar. Een in dans omgezette laatste hartenklop van een stervend lijf. Een lift uit een klassiek ballet in vertraagde herhaling. Voor het noodweer in de tweede akte trommelen twee musici op randen van loopplanken een kletterregen bij elkaar. De waarzegger met zijn waarschuwing ‘pas op voor de Idus van maart’ is Patrick Votrian, die met zijn sousafoon bassend opkomt uit het publiek. De enige opkomst van Brutus’ vrouw Portia (Charlie-Chan Dagelet) ziet eruit alsof ze inbreekt in een repetitie van Brutus’ rockband.

Wilko Sterke is hier componist en muziekdramaturg. Zijn composities voor koper, gitaren, slagwerk en zangstemmen vormen het fundament van deze voorstelling. Met de zuivere en ijle koorzangen over de volksangst direct na de coup als hoogtepunt. De twee cadaveri eccellenti in Julius Caesar (Caesar zelf en Brutus) krijgen beiden een last post, trompetsolo’s die zo van god gegeven mooi zijn (en waarvoor de tijd wordt genomen) dat de nachtvogels in het Amsterdamse Bos er stil van worden. De vorm van Julius Caesar (Janne Sterke, Jochem van Laarhoven, Stefan Dijkman) is monumentaal zonder protserigheid. De kostuums (Jorine van Beek) waaieren alle kanten uit met een helder basiskoloriet – anarchie en chaos, maar in stijl. Het bos, met zijn ruisend gechoreografeerde beweeglijkheid, mag zich weer eens in volle glorie laten zien. En horen. Tijdens de slagveldscènes mengen de verre echo’s van popconcerten in de omgeving zich met het dreigend brommen van luchtmonsters op Schiphol. Op zulke momenten ben je als kijker een nomade in een woeste, illusoire wereld. Deze toneelplek is onbetaalbaar. Op de vierde try-out beginnen de elementen op aanwijzing van Marcus Antonius spontaan te huilen. Een vorm van over acting waar op de avond na de première (de tweede keer dat ik er ben) wijselijk van wordt afgezien.

Natuurlijk is er het gebruikelijk geklaag dat dit geen mensentoneel is maar politiek retorisch koele-kikkertheater. Dat verwijt achtervolgt Julius Caesar al ruim vier eeuwen. De afloop is hier kort, heftig en nuchter. Mattias Van de Vijver transformeert na zijn toneeldood van een kirrende Caesar tot een goeie oorlogsverslaggever. En als Matthijs van de Sande Bakhuyzen zijn Brutus laat zoeken naar de plek voor een stil sterven, wrijft menige kijker zich bij zijn laatste teksten het vocht uit de ooghoeken.

Met dank aan Lucius.


Julius Caesar, t/m 9 september in het Amsterdamse Bos, daarna op tournee langs de schouwburgen