Toneel: ‘Verhaal van myn droevig leeven’

Hartenkreet

Marlies Heuer en Indra Cauwels in Verhaal van myn droevig leeven © Ben van Duin

In het nagelaten archief van de vooraanstaande Amsterdamse koopmansfamilie De Neufville zat tussen de kasboeken en handelscorrespondentie het levensverhaal van Maria de Neufville. Ze moet het voor haar dood in 1779 hebben opgeschreven. Acht pagina’s telt het maar. In het oude Nederlands zonder interpunctie leest het als een non-stop hartenkreet. De leidraad in de ingedikte terugblik zijn alle naasten die Maria verloor. Haar vader stierf toen Maria tien jaar oud was, ‘so dat myn moeder met seven kinderen weeuw bleef dat geen vrolyk huyshouwe gaf’. Toen Maria ook haar moeder verloor, bezweek ze bijna aan het verdriet. Daarna volgden geliefde broers en aangetrouwden, een nichtje dat bij haar inwoonde en zelfs de man met wie ze zou trouwen. ‘Doe kwam alweer die bittere dood’, schrijft ze ter aankondiging van het zoveelste sterfgeval. Ze noemde haar sombere autobiografie: ‘Het verhaal van myn droevig leeven’.

Bij de theatervoorstelling van Rudolphi Producties schiet het publiek zo nu en dan in de lach om de litanie aan treurigheden. Dat komt door de nuchtere, volstrekt onsentimentele manier waarop actrice Marlies Heuer de arme Maria gestalte geeft. Ze speelt de achttiende-eeuwse vrouw niet. Ze maakt zichzelf tot een doorgeefluik voor de stem van een vrouw uit een voorbije tijd. Kaarsrecht zit ze op een stoel. Het enige wat continu beweegt zijn haar witgehandschoende handen, die met een hallucinerende traagte de moeizame levensstroom van Maria verbeelden.

Helder spreekt ze, de oud-Hollandse woorden proevend, soms bijtend van bitterheid. Maar zo treurig en ziekelijk als Maria haar hele droevige leven is geweest, zoveel vuur gaat er uit van Heuers fonkelende blik en haar supergecontroleerde fysieke performance. Het is alsof ze het krachtenspel omdraait: waar haar personage lichamelijk ziek werd door haar mentale leed, toont Heuer de overwinning van de geest op de kwetsbaarheid van het leven. En wie weet hoe levensbedreigend ziek Heuer zelf is geweest – ze heeft er in interviews over verteld – en hoe ze nog altijd te kampen heeft met de lichamelijke gevolgen daarvan, voelt hoe haar eigen verhaal in dat van Maria resoneert.

Na Szymborska en Uit de tijd vallen is dit de derde voorstelling die Heuer maakt met cellist Jan Kuijken. Ook hij zit op het weidse podium, met een vloer van gefotografeerde middeleeuwse klinkers. Met tastende celloklanken, aangevuld met flarden barokke muziek uit een mengtafel die hij zelf bedient, zoekt Kuijken verbinding met Maria’s tijdperk.

De derde medespeler is danseres Indra Cauwels. Zij belichaamt het opstandige meisje dat Maria was voor haar moeder stierf, eerst in renspurtjes, later in afgemeten bewegingen die even helder zijn als Heuers beitelende woorden. Prachtig zijn, in dit afgewogen, zinnelijk mooie samenspel van klank, beweging en beeld, de kostuums van Bernadette Corstens en Dik Boutkan. Ze bevatten elementen van toen: een ruisende rok, een witte kraag, een kuitbroek met kousen voor Kuijken. Tegelijk benadrukken ze hoe drie figuren vanuit het heden zich verhouden tot een verleden waarin de dood, ook in welgestelde kringen, zo’n vanzelfsprekende, bittere metgezel was.


Op tournee tot half maart, zie viarudolphi.nl