Hartgrondig oneens

‘We are all self-righteous hypocrites’, schrijft Jonathan Haidt in zijn nieuwste boek. The Righteous Mind doet denken aan een ted-praatje: een grote theorie en verder veel grapjes, spitsvondige metaforen en quasi-confronterende opmerkingen die niemand echt voor het hoofd stoten – ‘Anyone who values truth should stop worshipping reason.’

De Amerikaanse psycholoog houdt zich bezig met morele en politieke overtuigingen. In The Righteous Mind onderzoekt hij onze morele verdeeldheid: waarom zijn we het zo verschrikkelijk vaak, en zo hartgrondig, oneens over fundamentele zaken? Het Engelse woord ‘righteous’ laat zich niet gemakkelijk vertalen. ‘Rechtvaardig’ ontbeert de religieuze connotaties, ‘rechtschapen’ de in het Engels onvermijdelijke bijklank die expliciet gevat wordt in ‘self-righteousness’ (‘vol van morele eigendunk’). De ondertitel – Why Good People Are Divided by Politics and Religion – verraadt veel: Haidt wil wat onderling begrip kweken. In het eerste deel van The Righteous Mind legt hij uit hoe ons brein minder rationeel is dan we soms willen geloven: onze morele overtuigingen zijn vaak gebaseerd op intuïties, die pas achteraf tot een schijnbaar beredeneerd standpunt worden omgebouwd. In het tweede deel introduceert hij zijn Moral Foundations Theory en beschrijft onze ‘righteous minds’ als ‘een tong met zes smaakreceptoren’. Haidt onderscheidt een aantal morele grondbeginselen die samen functioneren als een zintuig dat wordt geprikkeld door gebeurtenissen en ideeën. In het laatste deel probeert hij een verklaring te vinden voor de paradox dat mensen in moreel opzicht zowel egoïstisch als groepsgericht zijn. Dit alles culmineert in een verhaal over de impasse waarin de gepolariseerde Amerikaanse politiek momenteel verkeert. Hij leunt vooral in het tweede en derde deel sterk op een (omstreden) darwiniaanse theorie die stelt dat evolutie niet alleen op individueel niveau werkzaam is, maar dat ook de strijd tussen groepen onze genetische opmaak beïnvloedt.

Haidts ‘smaakreceptoren’ worden gevat in vijf begrippenparen, vrij vertaald: zorg en schade, rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid, loyaliteit en verraad, autoriteit en subversie en heiligheid en degradatie. Later voegt Haidt nog een zesde toe: vrijheid en onderdrukking. Het zijn telkens kanten van eenzelfde medaille: zaken waar mensen gewoonlijk enige waarde aan hechten en hun keerzijde die doorgaans afschuw oproept. Alle morele systemen prikkelen volgens Haidt een of meer van deze receptoren. Zijn centrale argument in The Righteous Mind is dat liberaal-progressieve morele systemen zich op slechts één of twee van deze grondbeginselen richten. Zorg/schade en rechtvaardigheid (als billijkheid) en onrechtvaardigheid prikkelen het morele zintuig van mensen met een liberaal-progressief wereldbeeld. Terwijl meer conservatieve systemen ‘beter uitgerust’ zijn om het hele ‘smaakpalet’ te bespelen. Doordat ze ook een appèl doen op gevoelens over autoriteit, loyaliteit en heiligheid. Haidt legt zorgvuldig uit hoe deze grondbeginselen een evolutionaire oorsprong (zouden kunnen) hebben en beschrijft helder hoe ze ook nu van invloed zijn op onze overtuigingen.

The Righteous Mind is vooral lezenswaardig vanwege Haidts overtuigende waarschuwing tegen moreel monisme: de neiging één waarde (één smaakreceptor) belangrijker te achten dan alle andere. Ook als aanklacht tegen een al te rationalistisch mensbeeld, niet zelden gecombineerd met een maatschappijopvatting waarin het individu de maat van alle dingen is, is dit boek goed te verteren. Verder snijdt Haidts aanval op de populaire semi-wetenschappelijke religiekritiek hout. (Hier en daar leest The Righteous Mind meer als ‘Richard Dawkins als Misvatting’). Toch wringt er van alles in zijn verhaal. Zo doet hij het voorkomen alsof zijn beschrijving van moraliteit volledig descriptief is, alsof hij zich alleen bezighoudt met hoe het is, niet met hoe het zou moeten zijn. Terwijl hij wel degelijk allerlei moreel geladen uitspraken doet. Hij lijkt zich niet te realiseren dat zijn verhaal, waarin hij bepaalde morele systemen prijst vanwege hun veelzijdige gebruik van de zes smaakreceptoren, ook een waarde­oordeel inhoudt. Dat hij een definitie geeft van wat een ‘moreel systeem’ is, opmerkt dat fascisme volgens zijn maatstaven (wanneer normatief opgevat) hoog zou scoren, om daar vervolgens zonder blikken of blozen overheen te stappen, is eigenlijk lachwekkend.

Je krijgt de indruk dat Haidt zijn eigen verhaal niet kan bevatten. Nadat hij eerder op overtuigende wijze heeft laten zien hoe simplistisch en ontoereikend Jeremy Benthams utilitarisme (men moet zo objectief mogelijk streven naar ‘the greatest good for the greatest many’) is, denkt hij daar ineens op terug te kunnen vallen wanneer het aankomt op concrete beleidsvoorstellen. Niet alleen doet hij hier een nogal gratuite en tegenstrijdige greep in de bak met conservatieve (voor de vrije markt) en progressieve (voor overheidstoezicht op de markt) stokpaardjes, hij weigert ook te erkennen dat beleidskeuzes vaak draaien om zaken waarbij ‘the greatest good’ niet valt uit te rekenen. Het gaat om vraagstukken waarover mensen het op moreel vlak fundamenteel oneens zijn.

Een goed voorbeeld is het homohuwelijk. Terwijl in aanloop naar de verkiezingen in Amerika het debat hierover oplaait, circuleert op internet een foto van Clint Eastwood. Naast zijn uit marmer gebeitelde gelaat staat het volgende citaat, uit een interview met het tijdschrift GQ: ‘Mensen die zo’n ophef maken over het homohuwelijk? Het kan me geen fuck schelen wie met wie wil trouwen. We maken te veel ophef over zaken die dat niet waard zijn. Ze gaan maar door met dat gezeik over “heiligheid”. Gelul. Geef iedereen gewoon de kans te leven zoals hij of zij dat wil.’ Als de conservatieve held Dirty Harry prikkelde hij ooit alle smaakreceptoren, Clint Eastwood zelf begrijpt dat moraliteit toch ook vooral draait om een noodzaak keuzes te maken. En je daarover uit te spreken.


Jonathan Haidt, The Righteous Mind: Why Good People Are Divided by Politics and Religion. Allen Lane, 419 blz., € 26,99