Elitesmart

‘Hartoperaties worden toch ook gedaan door een elite?’

Sinds de forse bezuinigingen op de kunsten en de denigrerende retoriek van ex-staatssecretaris Halbe Zijlstra is er veel debat geweest over hoge en lage kunst. Het stof is neergedaald, maar de smart is er nog.

Medium em

Rome, de Opera. Vanavond wordt de 150-jarige eenheid van Italië gevierd met een uitvoering van Nabucco van Verdi. Met zijn opera’s verenigde Verdi rond 1850 alle zelfstandige delen van Italië, waardoor iedereen zich Italiaan ging voelen en er eenheid ontstond. Nadat het koor het Slavenkoor heeft gezongen draait dirigent Riccardo Muti zich om naar de zaal. Ontroerd, net als het publiek. ‘Leve Italië!’ klinkt het. ‘Ik ben geen dertig meer’, zegt Muti, ‘ik heb mijn leven geleefd. Maar ik ben als Italiaan en als wereldburger erg bedroefd over wat er gaat gebeuren. Dus als we dit lied nog een keer zingen doe ik dat niet om patriottische redenen. Als wij de cultuur vermoorden waarop de geschiedenis van Italië is gebouwd, is ons lieflijke land echt verloren. Aangezien koor en orkest schitterend spelen en dat wat Muti zegt al jaren aan dovemansoren is gezegd, nodig ik u allen uit te gaan staan en mee te zingen: “Va pensiero… o mijn land, zo lieflijk en verloren… de gouden harp zo stil aan de wilgen.” Maar wel in de maat zingen!’

Een fragment uit 2013 uit het VPRO-programma Zomergasten met Johan Simons. Een ontroerde zaal met Berlusconi in het publiek. Als premier sprak hij met dédain over kunst en kortte vele subsidies. Er worden pamfletten gestrooid, de Italiaanse vlag wordt over de balustrades geworpen. Alsof er een oorlog nadert. Het publiek zingt de tekst woordelijk mee en tijdens het ovationele applaus lopen ook bij de koorleden de tranen over de wangen.

Marjoleine de Vos, redacteur en columnist van NRC Handelsblad, zag het fragment en vroeg zich in haar column af waarom het zo ongemeen aangrijpend was: ‘Het is misschien het vertoon van eenheid, een eenheid in liefde, zorg en rouw om wat verloren is gegaan. Aangrijpend omdat ze de kunst beweenden die ze op hetzelfde moment voortbrachten en beluisterden.’ Behalve ontroering voelde ze nog iets anders, iets waar bijna geen woord voor is: elitesmart. ‘Dat er geen elite meer is die echt belangrijke zaken hoog houdt. Daarmee bedoel ik in eerste instantie de kunst. Die ons leven, onze blik daarop, onze beschaving vormt, spiegelt en bevraagt.’

Elitesmart. Het woord laat me niet los. Op een prachtige dag rijd ik naar het huis van Marjoleine de Vos op het Groningse platteland. Uitgestrekte velden met helgeel koolzaad steken af tegen een strakblauwe hemel. In haar huis ruimte en rust, met achteruitzicht op het ruige Groningse landschap. ‘Ik heb heel sterk het gevoel dat we iets kwijtraken’, zegt ze. ‘Dat er nog maar een kleine groep is die dingen belangrijk vindt die een grote groep niet meer waardevol vindt. Als ik naar mijn boekenkast kijk, bevangt mij soms een gevoel van wanhoop. Ik behoor misschien tot de laatste generatie die nog boeken heeft! Ze doen er steeds minder toe. Maar ik wil graag dat ze mij een gevoel van gemeenschap bezorgen, dat ik er vanzelfsprekend aan kan refereren en dat ik daardoor een bepaald type gesprek heb. Je moet niet het gevoel hebben dat je je staat te verdedigen. En dat gevoel heb ik nu vaak wél.’

Elite is iets anders dan rijk en machtig zijn. Voor Marjoleine de Vos belichaamt het woord een kleine groep die breder is ontwikkeld en verstand heeft van kunst en cultuur. Die met kennis en betrokkenheid iets durft te bevragen en kritisch durft te zijn. Intellectuelen die het de moeite waard vinden ergens iets van te weten en daarmee de toon aangeven. ‘Dat betekent niet dat je moet zeggen: wij zijn de elite’, licht ze toe. ‘Maar wel dat je als zodanig erkend wordt. En dáár wringt hem de schoen. Elitair is een scheldwoord geworden. Als je dat etiket op iemand plakt, wil je die persoon beledigen. Dat is wat er aan de hand is.’

Breek hem de bek niet open. Ook theatermaker Johan Simons, op dit moment nog intendant bij het theatergezelschap Münchener Kammerspiele, signaleert in Nederland minachting voor de culturele elite en dédain voor kunst en kunstenaars. Een klimaat dat nog eens extra is aangezet met de uitspraak van staatssecretaris Halbe Zijlstra, tijdens het vorige kabinet: ‘Gelukkig heb ik geen verstand van kunst, dus kan ik heel gemakkelijk bezuinigen.’

‘Dat zou je in Duitsland nooit kunnen zeggen’, stelt Simons. ‘Dan word je de volgende dag bij de minister-president geroepen: ontslag, wegwezen.’ Simons snapt precies wat er bedoeld wordt met het woord elitesmart. ‘De elite wordt niet meer erkend in Nederland. Maar je hebt een elite nodig. Dat zal ik overal blijven roepen. Hartoperaties worden toch ook gedaan door een elite? Op allerlei terreinen bestaan er toppers. Maar zodra het over kunst gaat is het meteen verdacht.’

‘Elitair is een scheldwoord geworden. Als je dat etiket op iemand plakt, wil je die persoon beledigen’

Doordat hij nu bijna vijf jaar in Duitsland heeft gewerkt, heeft hij het verschil tussen beide landen grondig geproefd en keert hij straks extra gemotiveerd naar Nederland terug. ‘In Duitsland’, zegt hij, ‘is de verbinding tussen kunst en politiek vele malen groter dan in Nederland. Bij ons is door Thorbecke in de grondwet vastgelegd dat de politiek zich niet mag bemoeien met de kunst. In München ben ik een vertegenwoordiger van de politiek. De Kammerspiele bestaan honderd jaar en zijn eigendom van de stad. Dat gevoel hebben de inwoners ook. Ik krijg 33 miljoen van de stad en ben volkomen vrij. Alleen moet ik van tevoren verantwoording afleggen over de relevantie van datgene wat ik ga doen. Ik kreeg vijf jaar en heb twee jaar moeten knokken tegen mijn voorganger én omdat ik een Hollander ben. Toen was ik wel bang hoor. O, die cijfers: vijftig procent, zestig procent publiek.’

Hij legt uit: ‘Duitsland kent twee soorten succes: het Feuilleton-succes en het publiekssucces. Het “Feuilleton” is het tweede katern van de Süddeutsche Zeitung, dat over kunst gaat. Daarin wordt op hoog niveau en zeer kritisch en deskundig over kunst geschreven. Feuilleton-succes betekent dat je onderdeel bent van de maatschappelijke discussie, die is daar enorm belangrijk. Dat is het kenmerk van een polemische cultuur. In Holland hebben we een consensuscultuur.’

Na twee jaar gingen de publiekscijfers eensklaps omhoog. Er ontstonden hooglopende discussies tussen voor- en tegenstanders. Simons bouwde daarmee een heel nieuw abonneebestand op. Hij vertelt: ‘Ik doe nu Negers van Jean Genet. Nou, dan moet ik me vasthouden aan de tafel. Alleen het woord neger al! Wat er straks op me afkomt, hou je niet voor mogelijk. Ik ben heel benieuwd of ik die opvoering tot een goed einde kan brengen.’

Johan Simons geniet enorm van de discussie. ‘Het voordeel is dat je in Duitsland het grootste verschil van mening kunt hebben en elkaar daarna de hand drukt en weer gewoon verder gaat. In Nederland is men dan totaal kwaad.’ Voordeel van Nederland is weer dat men hier soepeler en wat losser is. ‘Duitsers zijn perfectionisten. Op vergaderingen is binnen tien minuten een klein probleem een groot probleem en binnen een kwartier is het een catastrofe. Na drie vergaderingen dacht ik: dit kun je toch geen catastrofe noemen. Dat woord hoort bij de Derde Wereld. Ik zou willen voorstellen het woord catastrofe niet meer te gebruiken. Geloof me, ik heb het nooit meer gehoord.’ Hij lacht hard. Befehl ist befehl!’

Simons vindt dat de politiek de verantwoordelijkheid heeft zich te mengen in de maatschappelijke en ethische discussie. ‘Doordat die verantwoordelijkheid niet in de wet staat hangt de waardering voor kunst af van de tijd waarin we leven en van de eruditie van de politici. In de jaren zestig was dat geweldig: werktheater, collectieven, een bloeitijd. Dat is verdwenen omdat er geen politieke verbinding is.’

Ook Marjoleine de Vos trekt de lijn naar de tijd waarin we nu leven. ‘In het ideaal van de socialisten, de verheffing van het volk, zat natuurlijk ook een bevoogdende kant. Daarom werd de kunst ruim gesubsidieerd, want dat was goed voor de mens. De grote ideologieën verdwijnen. Het idee dat er een klein groepje mensen was dat wist wat goed was voor andere mensen hield op populair te zijn. Dat is zelfs bijzonder verdacht. Misschien ook niet helemaal ten onrechte.’

Van Hans Abbing, beeldend kunstenaar en emeritus hoogleraar kunstsociologie aan de Universiteit van Amsterdam, verschijnt volgend jaar het boek The Art Period. Jarenlang volgde hij de ontwikkelingen rond kunst en cultuur en hij is helemaal niet ontevreden over de huidige tijd. Met kanttekeningen. ‘Het klimaat is zeker achteruit gegaan’, zegt hij. ‘Mensen hebben minder respect voor de kunst. De kunstenaar is minder bijzonder geworden. Dat heeft ook gevolgen voor de legitimiteit van subsidies. Het is de vraag hoe de kunst daarmee zal omgaan. Het kan zijn dat men zich vastbijt in autonomie. Dat is niet slim en ook niet goed voor de kunst. Subsidies krijgen telkens een andere verdediging. In de jaren zeventig en tachtig ging het over welzijn: wij weten wat goed is voor de mens. Kwaliteit speelde een grote rol en we moesten ook internationaal goed uit de voeten kunnen. Dat vind ik jammer, want dat kost veel geld.’

‘Ik vind het een schande dat een groot actrice reclame moet maken voor natte doekjes’

Abbing is het eens met Melle Daamen, directeur van de Stadsschouwburg in Amsterdam, die onlangs in NRC Handelsblad ter discussie stelde of Nederland, gezien de globalisering, nog moet vasthouden aan het in huis hebben van alle kunsten, zoals opera, ballet en film, op het hoogste niveau. Zou de ballettraditie in ambachtelijke zin niet in Parijs of Sint-Petersburg beter verankerd zijn? Abbing doet er nog een schepje bovenop: ‘Als je naar een opera wilt, kun je best naar Brussel reizen. Mensen gaan voor voetbal naar Zuid-Afrika. Als je naar Brussel moet wordt het echt een event, een nog exclusievere esthetische ervaring.’ Dat bepaalde kunst hier dan niet meer ontwikkeld kan worden vindt hij onzin. ‘Ik zie voorstellingen van studenten. Heel goedkoop, een heel simpele vorm van opera of toneel, maar heel goed. Wat mij betreft vernieuwend. Kleinere orkesten kunnen ook een hoog niveau bereiken. Ik vind ook de enorme aanwezigheid van kunst in de sociale media fantastisch.’

Abbing relativeert de betekenis van de elite: ‘De elite wil waar voor haar geld. Die vindt het leuk als een kunstenaar radicaal is en de maatschappij wil veranderen. Maar de elite heeft haar privileges en heeft er geen belang bij in beweging te komen. Die privileges zitten voor een deel in het lid zijn van een hogere cultuur.’ Wel vraagt Abbing zich af of niches in de kunst kunnen floreren in een subsidieklimaat. ‘Jonge kunstenaars kunnen wellicht in een vrije markt creatiever en ondernemender zijn en zo een eigen niche creëren die op den duur groter wordt. Ik vind wel dat de overheid moet zorgen voor voldoende infrastructuur.’

Marjoleine de Vos waarschuwt voor de tendens om zowel voor wetenschap als voor kunst alleen subsidie toe te kennen als het iets oplevert. ‘Ik begrijp niet waar het goed voor is, dus geen geld’, vat ze samen, om eraan toe te voegen: ‘ Mensen vinden uiteindelijk andere dingen belangrijker dan geld.’

Simons is het met haar eens: ‘Ik vind het een schande dat een groot actrice reclame moet maken voor natte doekjes. De commercie gebruiken om volle zalen te trekken. Dat is een gevaarlijke tendens. Je trekt volle zalen met radicale stukken.’ Makers moeten volgens Simons veel radicaler gaan denken: ‘Onderwerpen aansnijden die iedereen tegen de haren instrijken, de politiek vóór zijn en wijzen naar de samenleving. Als je standpunt radicaal is, krijg je een radicale voorstelling. Dan gaan mensen zeggen: dáár wil ik heen. Je moet als kunstenaar niet in de tijd willen passen. Je moet je tijd vooruit zijn. De toeschouwer moet in totale verwarring naar huis gaan.’ In Duitsland heeft hij geleerd voor het extreme te kiezen. ‘Doordouwen, doorzetten, geloven in jezelf. Dan komt het succes vanzelf.’

Abbing noemt radicaliteit iets van de jaren zestig, avant-garde in de oude betekenis. Maar het spreekt hem wel aan. ‘Zij het dat je moet openstaan voor een groter publiek dan alleen het elitepubliek. Kunst moet iets eigens hebben, maar wel relationeel zijn, zich verhouden tot anderen.’ Hij zet zich dan ook af tegen de eis tot voortdurende vernieuwing. ‘Herhalen is taboe. Dat is volstrekt idioot. Alle grote kunstenaars zijn zich gaan herhalen. Niet mogen herhalen is jezelf uitschakelen. Telkens nieuwe grammatica leidt tot een autonomie die zinloos is en zich losgezongen heeft van de maatschappij.’

Aan Johan Simons wordt dit najaar de Prins Bernhard Cultuurprijs uitgereikt. Onlangs is hij als een van de negentien leden toegetreden tot de nieuwe Akademie van Kunsten, onderdeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Een nieuwe termijn in München heeft hij afgeslagen, vooral omdat hij heimwee heeft naar zijn huis, een voormalige school vlak bij de Waal. Toch staat er nog een groot project met verschillende kunstdisciplines op stapel in het Ruhrgebied, de Ruhrtriennale, maar dat is een stuk dichterbij dan München. Ook is hij met een groep kunstenaars benaderd door bondskanselier Angela Merkel en voorzitter van de Europese Commissie José Barroso, die bijna letterlijk een noodoproep aan de kunsten deden: kom met Europese plannen, er is veel geld. We willen laten zien dat Europa méér is dan alleen een economische eenheid. Onlangs werd Simons’ plan bekend om een groot Europees theatergezelschap op te zetten. Het liefst in Rotterdam, waar een samenwerking tussen het Ro Theater en NTGent gestalte moet krijgen.

In Nederland constateert Simons een voorzichtige kentering in het kunstklimaat sinds Jet Bussemaker minister van Cultuur is. Hij heeft zichzelf de opdracht gegeven heel goed te kijken naar de wonden die zijn geslagen. ‘Ik wil het aanzien van de kunst herstellen. Laten zien dat kunst noodzakelijk is. Kunst hangt boven de cultuur en moet daarom een objectief gesubsidieerde positie hebben die reflecteert op de cultuur. Dat is altijd de positie van kunst geweest.’

Ook Marjoleine de Vos ziet tekenen van een terugkerende diepgang, juist bij de jongste generatie. ‘Afgelopen najaar gaf ik les aan de Universiteit van Groningen. Een groep studenten van rond de twintig verdiepte zich in de Griekse en Romeinse mythologie. Ze hebben bijna de hele Odyssee gelezen. Ze waren enorm gemotiveerd, dat was zo hoopgevend en vitaliserend. Sommigen lazen het voor het eerst, vergeleken Vergilius en Homerus en vroegen zich af waarom de een hun meer deed dan de ander. Geef mensen iets wat moeilijk voor ze is, waarvoor ze zich moeten inspannen. Dat geeft bevrediging. Gemakkelijk maken leidt tot dodelijke verveling en vraagt telkens nieuwe prikkels.’


Beeld: Die Neger_, van Jean Genet. Münchner Kammerspiele, regie Johan Simons. In november in Amsterdam._ (Julian Röder / Ostkreuz)