MICHAËL ZEEMAN, AAN MIJN VOORMALIG VADERLAND

Hartstocht, diepgang, innerlijke overtuiging

Michaël Zeeman, Aan mijn voormalige vaderland. Het beste uit zijn werk. Samengesteld door Maarten Asscher, Maarten Doorman en Willem Otterspeer, € 34,90

‘Herlezen, het is ermee als met het weerzien van iemand die je in dertig jaar niet hebt gezien: het neemt even voordat je de vertrouwde trekken terugziet en de herinneringen aan zijn eigenaardigheden en gewoonten opleven.’ Zo begint Michaël Zeeman zijn beschouwing over de nieuwe vertaling van Tolstojs Oorlog en vrede. Herlezen, het is een begrip dat in veel van zijn kritieken en essays terugkeert. Bijvoorbeeld in het stuk over het verzameld werk van Bruno Schulz, een schrijver die de lezer dwingt tot traagheid, tot een soort lezen dat op borduren lijkt. Zijn werk, besluit Zeeman, is niet om te lezen, ‘het is er om opnieuw te herlezen, want er is eigenlijk geen beginnen aan’.

Medium zeeman aan mijn voormalig vaderland

Herlezen, voor Michaël Zeeman is het veel meer dan een schat die in je begraven ligt opdelven en opnieuw bezien, waarbij het vertrouwde en nog onopgemerkte om voorrang vechten, herlezen is veel intiemer, als het weerzien van een geliefd persoon. Die personificatie is meer dan een mooie stijlfiguur - herlees Zeemans essays en kritieken en je ziet dat de boeken, en evengoed de schilderijen, toneelstukken en muziekwerken die in zijn geheugen zijn opgeslagen als bekenden zijn, even uit het oog, maar zeker niet uit het hart. Hij schrijft met een hartstocht over ze als waren ze van vlees en bloed. De personificatie is voor mij bij het lezen van Aan mijn voormalig vaderland, de polsdikke keuze uit Zeemans beschouwelijke stukken, helemaal onontkoombaar: de meeste werden in de Volkskrant gepubliceerd en heb ik ooit gelezen; ik kende Michaël Zeeman zo goed dat zijn ‘eigenaardigheden en gewoonten’ allerminst zijn vervaagd. Maar een hernieuwde kennismaking is het, en, zoals hij zelf over Tolstoj schrijft, met iemand die 'zoveel rijker blijkt dan indertijd’.

Michaël Zeeman was bij leven zo alom aanwezig - vrijwel dagelijks stond er wel een recensie, column, reportage of essay van hem in de krant, en anders was hij wel op tv te zien, of leidde hij ergens in den lande een debat - dat zijn werk soms achter zijn niet geringe persoonlijkheid dreigde te verdwijnen. In Aan mijn voormalig vaderland staat ook de bespreking opgenomen die hij wijdde aan de autobiografie van de Duitse literatuurpaus, Marcel Reich-Ranicki, die net als Zeeman op tv een boekenprogramma presenteerde dat gevestigde reputaties vernietigde en literaire carrières stichtte. Het is verleidelijk daarin de contouren van een verkapt zelfportret te zien. Zo ijdel als 'die malle kwibus met dat rare hoofd’ ook was, en hoe hij ook altijd 'iets te luid en nadrukkelijk articulerend’ sprak (in het geval van Zeeman: in iets te gebeitelde predikantenzinnen), en hoe zelfingenomen en gelijkhebberig hij ook kon oreren in zijn slonzige pakken (net te kleine jasjes), met weinig geduld voor tegenspraak - je vergeeft het hem allemaal, aldus Zeeman, als je beseft door wat voor liefde hij gedreven wordt.
Die mateloze liefde, het enthousiasme en de bewondering, lees je ook terug bij Zeeman. Daarbij valt op hoe gul hij in zijn liefde was. Zijn kritieken en essays strekken zich uit van hedendaagse schrijvers als Orhan Pamuk, Jens Christian Grøndahl, Philip Roth, Marja Brouwers, Claudio Magris en Salman Rushdie tot klassieke auteurs als Balzac, Dostojevski, Conrad en Von Kleist. Hij schreef om het even over poëzie, filosofie, geschiedenis, theater, muziek, beeldende kunst en natuurwetenschappen - het laatste niet zonder enige lichtelijk pedante speldenprikken naar de verstokte alfa’s: 'Natuurwetenschappelijke kennis (…) is onderdeel van een beschaving, van het gesprek onder geciviliseerde mensen - en niet het domein van weirdo’s die nu eenmaal graag met hun scheikundedoos spelen.’ En op al die gebieden slingerde hij met groot gemak heen en weer tussen de Oudheid, de Renaissance en de moderne tijd.

Wat ook opvalt: Zeeman was nooit lauw. Hij kon bewonderen en laken, een smaak daartussen kende hij eigenlijk niet. De bewondering kleurde zijn hele stuk, bleek uit zijn fijnzinnige opmerkingsgave en zijn liefdevolle aandacht voor details. Wees hij iets af, dan kon hij snijdend - en bijzonder geestig - zijn. Zoals in de recensie van Peter Verstegen van Baudelaire’s Les fleurs du mal ('Padam-padam-padam doet de tekstverwerker’). 'Ô mon cher Belzébuth, je t'adore!’ dichtte Baudelaire; Verstegen maakt daarvan: 'O Beëlzebub, mijn teerbeminde!’ Zeeman commentarieert: ’“Teerbeminde”: zou ’t? Daar zou Beëlzebub vermoedelijk toch even van staan te kijken. Want je kan hem desgewenst liefhebben, vereren of adoreren - maar hem met “teerbeminde” aanspreken? Dat is meer Jacques Perk tegen Mathilde of Gabriël Smit tegen het kerstkind.’
Kees Fens schreef ooit voor een nummer van De Gids dat aan de literaire kritiek was gewijd een mini-essay over de ideale kritiek. De ideale criticus heeft, in zijn ogen, een verleidelijke stijl; hij blinkt uit in het goed gekozen citaat; zijn kritiek krijgt spankracht door een essayistische stellingname; hij weet het geheel dat hij bespreekt te treffen door uit te gaan van het detail; hij deelt zijn eruditie met zijn lezer; zijn kritiek gaat altijd ook óver literatuur, doet uitspraken over het genre dat hij onder handen heeft. De essays en kritieken in Aan mijn voormalig vaderland voldoen in hoge mate aan die 'wetten’ van Fens, waarbij de essayistische inzet naarmate Zeeman ouder wordt nadrukkelijker wordt. Preciezer gezegd: de essayistische inzet is er altijd al, van begin af aan snijdt Zeeman bij wat hij bespreekt ook grotere thema’s aan (van de werking van het geheugen tot de vraag of maatschappelijke bewogenheid ook een behoorlijk gedicht kan opleveren; van het vraagstuk van waarheid en vooringenomenheid bij het schrijven van een biografie tot de verhouding van de schrijver tot de geschiedenis), maar allengs wordt dit essayisme breder en maatschappelijker. Meer en meer plaatst hij de Nederlandse cultuur in de Europese context en interesseert hij zich voor de invloed van de globalisering op de cultuur, waarbij hij het postmoderne waardenrelativisme en het hokjesdenken van de cultural studies begint te hekelen.

Als je de stukken in Aan mijn voormalig vaderland achter elkaar leest, ben je geneigd een cesuur te leggen bij 11 september 2001. Zijn beschouwing naar aanleiding van de aanslag op de Twin Towers eindigt hij met een vraag van een kind aan haar moeder: 'Mama, is dit nu het ergst wat jij, als het om de geschiedenis gaat, ooit hebt meegemaakt?’ Het antwoord geeft hij zelf. De inval in Praag, de Zesdaagse Oorlog, de Golfoorlog, Kosovo, het staat allemaal in zijn geheugen gegrift, 'maar deze beelden slaan alles wat wij tot nog toe hebben gezien’. Hierna schrijft hij vaker over politiek, polemischer ook, richt hij zijn pijlen op de vaderlandse elite, die bij gebrek aan innerlijke overtuiging een beklemmend vacuüm heeft gecreëerd waar het voor de populisten gemakkelijk inspringen is.
Hartstocht, diepgang, innerlijke overtuiging - Michaël Zeeman had het in overvloed.

MICHAËL ZEEMAN
AAN MIJN VOORMALIG VADERLAND:
DE BESTE ESSAYS EN KRITIEKEN

Samengesteld door Maarten Asscher, Maarten Doorman en Willem Otterspeer, De Bezige Bij, 720 blz., € 29,90

Woensdag 17 november vindt in de Rotterdamse Schouwburg de uitreiking van de Pierre Bayle Prijs voor Cultuurkritiek plaats, die, nog tijdens zijn leven, is toegekend aan Michaël Zeeman. Aansluitend vindt er een debat plaats over de legitimiteit van de kunstkritiek onder leiding van Bas Heijne. Zie www.deunie.nu