Hartstochtelijk nadenken over pop

Op Crossing Border zoeken literatuur en muziek elkaars grenzen op, zo heet het, als ze al niet met elkaar vervlochten raken. Dit jaar staan er meer auteurs dan voorheen en is er aandacht voor tijdschriften, dvd’s en film. Ooit dreef Louis Behre, de baas van het festival, The Other World bookstore. Je kon er terecht voor cassettebandjes, speciale edities en obscure tijdschriften, speciaal geïmporteerd. Het zat op een tussenverdieping van een platenzaak, Any Records. Zijn zoon reed op de brommer de flyers rond voor zijn eerste evenementen.

Toen al zei Behre nadrukkelijk dat er voor hem geen verschil was tussen genres als proza en poëzie, en ook niet tussen disciplines. Dat is nog steeds te merken. Naast een ruim aantal bands staan er schrijvers, theatermakers en een heel roedel jonge Vlaamse performers rond de aanstekelijke dichteres Els Moors, die onder de naam BOEST optreden. Ook Mischa Andriessen is van de partij, wiens debuut Uitzien met D tussen proza en poëzie in zit. Dat doet het opvallend goed, dat genre. Zo won Tjitske Jansen deze week opvallenderwijze de Anne Bijnsprijs voor Koerikoeloem. Je zou het haar tweede dichtbundel kunnen noemen, maar feitelijk is het een radioboek dat ze voor De Buren insprak (en dat hier te beluisteren is). Het boekje valt mee te lezen met de uitzending. Al was het de afspraak met De Buren en de VPRO dat het een uniek voor de radio geschreven tekst zou zijn, wat belet het haar om het daarna alsnog uit te geven? Opvallender is het dat de tekst als poëzie beschouwd wordt. Het is een aaneenschakeling van fragmenten die telkens beginnen met: ‘Er was iemand…’ of: ‘Er was…’ een bepaald omschreven personage, die leest alsof iemand telkens opnieuw een verhaal begint. ‘Gedichten’ staat niet op de kaft van het boekje en ook niet voorin, alleen achterop wordt Jansens vorige bundel expliciet poëzie genoemd.

Wat maakt het uit, kun je zeggen. Het is een interessante tekst of een geslaagd project, of het nu een gedicht of geen gedicht is. Praktische vraag is waar het in de boekenkast terechtkomt, en dan vooral die in de winkel. Medekandidaat van de Bijnsprijs was Esther Jansma, wier verzameling van honderd prozagedichten Picknick op de wenteltrap eerder door De Arbeiderspers juist als roman is uitgegeven. Zeker zo geslaagd: de affe, ronde, poëtische fragmenten vertelden samen een verhaal. Dat doet Koerikoeloem ook, maar hoe zouden de critici erop reageren als het als verknipt proza zou zijn uitgegeven?

Een andere grensoverschrijding van papier is het boek De donkere kant van de zon van dichter en theatermaker Bart Meuleman. Meuleman doet dat waarvan hij zich eerst even afvraagt of het wel kan: nadenken over popmuziek. Meuleman denkt hartstochtelijk na. Hij heeft de bevlogenheid van de liefhebber, een fenomenaal geheugen, kennis van details tot de specifieke song aan toe, een fijnzinnig oor dat instrumenten afzonderlijk weet te traceren en een pen die ze weet te behandelen - en hij plaatst muziek steeds in de sociaal-maatschappelijke achtergrond van de tijd en locatie ervan. Soms heeft hij de neiging om te moraliseren. Dat lijkt dubbelzinnig met betrekking tot popcultuur. Juist pop is het vehikel voor de adolescentie die de mens volgens het boek steeds blijvender moet vergezellen. Meuleman geeft pop een geweten, voorzover en waar pop dat nog niet had. Hij probeert in het boek bij iedere artiest het unieke in het vizier te krijgen. Dat betekent dat hij her en der eerdere jeugdliefdes met scherpe en strenge analyses fileert. Het lukt hem glansrijk. Zijn essays zitten op de grens van het meeslepende van de popjournalistiek en het straffe van de betere literaire beschouwing. Tekenend is dat ze afzonderlijk eerder verschenen in De Gids, De witte raaf en Yang.

Straf, dat is een woord waar ik vaker aan moet denken bij Bart Meuleman, ook bij zijn poëzie. Meuleman redeneert in zijn essays. Kan dat wel, redeneren over muziek? Pluspunt is dat hij zeer leesbaar schrijft en zeer goed te volgen is, of je het nu altijd met zijn oordelen eens bent of niet en van de muziek in kwestie houdt of niet. Want het gaat nog steeds over smaak, natuurlijk. De donkere kant van de zon gaat van iconen uit: Dusty Springfield, The Beach Boys, Joni Mitchell, The Eagles, Neil Young, Lou Reed, David Bowie, Joy Division en Morrisey. Op de achtergrond zijn altijd Dylan, de Beatles en de Stones aanwezig en de grote namen uit de jazzmuziek. Meuleman legt vakkundig uit wat de functie en invloed van de grammofoonplaat is, en die van de radio en de iPod. Hoe razendsnel modes elkaar opvolgen in de muziek. Leonard Cohen ontmaskert hij als een niet al te belangrijk dichter die koketteert met zijn beperkingen, van wie het opmerkelijkste is dat hij is gaan zingen. Meuleman noteert: ‘Poëzie is die taalkunst die aan haar eigen klank, de verinnerlijkte klank van de stillezer, genoeg heeft. Lyriek behoeft de zangstem als noodzakelijke klankkast.’ Hij besteedt veel aandacht aan de rol van producers en de impact van gastmuzikanten op de artiest. Opname is manipulatiekunst, zo schrijft hij. Hij is niet wars van autobiografische omstandigheden, al hekelt hij de pers en luisteraar die alle muziek en tekst in het teken daarvan ziet. De twaalf essays zijn erudiet en pakkend. Meuleman heeft een voorkeur voor enigszins ferme en stevige uitspraken. Bij Bowie schrijft hij: ‘Jawel, alle machismo ten spijt, de popmuziek van de laatste vijftig jaar is door en door verwijfd.’ Over The Beach Boys: ‘Deze muziek is in wezen toch religieus.’ Escapisme is volgens hem de belangrijkste sensatie die pop kan geven. Popmuziek heeft een ‘bedrieglijke welluidendheid’. Over de synthesizer: ‘Een instrument dat liegt.’ Meuleman maakt alle luisterervaringen invoelbaar, omdat hij precies schrijft. Hij appelleert aan hoe zijn lezer het ervaart, zelfs als die weinig kennis heeft van de muziek in kwestie. Over de muziek van Dusty Springfield: er zit een ‘waas op als van tranen op de ogen’.

Mijn bezwaar bij dit boek, voorzover ik dat al heb, is persoonlijk van aard. Ik heb bepaalde dingen anders beleefd, ook muziek en de tijd daarvan. Dat komt het meest tot uiting in zijn essay over punk. Hier lijkt Meuleman met kracht een hoofdstuk te willen afsluiten. Het fenomeen werd ‘een haard van misogynie, homofobie of eenvoudig racisme. Allemaal sentimenten die hij (Meuleman noemt stromingen 'hij’ - el) tezelfdertijd hardnekkig meende te bestrijden.‘ Dat is inderdaad voor een deel zo, punk had iets agressiefs en dat is bedenkelijk, maar dat heeft ook te maken met op welke bands en specifieke periode je inzoomt. Als Meuleman schrijft: 'In de disco hebben vrouwen, zwarten en homo’s zich van meet af aan thuis gevoeld’, ga ik toch een beetje steigeren. Goed, ik ben een paar jaar jonger dan de auteur en elders opgegroeid, maar in mijn jeugd struikelde je onophoudelijk over punkmeisjes, en waren er ook zwarte punks en homopunks. Het thema lijkt moeilijk bespreekbaar, je punkachtergrond of punkverleden, en wie het wel doet, kan vaak op woedende reacties rekenen. Door het fenomeen punk mis ik de pees van de wijsvinger van mijn schrijfhand, waardoor ik een jaar lang vanuit een mitella iedereen onbedoeld aanwees en nog steeds een pen niet normaal vast kan houden. Gevolg van een bijeenkomst in de Up to you, een Haags punkcafé waar The Gang bijeenkwam. Oudere punks moesten jongeren niet, met ingrijpende gevolgen. De radicaliteit van punk lijkt niet verwerkt, en dan zeker literair gesproken niet.

Bart Meuleman komt aan popsterren, toegekende status, fenomenen die voor lezers van verregaand particuliere betekenis zijn. En het kan zijn dat hij die liefhebber en ook ex-liefhebber tegen de haren in strijkt. Dat is de moed van dit boek. En zijn smaak is nu eenmaal melodieus, hij prijst goed in het gehoor liggende muziek. Dat komt het duidelijkst tot uitdrukking in het hoofdstuk over Joy Division en New Order. De eerste draait hij zelden meer, al blijft het ‘de roetaanslag aan de binnenkant. De dichtgegroeide kerf in het vlees, die jeukt als het weer omslaat.’ New Order daarentegen ‘klinkt zo lekker’ en het nog eens opzetten ervaart Meuleman als ‘puur genot’. En dan komt er iets vreemds. Het hele boek lang heeft hij tegenover de onderbuikgevoelens van de popmuziek ethiek geplaatst. En niet voor niets, zo blijkt: neem het gegeven dat zwarte artiesten vroeger niet gehonoreerd werden voor hun composities. Bij New Order schrijft hij in het midden van een lyrische passage over de cd Get Ready dat die het beeld oproept ‘van seks met een minderjarig meisje aan het strand van Ibiza op een zwaarbewolkte dag’. Dat is even grappig na alle politieke correctheid, maar toch een beetje wrang als je in overweging neemt dat zanger Barny Sumner constant achter de knoppen van de opnamestudio aan het flikflooien was met zijn fans en dat al die stroperige sentimentele refreintjes van die liedjes daar ook over gaan. Wat mij betreft liggen die songs tien keer zo ‘depro’ in het gehoor als die van de gothische industriële band waar New Order uit voortkomt, Joy Division. Meuleman spreekt me tegen en heeft daarin een miljoenenpubliek met zich mee.

De geschiedschrijving die Meuleman pleegt met dit boek, de traditie en culturele waarde die hij deze ‘low culture’ toekent, was anders geweest als hij andere muzikanten ten voorbeeld had gesteld. Als hij iets meer aan fine-tuning had gedaan in zijn keuze. Zo rijmt de muziek van Talking Heads niet met enkele van zijn stellingen en hadden fenomenen als Crass en Poison Girls het hele punkhoofdstuk veranderd. Waarom geen aandacht voor de energieke songs van P.J. Harvey en voor het jongetjesfeminisme van de Virgin Prunes (Come to Daddy)? En waar is Wire in dit alles? Natuurlijk, het was een ander boek geworden, maar ook een andere beschouwing. Een tweede boek lijkt me gewenst: wie zo gepassioneerd over de iconen kan schrijven, kent vast ook onbekende parels.

Terwijl De donkere kant van de zon van bekendere fenomenen uitgaat, leidt het boek tot nu toe - in Nederland althans - een vrijwel onopgemerkt leven. Hebben in deze tijd van genreoverschrijding de media geen ruimte meer voor essays? Het zou zonde zijn als dit boek tussen wal en schip zou vallen, het is zowel voor schrijvers als voor muziekliefhebbers uitdagend en relevant. Een Engelse vertaling zou op zijn plaats zijn. Het is encyclopedisch en verfijnd geschreven en richt zich tot decennia aan muziekliefhebbers. Lees het, verdomme. Dit boek vraagt om inmenging en terugspraak.

Bart Meuleman, De donkere kant van de zon. Querido, 220 blz., €18,95