Hashemi rafsanjani

Iran verraste vorige week de wereld door de vrijzinnige Khatemi tot president te kiezen. Maar zijn voorganger, Rafsanjani, blijft aan de touwtjes trekken. Hij blijft de ‘MacIslam’, de economische liberalisering, bestieren. Want God, zo weet Rafsanjani, houdt van kapitaal en beurzen. En van vrouwelijk schoon.
DE VERKIEZING van de ‘verlichte’ geestelijke Mohammed Khatemi tot president van Iran betekent geenszins het politieke einde van zijn voorganger, Hashemi Rafsanjani. Achter de schermen blijft deze hojatolislam - één rang lager dan ayatollah - de machtigste man in het land. Als Khatemi over drie maanden in functie treedt, schuift Rafsanjani waarschijnlijk door naar het voorzitterschap van de Raad van Hoeders van de Islamitische Revolutie, het twaalf man sterke orthodoxe bolwerk dat hij nooit onder controle heeft gekregen.

In die positie kan de 63-jarige zijn grote ambitie verwezenlijken: Iran transformeren tot een machtige en stabiele theocratie, gebaseerd op het gebruik van moderne technologieën en ingebed in de wereldeconomie.
De ‘MacIslam’ is Rafsanjani op het lijf geschreven. Hij laat graag zijn boordje open staan en schuift zijn witte tulband achteloos heen en weer op zijn rossige krullen. Hij lacht vaak en uitbundig en oogt ontspannen te midden van zijn collega’s met hun 'islamitische’ baarden en zwarte tulbanden. In zijn vrijdagpreken veroorlooft hij zich zelfs schuine grappen over het decadente Westen. Achter dit laconieke gedrag gaat echter een volleerde strateeg schuil, wiens persoonlijke macht en visie op beslissende momenten de doorslag geven. Khatemi zal nog lange tijd in zijn schaduw staan.
ALI AKBAR Hashemi Behramaie, in 1934 geboren in Rafsanjan in de bergstreek Kerman, werd door Khomeini zelf geschoold in de theologie. Als blijk van zijn status in de opkomende islamistische beweging belandde hij meermalen in de gevangenis. Tijdens de revolutie van 1979 behoorde hij tot de oprichters van de Partij van de Islamitische Republiek en reeds in 1981 nam hij samen met twee andere mollahs de dagelijkse leiding van het land over. Een week later kwamen tientallen partijleden om het leven bij een bomaanslag, vermoedelijk gepleegd door islamitische mujahedin. De mollahs reageerden met een terreuruitbarsting die in de moderne geschiedenis van Iran zijn weerga niet kent, met volle instemming van Rafsanjani, die als parlementsvoorzitter ongestoord zijn machtspositie uitbouwde.
In de oorlog tegen Irak speelde hij dubbel spel. Aan de ene kant riep hij op tot vernietiging van de vijand, terwijl hij anderzijds het conflict diplomatiek trachtte op te lossen. In 1984 ging hij zelfs op hadj om in het geheim koning Fahd van Saoedi-Arabië te spreken, maar de toenaderingspoging mislukte. Hij regelde onder meer de aankoop van de strategisch belangrijke zijderupsraketten in China en deed zaken met Japan om de Iraanse handelsbalans veilig te stellen. De gerespecteerde Iraanse journalist Nazir Fansa tipte hem al in de jaren tachtig als opvolger van Khomeini: 'Meer dan de andere ayatollahs heeft hij zich onmisbaar weten te maken, op vrijwel alle terreinen lopen de belangrijkste beslissingen via hem.’
Het was Rafsanjani die Khomeini in 1988 dwong tot het legen van de 'gifbeker’, zoals de ayatollah de wapenstilstand met Irak omschreef. Tijdens de Iran/Contra-affaire toonde hij triomfantelijk een bijbel met persoonlijke opdracht van Ronald Reagan, als bewijs dat hij en niemand anders de Amerikaanse gijzelaars in Libanon tegen wapens had geruild. Dank zij zijn veelvuldige aanvaringen met de Verenigde Staten werd hij een meester op het slappe koord van de internationale betrekkingen. Als Iran rond het jaar 2000 over een kernbom beschikt, is dat grotendeels zijn werk. Hij heeft in de loop der jaren eigenhandig de vereiste expertise bijeengebracht en in China, Rusland en Pakistan stukje bij beetje de materiële infrastructuur voor de bouw van de bom aangeschaft.
De dood van Khomeini in 1989 veroorzaakte een ideologische crisis waaruit Rafsanjani als eigenlijke overwinnaar tevoorschijn kwam. Terwijl de Raad der Hoeders de zwakke Ali Khamenei als leider naar voren schoof, promoveerde Rafsanjani met steun van de maatschappelijke bovenlaag van kooplieden en zakenmensen tot president. De bazaari wensten moderne instituties die tegemoet kwamen aan hun economische expansiedrang, te beginnen met een volwaardig bankstelsel. In tegenstelling tot de meeste geestelijken, die op economisch gebied leken waren (en nog altijd zijn), was Rafsanjani in staat om hun dat te bieden. Met zijn ambitieuze toekomstplannen vond hij zelfs bij de theologenvereniging van Qom een willig oor: de geestelijken maakten bezwaar tegen een scheiding van kerk en staat, maar niet tegen een scheiding van kerk en economie.
Rafsanjani schafte de post van eerste minister af zodat hij zijn handen vrij had en begon met het verwijderen van radicale mollahs uit hun machtsposities. Zijn verordening dat parlementsleden op hun theologische kennis en algemene ontwikkeling moesten worden getoetst, was aanleiding tot een potsierlijk intermezzo. Geestelijken die zakten voor de toets, tekenden protest aan; hoewel zij normaal gesproken niets van het westerse concept van mensenrechten moesten hebben, beklaagden zij zich nu over de schending van hun eigen mensenrechten.
Het liefst had Rafsanjani ook een eind gemaakt aan de controlerende taak van de Raad der Hoeders. Zo ver reikte zijn macht echter niet, maar rond 1992 waren de radicalen gemarginaliseerd.
Gesteund door een 'denktank’ van westers opgeleide economen voerde Rafsanjani een indrukwekkende reeks hervormingen door. De 'kinderachtige ideeën van de revolutie’ werden naar het verleden verwezen. In zijn vrijdagpreek doken begrippen op als 'wederopbouw’, 'arbeidsethos’ en 'individuele verantwoordelijkheid’. De voedselsubsidies werden afgeschaft, de vrijhandelszones uit de tijd van de shah werden in ere hersteld en in het centrum van Teheran verrees een moderne beurs. Het nieuwe vijfjarenplan ging uit van 27 miljard dollar aan buitenlandse investeringen. Het voorheen verketterde westerse kapitaal werd op grote schaal binnengehaald.
Tegelijk legde Rafsanjani met zijn liberale beleid de grondslag voor de overwinning van Khatemi. Hij schiep de intellectuele ruimte waarin schrijvers, kunstenaars en academici voor het eerst het wanbeleid van de mollahs kunnen kritiseren. Een nieuw verschijnsel is ook de openlijke kritiek van Iraanse vrouwen op de conservatieven. Rafsanjani’s eigen dochter, de onder jongeren buitengewoon populaire Faiza Hashemi, eist als parlementslid verbeteringen in de wettelijke positie van vrouwen. Om het recht van Iraanse vrouwen op deelneming aan de Olympische Spelen te benadrukken, organiseerde zij een geruchtmakende fietstocht van gesluierde vrouwen door het centrum van Teheran.
Een teken des tijds is ook de 'bekering’ van de filosoof Abdolkarim Soroush, voorheen een ideoloog van het bewind maar tegenwoordig voorstander van de scheiding van religie en staat. Zo ontstond in de stedelijke, goed opgeleide middenklasse een voedingsbodem voor politieke vernieuwing.
OOK OP SOCIAAL GEBIED veranderde er veel. Om de geboortenexplosie in te dammen (meer dan de helft van de Iraniërs is onder de vijfentwintig jaar) werden de klinieken voor geboortenbeperking heropend; God hield voortaan van 'gezonde families’ met twee kinderen. Vrouwen kregen meer onderwijskansen en westerse popmuziek werd oogluikend toegestaan. In het straatbeeld verschenen lossere hoofddoekjes en chique mantels met daaronder dure westerse kleding, want God hield ook van schoonheid.
Het liberalisme van Iraanse snit ging gepaard met een matiging in het buitenlands beleid. Tijdens de Golfoorlog en het conflict tussen het christelijke Georgië en het islamitische Azerbaidzjan stelde Iran zich neutraal op. De leiding benadrukte dat de Islamitische revolutie geen exportprodukt is, in de hoop dat Iran niet langer zou worden geassocieerd met terrorisme. Daar staat tegenover dat Teheran verantwoordelijk is voor de moord op tientallen Iraanse dissidenten in het buitenland, terwijl het nucleaire programma en de steun aan terroristische bewegingen allesbehalve vertrouwenwekkend zijn.
De snelle veranderingen brachten ook honger, inflatie en hogere huren met zich mee. Voor zover bekend leeft twee derde van de Iraniërs momenteel onder de armoedegrens. In 1992 leidde de verharding van het economisch leven voor het eerst tot gewelddadige protesten in de grote steden. De conservatieven putten er nieuwe inspiratie uit en prediken de terugkeer naar een 'eerlijk godsdienstig leven’. Een extremistische groepering, de Ansar-e-hezbollahi, zaait zelfs weer terreur onder feministen, 'secularisten’ en 'westers georiënteerde’ kunstenaars en intellectuelen. Aan dergelijke excessen heeft Rafsanjani’s protégé Khatemi zijn grote verkiezingsoverwinning te danken, maar dat wil niet zeggen dat Iran de weg naar de democratie is ingeslagen.
Ondertussen zal Rafsanjani nog lange tijd de lakens uitdelen, in de rug gesteund door de machtige bazaari voor wie privé-eigendom even heilig is als het bloed van de martelaren.