theater: Antigone

Haten wil ik niet

Het dilemma is er typisch een uit ons tijdvak van het regisseurstoneel. Stel, je maakt een toneelstuk over een moeder in Suurhuisterveen die in een relatiecrisis raakt en uit wraak haar twee kinderen ombrengt, mag je dan op het affiche zetten dat je Medea speelt?

Ik geef toe, op het toneel mag alles. En van Euripides mag het ongetwijfeld ook. Maar kán het wel? Ook als er in zo’n bewerking maar een paar (of helemaal geen) snippers Euripides steken? Het vraagstuk schoot door me heen toen ik een ‘visuele bewerking’ had gezien van Antigone (Sofokles, 442 jaar voor onze jaartelling) door de poppenspeler Ulrike Quade en de choreografe Nicole Beutler. De bewerking concentreert zich op Antigone die (aldus de makers) ‘handelt volgens haar idealen’ terwijl haar zusje Ismene ‘de wet volgt’. Zij zijn overigens de dochters van Oedipous; hun broers hebben zich vanwege de macht in hun stadsstaat in een burgeroorlog dood gevochten. Troonopvolger Kreon besluit dat de een, Eteokles, een staatsbegrafenis krijgt, terwijl de ander, Polyneikes, niet mag worden begraven en voor de poorten van Thebe moet liggen rotten. Antigone besluit haar broer wel te begraven, wordt veroordeeld en verhangt zich. Het menings­verschil tussen Antigone en Ismene gaat vooral over doodsangst en burgerschroom om de wet te overtreden. Het conflict tussen Antigone en Kreon reikt iets verder en handelt over de waanzin van gelegenheidswetgeving en de absurditeit van staatsraison.

Tot zo ver de feiten. In de Antigone-_bewerking door het duo Quade/Beutler zien we enkele (koor)teksten van Sofokles geprojecteerd. De handelende personages worden gespeeld en gedanst door zogeheten Japanse Bunraku-poppen, half-menshoge handmarionetten die door maximaal drie gemaskerde bespelers per pop worden voortbewogen. We zien Antigone, Ismene en Polyneikes. Pardon? Kreon niet? Nee, Kreon niet. De dooie broer die niet begraven mag worden is er dus wel. Hij opent de voorstelling. Met een martiale vechtsport­demonstratie op artillerievuur-‘muziek’. Daarna volgt een woordloze confrontatie tussen Antigone (met strijdbare hoofdtooi) en Ismene (met burgertruttenkapsel). Waarna de eerste het doodgevochten lijk van haar broer bedekt met een slobbertrui en zich kort daarop, bij gebrek aan verder discours, opknoopt aan een gereedhangend touwtje. Ismene ontdekt haar lijk in een kraaienmars en beweent haar in een elektronisch versterkt snikken. Dan volgt nog een monoloog waarin Ismene zich beklaagt dat ze niet zo beroemd is geworden als haar heldhaftige zusje. De makers wisten klaarblijkelijk niet dat daar al een mooie toneeltekst over is, _Zus van door Lot Vekemans. Deze rare monoloog lijkt vooral te willen aantonen dat Bunraku-poppen ook kunnen roken.

Het is een poos geleden dat ik me in een toneelzaal zo bekocht heb gevoeld. Van de kern van het Antigone-verhaal, of het nu de Sofokles-versie is of alle daarna geschreven varianten, van Racine, Hölderlin, Brecht of die van Anouilh (die overigens binnenkort weer wordt gespeeld), is hier geen spoor te bekennen. Of het zouden de zilte stofsporen van een of andere mediocre damesontroering moeten zijn. Wat de kern van Antigone misschien is? Wellicht de volgende dialoog uit Sofokles (in de vertaling van Johan Boonen).

Kreon: Een vijand wordt geen vriend omdat hij dood is.

Antigone: Ik wil beminnen – haten wil ik niet.

Kreon: Dan ga jij maar beminnen: bij de doden – wie je wil. Ik laat mij niet gebieden door een vrouw.

Aan de dames Quade en Beutler een vriendelijk verzoek: blijf af van klassieke stof die u (nog) niet beheerst.


Antigone speelt tot eind november in het hele land. Inlichtingen: www.ulrikequade.nl of www.nbprojects.nl