De groeiende politieke polarisatie in de VS

Have a nice day

Al winnen de Democraten volgende week de verkiezingen voor het Amerikaanse Congres, de loopgraven blijven zo diep dat er van enige dialoog geen sprake is. Langzaam sterft het politieke debat. Een slotbalans van twee jaar correspondentschap in de VS.

‘Als God niet Edward Hicks had geschapen, had Amerika nooit zijn ziel gekregen.’ De conservator van het Metropolitan Museum of Art in New York kent geen twijfel. Maar wie was Edward Hicks? Hicks (1780-1849) was een prominente dominee van de Quakers, een streng christelijke geloofsgemeenschap waarvoor de komst van een vredesrijk op aarde centraal stond, niet alleen in het hiernamaals of na het einde der tijden. In deze vredige toekomst is ‘de wolf gast van het lam, legt de panter zich neer naast het bokje; groeien kalf en leeuwen samen op (…) speelt een baby bij het hol van de slang, en steekt een kleuter zijn hand in het nest van de adder’ (Jesaja 11: 6-9).

Het is de verbeelding van deze regels die Edward Hicks onder de titel Peaceable Kingdom gedurende zijn leven zo’n zestig keer schilderde. Een leeuw, een slang en andere wilde beesten gebroederlijk bij elkaar in de Amerikaanse natuur. Altijd weer.

In de jaren dertig van de twintigste eeuw werden de schilderijen van Hicks opeens razend populair, omdat kunstliefhebbers in de VS op zoek waren naar ‘authentiek Amerikaanse kunst’: helder en primitief. Na de ‘ontdekking’ van Hicks bleken miljoenen Amerikanen hun nationale gevoel op het natuurlijke vredesbeeld van Hicks te kunnen projecteren, zelfs de modernistische avant-garde, waardoor Hicks uitgroeide tot een van de bekendste Amerikaanse kunstenaars ooit. Ieder gerenommeerd Amerikaans kunstmuseum heeft inmiddels wel een Kingdom. In 1999 werd er op een veiling van Christies 4,7 miljoen dollar neergelegd voor een van de zestig versies.

Hicks’ persoonlijke leven leert dat, ondanks het ideaal van universele vriend- en broederschap (de Quakers heten ook wel ‘Het Religieuze Genootschap der Vrienden’), dit vredesrijk slechts was voorbehouden aan zuiveren van geest en geloof. Voor Hicks betekende dat: gelijkgestemden. Hoewel alle levende schepselen uiteindelijk vrienden worden, in zijn eigen leven steunde hij juist zijn invloedrijke neef Elias toen die zich in 1827 als ‘Hicksite’ woedend afsplitste van de toch al niet zo grote Quakers-sekte. De bittere animositeit die volgde zou pas in 1955 tot bedaren komen. Tussen al die theologische muggenzifterij en keiharde verwijten door was het telkens weer schilderen van het vredesparadijs kennelijk een soort bezweringsritueel om het ideaal van wereldwijde broederschap, ondanks de onderlinge ruzies, ten minste in de verbeelding levend te houden.

Toen ik zeventien jaar geleden naar Amerika vertrok, had ik nog nooit van de kunstenaar gehoord. Maar eenmaal oog in oog met een Kingdom, ergens gedurende mijn jaar aan een Amerikaanse universiteit, meende ook ik er een zinnebeeld van Amerika in te zien. Juist door die tegenstelling: de door Hicks opgeroepen rust en broederschap aan de ene kant en de felle strijd die zijn leven kenmerkte aan de andere kant. Want als achttienjarige was ik verbaasd over de vriendelijkheid van Amerikanen. ‘Have a nice day’, ‘Wonderful to meet you’, iedereen was zo aardig, de hele dag door. Tegelijk begreep ik hoe hardvochtig de ontstaansgeschiedenis van dit land was. Met hoeveel strijd die gepaard was gegaan, niet alleen met de indianen, maar ook onderling. Ieder meningsverschil was goed voor heksenvervolgingen of, vaker nog, het breken met de afvalligen en verder trekken in dit destijds onmetelijke land. Op Cape Cod, een lang schiereiland in het uiterste oosten van de oude pioniersstaat Massachusetts, vind je iedere kilometer landinwaarts de kerken van de volgende afsplitsing van de geloofsgemeenschap waar je net langs bent gereden.

In het jaar van mijn aankomst, 1989, verscheen het boek Albion’s Seed, een baksteen van bijna duizend pagina’s waarin de historicus David Hackett Fischer liet zien, vooral in de slothoofdstukken, hoe de sterke ideologische tegenstellingen onder de Engelse kolonisten verschillende regionale culturen creëerden die tot op heden de nationale politiek domineren. En die nog altijd de opvattingen over onderwijs, geweld en regering bepalen.

Dus ging ik op zoek naar die tegenstellingen. In culturele zin lukte dat wel, in zo’n groot land. Maar in politieke zin kwam ik niet ver. In de staat waar ik woonde, destijds gedomineerd door de Democratische Partij, ontwaarde ik wel iets van vage afkeer tegen de meer libertaire elementen die aan de oost- en westkust de Democratische Partij binnendrongen. Maar de articulatie ervan was zwak. In San Fransisco en New York hoopte ik op meer woede en politieke verontwaardiging, aan beide zijden van het politieke spectrum, maar ook daar bleek er onder alle aardigheid nauwelijks sprake van onwrikbare maatschappelijke opvattingen. Sociaal-economische verschillen konden wel tot verhitte gesprekken leiden, maar die bleven hoffelijk en waren vooral gericht op concurrerende opvattingen over een oplossing. Harde politieke strijd werd weggewuifd.

Veel Amerikanen wilden me ervan overtuigen dat ze hun stembiljet altijd ‘splitsten’: als zij voor het presidentschap een Republikein kozen, zouden ze voor het Congres op een Democraat stemmen en vice versa. De sterke partij-identificatie, zoals ik die als tiener in Nederland had leren kennen, bestond hier niet. Oké, vrije ondernemers en bankiers bleken door de bank genomen Republikein, vakbondsleden en minderheden Democraat. Maar de meeste Amerikanen bevonden zich daar ergens tussenin.

Veel was nog hetzelfde toen ik in het voorjaar van 2004 opnieuw voor langere tijd naar Amerika vertrok. Maar niet die politieke luwte. De keiharde strijd tussen twee nagenoeg even grote kampen drong tot in de details van het dagelijks leven door.

Al op Dulles Airport, even buiten Washington DC, ontwaarde ik de pepermuntjes die als ‘impeachmints’ bij de kassa lagen, in doosjes met daarop een verloren kijkende Bush. Bij dezelfde kassa stond de razend populaire ‘action doll’ van Ann Coulter, de slanke blonde advocate die als opiniemaker conservatief Amerika behaagt. En de button met ‘Annoy a Liberal, Work Hard and Be Happy’.

Op de snelweg ontelbare auto’s met Bush- of Kerry-stickers. Niet vreemd, want het was een paar maanden voor de presidentsverkiezingen. Wel opvallend waren de vele anti-stickers. Doorgestreepte W’s, teksten als ‘Impeach Bush’, ‘Asses of Evil’ met daaronder de portretten van Cheney, Bush en Rumsfeld, ‘When Clinton Lied, Nobody Died’. En, de enige grappige: ‘The Last Time a People Listened to a Bush, It Wandered Around the Desert for Forty Years’.

Het andere kamp deed er niet voor onder. Het VN-logo als schietschijf, ‘Nazi Hillary’, ‘John Kerry – Backing Communism Since 1971’ en, van het grappige soort: ‘Stop Global Whining’, ‘Save the Males’, ‘Except for Ending Slavery, Fascism, Nazism & Communism, War Has Never Solved Anything’ en ‘Don’t Steal. The Government Hates Competition’.

Boekhandels bleken bijna altijd twee volle kasten tegenover elkaar op te stellen, één met anti-Bush-boeken, de andere met geschriften tegen de ‘liberals’, die in Nederland ‘linkse kerk’ zouden heten. In de linkerkast is Bush afwisselend een godsdienstgevaarlijke gek, een gevechtslustige, dyslectische, cocaïne snuivende maniak of het presidentszoontje dat over de rug van de gewone Amerikaan zijn bedrijfsvriendjes wil helpen. In de rechterkast moeten de liberals het ontgelden, vooral Hillary Clinton, Howard Dean en Edward Kennedy, samen met Michael Moore en enkele bekende feministen uitgebreid geportretteerd in het veelverkochte 100 People Who Are Screwing Up America. Het zijn staatsgevaarlijke, vaderlandsondermijnende en hypocriete bomenknuffelaars.

Verder in deze kast onder meer Liberalism Is a Mental Disorder van Michael Savage, tevens auteur van het populaire The Enemy Within: Saving America from the Liberal Assault on Our Churches, Schools and Military. Ann Coulters belangrijkste boek Treason: Liberal Treachery from the Cold War to the War on Terrorism en Malkins Unhinged, Exposing Liberals Gone Wild. En natuurlijk alle vijf boeken, in forse stapels, van de koning van de rechtse verontwaardiging, de Fox-presentator Bill O’Reilly.

In de linkerkast stond onder meer Sweet Jesus, I Hate Bill O’Reilly. Verder een paar boekjes met ‘bushisms’, koddige versprekingen van de president. Robert F. Kennedy Jr’s Crimes Against Nature: How George W. Bush and His Corporate Pals Are Plundering the Country and Hijacking Our Democracy. Het boek How the Right Wing Is Turning America in a One-Party State en natuurlijk The I Hate George W. Bush Reader: Why Dubya Is Wrong About Absolutely Everything.

Dit zijn niet zomaar een paar titels, dit zijn bestsellers. Voor een uitgebreidere lijst, pro- en anti:>>>

Toen ik eenmaal aan het werk was, bleek de vriendelijkheid van Amerikanen in al die jaren niet verminderd. Maar begin je over politiek, dan klinken er verontwaardiging en woede in hun stem die zich slecht verhouden tot de dagelijkse have-a-nice-day’s. Iedereen waant zich in de oppositie, gemarginaliseerd door een vijand die het land in noodtempo naar de ratsmodee helpt. Democraten klagen, begrijpelijk, over hun politieke positie: Witte Huis, Congres en Hooggerechtshof zijn in handen van de tegenpartij. Republikeinen klagen op hun beurt steen en been over de overmacht van Democraten in de academische wereld (slechts vijf procent van de universiteitsprofessoren noemt zichzelf conservatief) en de liberale inslag van de amusementsindustrie. Vooral Hollywood moet het ontgelden, helemaal toen Michael Moore in het verkiezingsjaar 2004 werd gelauwerd met een Oscar. Een jaar later schalde de verontwaardiging opnieuw toen de Academy maar liefst twee films over euthanasie uitriep tot zowel beste buitenlandse als beste binnenlandse film.

Op de televisie woedt vooral de rechtse verontwaardiging. Kampioen Bill O’Reilly windt zich iedere avond in zijn No-Spin Zone op over weer een schandelijke aanslag op de Amerikaanse ziel, waar dan ook in het land. Het is hem al snel teveel. Een season greeting zonder het woord ‘Kerstmis’ of ‘Pasen’ of een opmerking over de stijgende armoede in de kapotte buitenwijken van New Orleans zijn genoeg om zijn toorn te wekken. Vervolgens worden sukkelige Democraten verantwoordelijk gesteld en vermorzeld onder de bombast van dit opgeblazen, gewiekste en zelfs enigszins charismatische rancunevat, een specimen waarvan de Nederlandse beeldbuis nog verschoond is gebleven.

Ook op de radio is O’Reilly een graag gehoorde host, maar daar wordt hij nog overvleugeld door de rondborstige Rush Limbaugh, die wekelijks twintig miljoen luisteraars bereikt. Met zijn scheldkanonnades tegen feministen, homo’s en liberals zou hij het moeilijk krijgen in Donners voorgenomen wetgeving tegen apologie. Praatradio is één grote aanklacht tegen het ‘liberal establishment’, gegoede Democraten die volgens de reactionaire brulboeien van de radiogolf nog altijd aan de touwtjes trekken, maakt niet uit wie de verkiezingen wint. Bush wordt permanent voorgesteld als de gewone, eerlijke jongen die het durft op te nemen tegen al deze duistere krachten met hun wijnkelders, Volvo’s, Franse chalets en een abonnement op The New York Times.

Als frequent luisteraar van praatradio deelt de evangelist Ted Rossing dat beeld. Toch is hij een van die zeldzame exemplaren die in de afgelopen zeventien jaar zijn politieke onverschilligheid heeft behouden. In 1989 deelde ik met hem een kamer van drie bij drie meter in een desolate studentenflat te Minneapolis. Nooit sprak hij over politiek. In 2004 versloeg ik de presidentsverkiezingen vanuit zijn stad, waar hij inmiddels met vrouw en twee kinderen in een groene, ruim opgezette buitenwijk woonde. Het land wordt verscheurd, zo vertelde hij toen, door een ‘cultural civil war’. Hij kon er slecht tegen. Meer dan wekelijks gaat hij naar een zogenoemde ‘megachurch’, met duizenden stoelen en een Coffee Company en religieuze boekhandel er en passant bij. De druk om Bush te stemmen is daar groot. Tijdens een van onze gesprekken werd hij gebeld door een vriend. ‘Ja, hij is een heiden’, fluisterde hij met een steelse blik naar mij. En: ‘Nee, wees niet bang. I’m in.’ Toen hij neerlegde, erkende hij direct tegen zijn vrienden te zeggen dat hij ‘in’ is: hij zal Bush stemmen, de naam van de president hoeft daarbij niet eens te worden genoemd. ‘Anders blijven ze me bestoken en lastigvallen.’ Uit de achterkamer haalde hij vervolgens een kinderboek dat een vriend van de kerk hem had gegeven: Help! Mom! There Are Liberals under My Bed. ‘Niet echt als grap bedoeld.’

Later leerde ik dat de andere kant het boek Why Mommy Is a Democrat heeft geproduceerd, met tuttige plaatjes van een konijn dat haar kinderen behoedt voor een voortdenderende olifant (symbool van de Republikeinse Partij). Ernaast stond, in koeienletters: ‘Mama beschermt haar kinderen, net als de Democratische Partij.’

Op verkiezingsdag twijfelde Ted Rossing nog steeds. Hij klaagde in een brief: ‘People tend to label you and assume all of your views if you say anything good or bad about either Kerry or Bush.’

Beide kampen leven zich op deze manier uit in het polijsten en completeren van het vijandbeeld. Over Bin Laden gaat het zelden. Het betere schelden wordt gereserveerd voor de echte tegenstanders: landgenoten. Op de Republikeinse conventie verklaarde een afgevaardigde zonder enige ironie over filmmaker Michael Moore: ‘Ik denk dat die jongen het meest walgelijke menselijke schepsel is dat ik ooit heb gezien.’ Op Fox News en praatradio is zo’n opmerking normaal. Hun kijkers en luisteraars lezen in ieder geval geen New York Times of Washington Post meer, kranten die beide als stemadvies Kerry gaven.

En ze staan daarin niet alleen. Miljoenen Amerikanen leven dagelijks nog louter in hun eigen gelijk. Dat is mogelijk doordat ieder kamp zijn eigen kranten heeft, zijn eigen televisiekanalen, radiostations en zelfs zijn eigen hobby’s en culturele uitingen. Dat is geen pluriformiteit, maar fragmentatie die ervoor gezorgd heeft dat de media hun rol van scheidsrechter reeds lang hebben verloren.

Door nog slechts de boeken, tijdschriften, televisiezenders en kranten van het eigen gelijk te lezen, lopen steeds minder Amerikanen op steeds minder onderwerpen uit de pas met hun partij. Ook bij een vraag als ‘gaat het goed met de economie?’ ligt het er maar aan aan wie je het vraagt. Twintig procent van de Republikeinen zegt dat het er slecht mee gaat, zestig procent zegt dat het goed gaat. Onder Democraten ligt het percentage precies andersom. Vier procent van de Democraten vindt dat de Irak-oorlog het waard was om te vechten, 84 procent van de Republikeinen vindt hetzelfde. Onder Republikeinen meent 73 procent dat Amerikaanse troepen ‘zo lang als het nodig is’ moeten blijven in Irak, terwijl 64 procent van de Democraten zegt dat ze ‘zo snel mogelijk’ moeten vertrekken.

Dit zijn meningen. Bij feiten is de discrepantie nog opvallender. Een meerderheid van de Republikeinen gelooft nog altijd, aldus onderzoeksbureau wpo, dat Irak actief steun verleende aan al-Qaeda. Ze denken ook nog altijd, in een langzaam slinkende meerderheid, dat Saddam Hoessein voor de Amerikaanse invasie over massavernietigingswapens beschikte.

Eind jaren tachtig zei de bekende senator Patrick Moynihan: ‘Iedereen heeft recht op zijn eigen mening, maar niet op zijn eigen feiten.’ Hoe bekend dit citaat ook is, politieke strategen anticipeerden op het tegenovergestelde. En met reden. Want sinds 1989 hebben zij de discussies over koopkrachtplaatjes en stijgende benzineprijzen succesvol vervangen door een culturele politiek. Voor gegarandeerd succes is de economie immers te ongrijpbaar, zeker als je een laissez-faire-benadering voorstaat, zoals in de VS onvermijdelijk is. Beter kun je een gedeeld vijandbeeld polijsten, en zelfs een eigen versie van de geschiedenis schrijven.

Hoewel de Democraten deze strategie sinds enkele maanden kopiëren, begreep vooral het Republikeinse kamp dit veel eerder. Veel economische tegenvallers onder hun bewind konden ze daardoor te boven komen. Gedurende de gehele jaren negentig, de tijden van geweldige welvaartsgroei, versloegen ze keer op keer zelfs zittende Democraten, Clintons gedoodverfde opvolger Al Gore meegerekend.

In de gegroeide onderlinge weerzin van beide kampen speelt ook het politieke systeem een belangrijke rol. Heeft een partij eenmaal de macht, dan kan ze de grenzen van kiesdistricten zo herdefiniëren dat een afgevaardigde bijna gegarandeerd kan blijven zitten. Dit fenomeen heet gerrymandering, naar de afgevaardigde Gerry die zijn kiesdistrict in 1812 de vorm van een salamander had gegeven. Het werkt nog steeds. Bij de laatste congresverkiezingen, twee jaar geleden, probeerden 401 congresleden genoeg stemmen te vergaren om terug te keren in het Huis van Afgevaardigden: 396 slaagden daarin. Dat is een herverkiezingsscore van 98,7 procent, een Saddam Hoessein-score. Twee van de verliezers waren ook nog eens het slachtoffer van de herindeling die de Republikeinse Partij zojuist in Texas had doorgevoerd.

Als een dictator ergens negentig procent van de stemmen behaalt, wordt er alom getwijfeld aan de geldigheid van de verkiezingen. Dergelijke percentages zijn in Amerika echter vrij gewoon. Want hoe het er ook om spande bij de laatste twee presidentsverkiezingen, in bijna alle staten was het volstrekt duidelijk wie er zou winnen. En als een partij Ohio of Florida verovert, maakt het eigenlijk niet meer uit wat er in de andere _‘too-close-to-call’-_staten gebeurt. In de staat waar ik zelf woonde, District of Colombia, won Kerry de verkiezingen met negentig procent van de stemmen.

Het animo om dan nog te stemmen is niet groot. Het is immers bijna nergens spannend. Slechts vijf van de zittende afgevaardigden wonnen in 2004 nipt, dat wil zeggen met een marge kleiner dan vijftien procent.

Belangrijk gevolg hiervan is dat beide partijen in de greep van fanatici zijn gekomen. Want als de andere partij geen bedreiging meer voor een zittende politicus vormt, kan de enige serieuze tegenstand alleen nog van een partijgenoot komen: in de voorverkiezingen welteverstaan. De opkomst daarbij is nog lager. Alleen apparatsjiks komen, fanatici op de uiterste flank van de partij. Het heeft voor de zittende politicus daarom geen enkele zin om zijn stemgedrag of retoriek op het centrum te richten. Je moet er juist voor zorgen dat de extreme vleugel in je eigen partij zich niet tegen je keert. Daardoor kon het in de jaren negentig gebeuren dat anti-abortus-Republikeinen overal in het land werden verkozen, terwijl de meerderheid van de Republikeinen destijds nog voor het recht op abortus was.

Inmiddels hebben de kiezers op dit punt hun vertegenwoordigers gevolgd. Op andere punten – zeker als het om populaire zaken als de verhoging van het minimumloon en stamcelonderzoek gaat – is het Republikeinse electoraat nog altijd aanzienlijk gematigder dan zijn vertegenwoordigers in het Congres. Maar de vraag is of de anti-Republikeinse golf die het land momenteel overspoelt sterk genoeg is om deze week de muur te slopen die het systeem heeft opgeworpen tegen verandering.

Systeem en houding zijn een kwestie van de kip en het ei. Maar één ding is wel duidelijk: verontwaardiging verblindt. Veel Democraten en Republikeinen zien nog slechts de randen van de eigen loopgraven, wat soms merkwaardige gevolgen heeft. In een van de laatste weken voor ik afgelopen zomer terugkeerde naar Amsterdam bezocht ik de tentoonstelling Newer Orleans in het National Building Museum, het Amerikaanse architectuurinstituut. Aan drie Nederlandse en evenveel Amerikaanse architecten was gevraagd om wederopbouwprojecten voor New Orleans te ontwerpen.

Nederlandse architecten kwamen met aardige ideeën, zoals de metershoge terp die het bureau mdrdv ontwierp voor een plek in de stad tussen verpauperde en poepsjieke huizen in, met op die terp een gemengde ‘groene’ school. De Amerikaanse architecten bleken daarentegen zo boos over de toestand in Louisiana dat ze niets interessants meer konden ontwerpen. Een van hen kon in zijn dolle woede zelfs niets anders verzinnen dan een visualisering – met streepjes – van het verschil in de overheidsuitgaven aan de wederopbouw van New Orleans (enkele tientallen miljoenen) en die van Bush’ belastingverlagingen (een getal met meer dan tien nullen). Geen huis, geen school, geen drainagepompen, niets.

Met dit wanproduct kun je geen tegenstellingen verdonkeremanen of gladstrijken. Deze kunst is geen bezweringsritueel maar een afrodisiacum. De tentoonstelling was aangekondigd als ‘dialoog’. Maar de maatschappelijk geëngageerde Amerikaanse kunstenaar wil helemaal geen gesprek. Hij galmt slechts zijn verontwaardiging in zijn eigen biotoop, het anti-Bush-kamp, onder kritiekloze gelijkgestemden.

Al worden de Quakers van toen nu als fanatici afgeschilderd, Edward Hicks bleef indertijd tenminste in discussie. En hij luisterde soms zelfs. Toen zijn geloofsgenoten hem beschuldigden van ‘worldly indulgence’, wereldlijke hoogmoed, hield hij zelfs enkele jaren op met schilderen.

Nu is dat anders. De conservatieve publicist Ann Coulter schreef een woedend anti-Democraten-boek met de titel How to Talk to a Liberal en de veelzeggende ondertitel: If You Must. Maar dat hoeft niet meer. Er is geen enkele noodzaak nog iemand uit de loopgraven van de tegenstander tegen te komen.

Toen ik deze zomer vertrok was het erger dan toen ik in 2004 aankwam. Op de bumperstickers stond nu: ‘Who Would Jesus Torture?’ Verschillende conservatieve opiniemakers droegen ‘Gitmo-wear’, T-shirts met opdrukken over de gevangenis op Guantánamo, waar ‘terroristen vrij vakantie vieren’. Slechts heel soms, op een mooie dag, hoorde ik twijfel, of zag ik iets ambivalents. Zoals de bumpersticker: ‘I Wasn’t Using My Civil Rights Anyway’.

Humor kan leven op verontwaardiging, maar een grap ontleent zijn effect aan enige afstand. Een paar passen terug. Maar daarvoor bleek de strijd in de VS de afgelopen jaren te heftig.