Havel is niet meer te spelen

Het leek een nieuwe soort van theatersport, de gebeurtenis die zich op 1 december aan het begin van de avond voltrok op het podium van theater De Balie. Een estafettestok, acht eierwekkers en een uitleg van de spelregels kwamen eraan te pas voordat de deelnemers aan het panel hun zegje konden doen. Die uitleg werd gedaan door Ide van Heiningen, die de spelregels had bedacht in een poging om vorm te geven aan de statements die in het panel zouden worden uitgesproken. Iedere spreker kreeg drie minuten om zijn/haar zegje te doen. De sprekers hadden bovendien allemaal een papiertje gekregen, waarop een paar trefwoorden stonden die als leidraad moesten dienen bij de statements. Als de wekker ging, moest het stokje onverbiddelijk worden doorgegeven aan de buurman. Degenen die niet aan het woord waren, moesten op hun beurt wachten. Zittend op de rij stoelen, die met de rug naar de zaal waren neergezet.

Op zich een onschuldige ingreep, zou je zeggen. Een speels jasje voor de woorden, om te voorkomen dat ze zich in een grauwe brij aaneen zouden rijgen. Maar al bij de eerste sprekers verloor de vorm die Van Heiningen had bedacht, haar onschuld. Het werd van een speelse vorm een systeem. En de sprekers voelden zich geroepen om op dit systeem te reageren: om zich er in fel protest tegen af te zetten, het fijntjes onderuit te halen of het met een nadrukkelijke gelatenheid te accepteren. Ze konden de vorm niet negeren, want voor de deelnemers aan dit panel is positie kiezen ten aanzien van de spelregels die hen worden opgelegd een tweede natuur geworden. De personen die in dit panel zaten, zijn namelijk allemaal theatermakers of theaterwetenschappers uit het voormalige Oostblok. En het panel vond plaats in het kader van het programma De dissidente Muze: Kritisch theater in Centraal en Oost-Europa, dat zich de afgelopen week in De Balie voltrok (mede georganiseerd door het Theater Instituut Nederland).
Drie maal werd Van Heiningen een dictator genoemd. Een van de sprekers ging expres langzaam praten omdat hij beweerde anders tijd over te houden. Een andere spreker las uit protest het reglement voor van het openbaar vervoer in Amsterdam. Een derde zwaaide met het tekstje dat hij in voorbereiding van het panel had geschreven, en dat hij nu niet meer kon uitspreken. Een vierde spreker gebruikte de begrippen van het lijstje van Van Heiningen in omgekeerde volgorde, ‘de enige manier waarop ik tegen deze vorm kan protesteren’. Deze laatste spreker, de ex-Joegoslavische dramaturg Jovan Cirilov, stond het langste stil bij de bovenste vraag van het lijstje: de vraag naar zijn functie in het dagelijks leven. Waar de andere spelers simpelweg 'toneelschrijver’ of 'regisseur’ zeiden, somde Cirilov een eindeloze reeks van zelf-definities op. Wat ben ik? Een man die niet weet wat hij moet zeggen. Een man zonder fantasie. Een man die drie keer verlaten is door zijn vrouw. Een engel. Een duivel.
'Op deze manier was het net televisie’, mopperde iemand uit het publiek na afloop van het panel, klagend over het gebrek aan ruimte dat de sprekers kregen toebedeeld. Deels was ik het daarmee eens: de strakke vorm voorkwam dat de sprekers hun verhalen breedte en diepte konden geven. Tegelijkertijd zorgde juist die 'televisievorm’ ervoor dat de sprekers iets lieten gebeuren op dat podium, dat ze zichzelf ter plekke positioneerden in plaats van alleen over hun positie te praten. Maar of dit allemaal nog iets te maken had met de centrale vraag van het panel - namelijk de vraag 'Why can’t we play Havel anymore’? Ik zou het eigenlijk niet weten.