Tsjechië De dissidenten van Charta 77

‘Havel kende geen rancune’

Twintig jaar geleden werd Charta 77 opgeheven. Hoe is het de Tsjechische dissidenten sindsdien vergaan? Sommigen bleven zich inzetten voor mensenrechten, anderen raakten aan de drank. Onlangs overleed kopstuk Václav Havel. Een reportage uit Praag vlak voor zijn dood.

PRAAG - In het stadshart aan de Moldau ligt hotel Intercontinental. De betonnen moloch steekt scherp af bij de boulevard Parizská om de hoek, waar chique modehuizen zich in jugendstil-stadspaleizen hebben genesteld. In Intercontinental hielden de communistische partijbonzen feesten en partijen. Die nomenklatoerasfeer hangt er nog steeds, alle upgrading ten spijt. Met loeiende sirenes en escortwagens vol griezelige types werd Micheil Saakasjvili hier zojuist opgehaald. De Georgische president zal een uur later met hetzelfde vertoon weer bij het hotel worden afgeleverd.
Saakasjvili is eregast van de grote internationale conferentie Democracy and The Rule of Law, die op deze herfstdagen in de Tsjechische hoofdstad plaatsvindt. De organiserende stichting, Forum 2000, werd in 1997 opgericht door Václav Havel en zet zich in voor de mensenrechten over de hele wereld. Beschermheer Havel heeft de confererenden een paar uur eerder in het Zofin-paleis welkom geheten, zachtjes sprekend en broos ogend, maar met een heldere blik achter zijn leesbril. Na afloop zat hij nog even kleintjes in een stoel, omringd door fotografen. Je zag ze denken: nu de allerlaatste kiekjes van de Charta-voorman en oud-president schieten. Lopen kon Havel amper nog. Hij werd met stoel en al vanuit de hal naar een eenvoudige wagen gedragen en vertrok in alle stilte, zonder escort, om nooit meer in het openbaar te verschijnen.
In een zaaltje van hotel Intercontinental heeft de Nederlandse ambassade op deze middag een onderdeel van de conferentie belegd. Het is een forumdiscussie over de zin van ontmoetingen tussen diplomaten uit democratieën met dissidenten uit dictaturen. In de ondertitel wordt een verbinding gelegd tussen de Nederlands-Tsjechoslowaakse relaties van rond 1977 en onderdrukking van nu elders op de wereld: Van Van der Stoel en Patocka tot Cuba, Wit-Rusland en Dalai Lama.
De locatie is symbolisch gekozen. In ditzelfde Intercontinental had op 1 maart 1977 een memorabele ontmoeting plaats tussen Max van der Stoel, op officieel bezoek in Tsjechoslowakije, en Jan Patocka. De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken sprak met de gerenommeerde Midden-Europese filosoof over de kersverse dissidentenbeweging Charta 77, waarvan Patocka medeoprichter was. Diens ‘beste leerling’ Václav Havel zat op dat moment in de beruchte Ruzyne-gevangenis. De bijeenkomst zocht de openbaarheid, zoals te zien is op oude foto’s die nu rondgaan: Nederlandse journalisten (met bandrecorder) zaten erbij.
De ontmoeting viel vanzelfsprekend buiten het officiële protocol en leidde tot een diplomatieke rel. President Husák zegde zijn ontmoeting met de Nederlandse minister af en Patocka werd thuis meteen gearresteerd. Na een ruw verhoor in de Ruzyne-gevangenis overleed de 69-jarige filosofieprofessor dezelfde nacht aan een hersenbloeding. Dit drama had een enorme impact. Patocka was, met zijn uitdrukkelijk Europese visioenen voor Tsjechoslowakije, de filosofische mentor en inspirator van de Charta-intellectuelen.
De fatale afloop legde bovendien een dilemma bloot: is het gewenst dat een representant van een democratisch land tijdens een officieel bezoek aan een dictatuur relaties aanknoopt met dissidenten? Weegt de internationale aandacht voor hun oppositionele boodschap op tegen de repercussies die hun waarschijnlijk te wachten staan?
Op deze vraag reflecteren in het Intercontinental twee oud-chartisten, een Wit-Russische oppositieleider en PVDA-Kamerlid en oud-diplomaat Frans Timmermans. Hoewel het thema actueel is, is er slechts een handvol publiek op de bijeenkomst afgekomen. Frans Timmermans, die in de jaren negentig Van der Stoels adviseur (toen bij de OVSE) werd, formuleert het dilemma: 'Die ontmoeting in 1977 is altijd aan Van der Stoel blijven knagen. Had hij wel genoeg aan de veiligheid van Jan Patocka gedacht? Uiteindelijk had hij er toch geen spijt van. Hij had immers al doende de politieke kracht van Charta 77 openbaar gemaakt.’
Van der Stoel redeneerde strikt vanuit de mensenrechtenverklaring van Helsinki, legt Timmermans uit. Deze was ondertekend door de Tsjechoslowaakse regering en Charta 77 beriep zich erop. 'Als antifascist én anticommunist nam Van der Stoel zijn verantwoordelijkheid: als het met de mensenrechten fout zat, dan was het systeem fout.’
De sociologe en vroegere Charta-topactiviste Jirina Siklová wuift de laatste twijfel over Van der Stoels daad weg: 'Wat hij voor ons heeft gedaan, proberen wij, Tsjechen, nu voor vervolgden van andere systemen te doen.’
Haar Wit-Russische buurman in het forum, Ales Michalevic, kan dit beamen. De oppositieleider en voormalige presidentskandidaat kreeg politiek asiel in Praag. 'Ik werd vorig jaar in Minsk gearresteerd en gemarteld door mannen met maskers op’, vertelt hij na de bijeenkomst. 'Na acht weken lieten ze me vrij.’ Meteen daarna organiseerde Michalevic een persconferentie. 'Na afloop werd ik gebeld door de Tsjechische ambassades in diverse landen en door hun minister van Buitenlandse Zaken Karel Schwarzenberg. Die steun was voor mij en mijn vrouw van levensbelang. Ik was geestelijk gebroken, maar zij maakten mijn zaak zichtbaar. Er werd bovendien diplomatieke druk uitgeoefend op president Loekasjenko. Dissidenten zijn ook ordinaire handel om harde valuta te verkrijgen, niet waar? Ik kon uiteindelijk op een nacht vluchten naar Tsjechië.’
Een van de bezoekers, een Tsjech die in 1968 naar Nederland vluchtte maar nu weer half in Praag leeft, zegt na afloop tegen Michalevic: 'Ik ben er trots op dat mijn vaderland u politiek asiel heeft verleend.’ Terwijl het stadsverkeer met sirenegeloei van politieauto’s tot de ruimte doordringt, vervolgt hij opeens met gedempte stem: 'Heeft u wel gemerkt dat er een KGB'er uit uw land in de zaal zat, die aantekeningen maakte toen u sprak?’
Over de betekenis van Charta 77 is veel geschreven. In de Koude Oorlog beschouwde het Westen de beweging als een dapper geluid in het duister, hoewel er voor de dissidenten geen echte hoop viel te putten uit de vrije wereld. De dissidenten kregen weliswaar veel erkenning, maar dat gebeurde vaak ook lafhartig. Een schrijnend voorbeeld daarvan is de wijze waarop Václav Havel in 1986 de Nederlandse Erasmusprijs kreeg. Het stichtingsbestuur wilde die eigenlijk uitreiken aan Charta 77, maar toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek verzette zich daar persoonlijk tegen, omdat het volgens hem een 'politiek delicate zaak’ was. In overleg met premier Ruud Lubbers werd besloten de prijs uit te reiken aan één persoon die de waarden en ideeën van Charta vertegenwoordigde. Het kabinet stoorde zich vervolgens aan de dankrede die Václav Havel bij de acceptatie van de prijs wilde laten voorlezen, omdat hij zelf uiteraard niet aanwezig kon zijn. Het ging om de passage waarin Havel benadrukte dat het een eerbewijs was aan héél Charta 77 en zich kritisch uitliet over de repressie door de Tsjechoslowaakse overheid. Zo hield Havel, die in eigen land met zijn pen de dagelijkse leugen van de macht wilde doorbreken, de Nederlandse politici onbedoeld een spiegel voor.
Twintig jaar geleden, in november 1992, hief Charta 77 zichzelf formeel op. Ze was niet langer nodig in de nieuwe democratie toen de woordvoerder van de beweging als president in de Burcht zetelde. Václav Havel ontpopte zich tot een vooraanstaand Europees georiënteerd staatsman. Maar hoe verging het de andere dissidenten?
BUITEN miezert het. In de wijnkelders, biertenten en grand cafés zetten toeristen zich na een dag slenteren door de museale binnenstad aan de drank en zware Midden-Europese gerechten. Praag is al weer ruim twee decennia in de greep van het kapitalisme, waarbij de massale toeristenstroom een belangrijke bron van inkomsten is. Van deze bruisende hoofdstad konden de dissidenten ooit alleen maar dromen.
Jirina Siklová bewoont een ruim appartement in een stille buurt met grauwe gebouwen. Hier zou het zomaar 1988 kunnen zijn. Ze ontvangt ons een dag na de bijeenkomst in het Intercontinental met oploskoffie en een doos bonbons. Prominent in de huiskamer staat een versleten pastelgroen bankstel bij een tafel met een dik kleed erop. Langs de wand een glimmend buffet, een typisch standaardmeubelstuk dat de planeconomie massaal produceerde voor het volk. Hoewel Siklová 76 is - 'net iets ouder dan mijn oude vriend Havel’ - leidt ze een actief politiek leven.
'Na de Fluwelen Revolutie heb ik de vrijheid met beide handen aangegrepen om alsnog professioneel tot bloei te komen’, vertelt ze. Want net zoals veel van haar academisch opgeleide generatiegenoten moest ze tijdens het communisme ver onder haar niveau aan de kost komen. 'Niemand was toen werkloos, dan was je een crimineel, daar stond gevangenisstraf op.’
Ze richtte na 1989 aan de Karelsuniversiteit de afdeling gender studies op en twee jaar geleden was ze kandidaat voor het Europees Parlement namens de Tsjechische Groene Partij. En ze zet zich in voor de mensenrechten. De focus ligt op bedreigde politici en intellectuelen uit Wit-Rusland. Met geld van een van zijn vele prijzen richtte Havel zeven jaar geleden voor deze groep de stichting Civic Belarus op.
Siklová pakt een foto van een lachende Havel die zij een week eerder kreeg bij het diner voor zijn 75-jarige verjaardag. 'Het werd gevierd in besloten kring. Er waren wel vijfhonderd vrienden, onder wie de Amerikaanse oud-minister Madeleine Albright. Havel was heel zwak. Na de laatste operatie is hij niet meer opgekrabbeld.’
Deze vrouw met haar korte kapsel, felrode lippenstift en levendige geest was jarenlang een sleutelfiguur binnen Charta 77. Nadat ze het manifest had ondertekend, opereerde ze als smokkelkoerier van het werk van Havel. Alles wat in al die jaren aan toneelstukken, essays en gebundelde brieven (waaronder de beroemde Brieven aan Olga) uit zijn pen kwam, is door haar toedoen bij westerse uitgevers terechtgekomen. Havel werd in het Westen een van de meest gelezen schrijvers uit het Oostblok.
'Iedereen kende elkaar, zo rolde ik erin’, zegt Siklová. Ze zat in een kring van mensen uit gegoede families. Haar vader werkte als huisarts in het appartement waar ze nu woont, totdat zijn praktijk in 1948 werd genationaliseerd.
De filosoof Patocka kende zij van de faculteit sociologie. Na augustus 1968, toen de deuren van 'subversieve’ vakgroepen dicht gingen en een braindrain naar het Westen inzette, bezocht zij thuiscolleges aan de ondergrondse Patocka-universiteit. 'Door de militaire invasie waren we jarenlang lamgeslagen. Met de oprichting van Charta 77 kwam er weer beweging in onze gelederen. Maar de dood van Patocka betekende opnieuw een klap. We realiseerden ons dat zijn werk en dat van anderen niet meer veilig was. De totale vernietiging ervan hing boven ons hoofd. De smokkel verliep via allerlei diplomaten, vooral Duitse en Engelse. Van der Stoel gaf door zijn optreden een impuls aan diplomaten om buiten de officiële paden te treden en contact met ons te onderhouden.’
Onder een regime met overal ogen en oren moesten ze vindingrijk zijn: 'Ik werkte als schoonmaker in een groot ziekenhuis. Dit bleek een fantastische uitgangspositie voor mijn ondergrondse activiteiten, want je kon elkaar op de gangen en in de wachtkamers veilig spreken. Ik kende Václavs broer Ivan Havel en leerde ook zijn vrouw Dasha kennen, die werkte in een fabriek om de hoek. Tussen de bedrijven door rende ik naar die fabriek om materiaal bij haar op te halen.’
Een andere spin in het web was Karel Schwarzenberg, die nu minister is namens zijn kleine pro-Europese partij, tussen de anti-Europese populisten van de grote coalitiepartner. Als balling hielp de excentrieke aristocraat vanuit Wenen het Patocka-archief in veiligheid te brengen en Havels werk te verspreiden. Hij had Václav Havel in de jaren zeventig ontmoet aan een bar in Praag en ze werden vrienden voor het leven. Schwarzenberg keerde na de omwenteling terug naar Tsjechië.
Jirina Siklová zond daarnaast informatie naar het buitenland. 'Ik was in het bezit van een taperecorder, cruciaal in een tijd waarin alle privé-telefoons werden afgeluisterd.’ Ze doet voor hoe ze, om niet getraceerd te worden, met een verdraaide stem berichten opnam. 'De tape liet ik lopen tegen de hoorn van een van de artsentelefoons, terwijl aan de andere kant van de lijn iemand van de BBC de ingesproken tekst verwerkte tot persberichten.’ Zij verliet ondertussen de kamer. 'Als ik weer terugkwam zat de arts met een onschuldig gezicht achter zijn bureau te werken. Dit soort hulp was voor ons van cruciaal belang.’
In 1981 liep ze toch tegen de lamp. Zij kreeg tien jaar cel, maar werd na drie weken vrijgelaten. De reden kent ze niet en wil ze ook niet achterhalen in haar dossier bij de veiligheidsdienst. 'Alles wat erin zou staan, zou ik belastend vinden.’
Haar verzetswerk beschouwt ze als niet meer dan een plicht om de Tsjechische literatuur te redden van de ondergang. 'Iedereen deed een stukje, zonder dat we elkaar bij naam kenden. We waren bewust niet-georganiseerd. Charta 77 was een informele en open gemeenschap, had geen statuten, geen permanent bestuur of een formeel lidmaatschap. Dat paste niet bij onze overtuiging. Het ging ons om de meest basale zaken: het eerbiedigen van de mensenrechten en de fundamentele rechten van burgers.’
Een raar bestaan in een bizarre werkelijkheid was het, geeft ze toe: 'Maar toen leek het normaal. Net als iedereen dacht ik dat het communistische systeem oneindig zou voortduren. Het was totaal verrot, maar ook muurvast.’
Ze loopt naar haar werkkamer. Op een bank is een geïmproviseerd bed gemaakt voor haar kleinzoon, die een nachtje bij oma heeft gelogeerd. In grote lades ligt de weerslag van haar verleden opgeslagen. Ze pakt een boek met een harde grijze kaft om flinterdunne bladzijden met dicht op elkaar getypte tekst. 'Zo werd de samizdat-literatuur uitgegeven. Het manuscript werd op carbonpapier uitgetypt, gebonden en verspreid.’

BEHALVE het werk van Tsjechische schrijvers verschenen in het ondergrondse letterencircuit ook verboden boeken van buitenlandse auteurs, zoals van Karl Popper en Hannah Arendt. Vooral Arendts boeken The Origins of Totalitarianism (1951) en The Human Condition (1958) waren een inspiratiebron. Zij moedigde aan om in een totalitaire staat het vrije politieke denken te cultiveren, en dat probeerden de dissidenten in de socialistische republiek CSSR in praktijk te brengen. De romans van Ivan Klíma en de toneelstukken van Václav Havel getuigen van Arendts ideeën over het opheffen van het verschil tussen feit en fictie: een methode om als soeverein mens te kunnen overleven. Het dagelijks leven van de tirannie wordt daarin gepresenteerd als absurdistische fictie of als groteske werkelijkheid, met immer de humor als reddingsboei.
'Dit is werk van Ivan Klíma, dat zie je aan de codes.’ Siklová legt uit dat auteur en titel gecodeerd werden en eerst ontcijferd moesten worden. Een enkele keer klopten de verwijzingen niet, zoals uitgerekend gebeurde bij De lotgevallen van de brave soldaat Svejk, een roman uit 1923 van Jaroslav Hasek, die vanwege de ironie niet door de censuur kwam. Spotzucht gold als anticommunistisch.
Vanaf een ansichtkaart in de boekenkast loert president Tomás Masaryk met zijn ouderwetse snor, pet en bril. De grondlegger van de moderne democratie in het interbellum gold als een voorbeeld voor de strijd van Charta 77. Op tafel ligt het fotoboek After the Spring Came the Winter van de gebroeders Karel en Ivan Kyncl, die schitterende zwart-witfoto’s maakten van de clandestiene cultuur. In een propvolle kamer vol sigarettenrook woont een groep studenten een thuiscollege van Jan Patocka bij. Op een andere foto hangt een groep slungelige jongeren in het gras tijdens een ontmoeting met Poolse dissidenten vlak over de grens. In een thuistheater wordt Macbeth opgevoerd. De bijeenkomsten zouden zo van westerse linkse intellectuelen in dezelfde periode kunnen zijn. Maar op een foto zie je ook een ontmoeting van chartisten in café Slavia met op de achtergrond politie. Hun strijd tegen het gezag vond onder totaal andere omstandigheden plaats dan die van de protestgeneratie aan de andere kant van het IJzeren Gordijn.
'Niet iedereen is het goed vergaan’, resumeert Jirina Siklová. 'Veel mensen leefden ongezond en zijn tamelijk jong overleden. Ook zijn veel dissidenten na de omwenteling cynisch geworden, omdat ze zich niet aan de nieuwe werkelijkheid konden aanpassen. We leden jarenlang een geïmproviseerd bestaan waarbij het verzet tegen de macht samenviel met onze identiteit. Bovendien leefden we in de illusie dat door de onderdrukking onze individuele potentie niet tot wasdom kon komen. Na de omwenteling moesten we voor het eerst onze capaciteiten in concurrentie met anderen zien waar te maken. Niet iedereen kon dat aan, en dan raakte je makkelijk aan de drank.’
Ze vertelt over een vriend die paranoïde is: 'Hij leeft in zijn herinneringen en bestudeert zijn dossier uit het archief van de veiligheidsdienst om het verleden te reconstrueren, inclusief zijn echtscheiding en persoonlijke relaties die daarin minutieus zijn vastgelegd. Dat bleek pijnlijk te zijn.’
Een verpest leven? 'Welnee, we werken al weer ruim twintig jaar aan onze nieuwe maatschappij.’ Ze brengt onder de aandacht dat veel oud-chartisten tussen 1990 en 2003 in de regering-Havel zaten, zoals de inmiddels overleden minister van Buitenlandse Zaken Jiri Dienstbier, of anderszins succesvol zijn geworden. En ook zetten velen zich, net zoals zijzelf, in voor mensenrechten en vrede, bij een van de vele stichtingen die Havel oprichtte. 'Havel heeft nooit rancune gekend tegenover zijn onderdrukkers. Dat is uniek.’
Ze moet naar een afspraak, zet haar pet op en stift haar lippen bij. Even zie je de schoonheid terug van haar beeltenis op oude foto’s. Ze lacht. 'Doe de groeten aan Ivan.’

IVAN CHVATÍK is codirecteur van het Archiv Jana Patocky - een onderzoeksinstituut annex archief rond het werk van Jan Patocka. Het archief leidt een nogal weggestopt bestaan in een paar ruimten van het Centrum voor Theoretische Studies, dat is gevestigd in een oud gebouw aan de Jilská, een straat in hartje centrum. Binnen ruikt het naar verse verf. Het materiaal van en over Patocka is deels opgeslagen in geklimatiseerde ruimtes en wordt vooral nog gekoesterd door mensen die vroeger zelf betrokken waren bij de totstandkoming en verspreiding ervan. De filosoof heeft buiten een zeer kleine kring van internationale specialisten nooit echt naam gemaakt.
Op de gang staan kasten waarin rijen dik de samizdat-publicaties uit de periode 1977-1989 liggen. Een aparte plek hebben de boeken van Jiri Nemec, die met Havel en Patocka tot de oprichters van Charta behoorde. Hij emigreerde in 1982 naar het Westen. Daarnaast staan gebonden banden met de filosofische uiteenzettingen van Patocka. Deze edities hadden zijn studenten bezorgd voor zijn 69ste verjaardag, vlak voordat hij overleed.
Ivan Chvatík (1941) schuift zijn bewondering voor Patocka niet onder stoelen of banken: 'Hij was een moreel hoogstaande persoon en als vertolker van het nieuwe humanisme in betekenis vergelijkbaar met Heidegger. Hij had na jaren bureaucratisch gezeur net zijn officiële papieren voor zijn hoogleraarschap rond toen de militaire inval in 1968 een definitief einde maakte aan zijn carrière.’
In een vitrinekast op zijn werkkamer liggen tientallen buitenlandse vertalingen van Patocka’s boeken. In het Japans, Chinees, in het Perzisch. 'En hij is nog altijd actueel. Dit boek over zijn filosofie verscheen in 2008 in Wit-Rusland.’
Op 1 januari 1990, toen een groot deel van het Patocka-archief vanaf het landgoed van de familie Schwarzenberg in Beieren terugkeerde naar Praag, zijn ze begonnen met het ontsluiten ervan, van briefwisselingen met vrienden en secundaire literatuur tot tapes van zijn colleges tussen 1972 en 1976. Het is een karwei waaraan nog geen einde is gekomen.
Net als Jirina Siklová stond Ivan Chvatík aan de basis van de reddingsoperatie van literaire en wetenschappelijke publicaties. Ze wisten dat wel van elkaar, maar slechts in het vage. En zijn omstandigheden waren op een wonderlijke manier totaal anders dan de hare. Als ingenieur in de elektrotechniek werkte hij ten tijde van de Praagse lente bij een staatsinstituut dat de eerste computers in het land ontwikkelde. Op het moment dat de apparaten werden geïnstalleerd vielen de tanks binnen. Chvatík wilde ontslag nemen, maar zijn baas wilde hem vanwege zijn expertise graag houden. En toen zag hij zijn grote kans.
De computerafdeling zat in het ministerie van Financiën, in het hol van de leeuw. 'Daar had ik contact met iemand die met ons sympathiseerde. Op onze afdeling stond een kopieerapparaat, een enorme luxe in die tijd. Tot in 1989 heb ik duizenden pagina’s documenten en manuscripten gekopieerd. Die nam ik in mijn aktetas mee naar huis om over de grens te laten smokkelen. We brachten onze spullen bijvoorbeeld naar het buitenhuis van de West-Duitse ambassadeur. Ik weet niet of ik zo dapper was of dat de communisten zo stom waren. Mijn dossier bleek na de val van het communistische regime te zijn vernietigd. Misschien vanwege dat ene contact op het ministerie, ik heb geen idee.’
Chvatíks illegale werk begon in 1977, op de dag van Patocka’s dood. 'Wij vernamen het bericht via Radio Free Europe op zondag en wisten hoe lui de veiligheidsdienst kon zijn. We zijn toen naar Patocka’s huis gegaan, dat goddank wat achteraf lag, en hebben in alle haast zijn hele oeuvre in weekendtassen gestopt en achter in de auto gezet. Het is onder meer met hulp van een Canadese diplomaat verplaatst naar het Beierse landgoed van de Schwarzenbergs. Die Karel Schwarzenberg is een good guy, maar wat een onconventioneel type! Op een gegeven moment stond hij doodleuk met een zak geld in onze slaapkamer, waar mijn vrouw in bed lag. Zo ging dat toen soms.’
Chvatík vindt dat hij een goed 'tweede’ leven heeft gekregen. Hij reist de hele wereld af om op congressen over zijn grote leermeester Patocka te spreken. En elke woensdag treft hij oude Charta-vrienden in de kelderclub van Lucerna aan het centrale Wenceslasplein, een entertainmentpaleis dat voor de oorlog de familie Havel toebehoorde, en na de Fluwelen Revolutie grotendeels weer.
Toch moppert Chvatík een beetje: 'Ach, de jongeren weten nauwelijks meer wat Charta 77 heeft betekend. Maar ook toen al werden wij door de bevolking niet begrepen. Dat kwam misschien ook door de communistische propaganda die ons afschilderde als een stel hippies en verwende bourgeoisintellectuelen.’

DIE AVOND zitten Daniel (1977) en Tomas (1980) in een buurtcafé in de oude volkswijk Vrsovice. Ze vertellen desgevraagd dat ze 'wel eens over Charta hebben gehoord, maar niet precies weten hoe het precies zat’. Beiden groeiden op in de verstilling van het Boheemse platteland. Hun herinneringen aan het communisme gaan vooral terug naar de eerste vijf jaar ná 1989, als contrast met hoe het daarvoor was: 'Onze boerenfamilies kregen het slecht, omdat de vaste afzetmarkt voor landbouwproducten in één klap instortte.’
Zijzelf zijn ook vooral bezig 'om te overleven’. Daniel heeft daartoe 'een saaie baan bij een bank’ genomen. Hij is niet geïnteresseerd in politiek. 'Toen ik jong was, worstelde ik meer met mijn eigen identiteit. Maar ik besef wél wat Havel voor ons land heeft betekend. De huidige politici zijn corrupt en het kapitalisme is slecht voor de menselijke relaties.’
Tomas, werkzaam in de alternatieve toeristenbranche, herinnert zich de omwenteling van eind 1989 vaag: 'Onze juf gaf van de ene op de andere dag geen Russische les meer. Alle oude schoolboeken verdwenen in een week.’ Beiden hebben hun ouders nooit gevraagd hoe het vroeger was. Daniel, die joods is, hoorde van zijn ouders dat 'de Duitsers erger waren dan de Russen’. Het ouderlijk huis van Tomas is van verdreven Sudeten-Duitsers geweest. Maar hoe dat toeging, geen idee. Ze lijken zich er nauwelijks van bewust hoe onvrij het leven van hun ouders vóór eind 1989 is geweest.
Dan stommelt iemand het café binnen die ze wel degelijk als oude chartist herkennen. Het is Vratislav Brabenec. 'De saxofonist van de Plastic People of the Universe!’ De muziek van die oude undergroundband, daar hebben ze niks mee. 'Maar Brabenec is toch een soort held van toen, hè.’ Ze kijken hem met ontzag na en gaan dan naar buiten om eindelijk hun joint op te steken.
Zijn woeste en ongewild wankele levensweg is Brabenec aan te zien. Hij is een 'oorlogskind’, vertelt hij, 'per ongeluk geboren, denk ik. En ergens eind jaren vijftig heb ik me op de free jazz gestort.’ Hij krijgt een stoel aangeboden, iedereen kent hem hier in de buurt. Hij heeft de wilde baard en lange witte manen waaraan je een bepaald slag kunstzinnige oud-dissidenten herkent. Hun hippie-uiterlijk lijken ze te koesteren als een symbool van verzet uit de dagen die hun finest hour waren.
De stoel heeft Brabenec hard nodig. Tussen hazenslaapjes en borrels van allerlei komaf door schetst hij flarden uit zijn leven. 'Ja, ik was erbij in 1968. Maar wat waren we toen naïef. Tsjechoslowakije was helemaal niet rijp voor een “Praagse lente”.’
Brabenec blies en piepte vanaf dat legendarische jaar 1968 in de Plastic People of the Universe free style op zijn saxofoon. Ze lieten zich inspireren door Frank Zappa. De band was een maand na het neerslaan van de Praagse lente opgericht. Als gevolg van de zogeheten 'normalisering’, de culturele ijstijd die de sovjet-Russische bezetters hadden bewerkstelligd, werd de band na 1970 een professioneel muziekleven onmogelijk gemaakt. In 1976 werd Brabenec samen met een paar andere PP-leden tot gevangenisstraf veroordeeld, in zijn geval acht maanden, anderen kregen nog meer. De schijnprocessen tegen deze band vormden de directe aanleiding voor de oprichting van Charta 77.
'Ik heb Charta 77 direct ondertekend toen ik uit de gevangenis kwam’, murmelt Brabenec. 'Want Havel zelf had me dat gevraagd. Met vrouw en kinderen ben ik toen het land uitgewezen. We zijn naar Canada gegaan. Daar heb ik noodgedwongen mijn oude beroep opgepakt, tuinarchitectuur. Ik legde tuinen aan van de oost- tot de westkust.’
Voor tuinarchitectuur had hij in Tsjechoslowakije nog geleerd, vertelt hij. Net als voor theologie. Maar daar had hij weinig aan in Canada. 'Pas in 1997 ben ik naar Tsjechië teruggekeerd. Kort erna heb ik bij het twintigjarig jubileum van Charta 77 met een heropgerichte versie van de Plastic People op de Burcht gespeeld. Havel was er die avond niet bij, hij was toen erg ziek.’
Brabenec krijgt het even te kwaad bij de herinnering aan die gebeurtenis. Sinds een jaar of tien mag hij zich de leider van de heropgerichte band noemen. 'Hier in het café bewaren ze gelukkig de gitaar van onze jonge, nieuwe basgitariste. Die was ze kwijtgeraakt.’
Wat zijn gelukkigste tijd was? 'Nu!’ roept hij opeens zeer wakker. Dan zakt hij weer weg en stamelt iets over Kierkegaard, dat 'de tijd een ogenblik is, en zodra je erbij stilstaat, is die tijd alweer vervlogen’.
Terugblikken op een door het communisme vergald leven valt niet mee. Het lot van Vratislav Brabenec is dat van vele Tsjechoslowaakse kunstenaars geweest, en van hun fans. Charta 77 was opgericht om een constructieve dialoog met de overheid aan te gaan over de schendingen van de mensenrechten. Er werden 242 handtekeningen verzameld onder het manifest, om die op 1 januari 1977 openbaar te maken. Op weg naar de Burcht werd de groep van Havel gearresteerd. In de jaren daarna ondertekenden steeds meer mensen; in 1989 was het aantal gegroeid tot dertienhonderd. Maar de massa wilde er, ook vanwege verregaande persoonlijke consequenties, niks mee te maken hebben.

DERTIG JAAR later omschreef Václav Havel de organisatie als volgt: 'Een bont allegaartje van trotskisten tot hervormingsgezinde communisten, verschillende typen socialisten, liberalen, christen-democraten of conservatieven. Het bestaan van een gemeenschappelijke vijand en een gemeenschappelijk antitotalitair programma, gebaseerd op mensenrechten, zorgde er echter voor dat iedereen aan hetzelfde touw trok in bepaalde fundamentele zaken.’
De Britse historicus Tony Judt stelt in zijn boek Na de oorlog: Een geschiedenis van Europa sinds 1945 (2005, Nederlandse vertaling 2008) dat de strijd van Charta 77 er niet meer een was tegen een klassieke dictatuur maar tegen de groteske vervreemding. De sovjetideologie verloor in 1968, met de inval in Praag, aldus Judt, haar laatste restjes geloofwaardigheid. Voor hardnekkige gelovigen deed de publicatie van De Goelag Archipel van Alexander Solzjenitsyn in december 1973 de rest. Niet voor niets lieten de dissidenten in de Oost-Europese landen na 1968 elke hoop op hervormingen varen en concentreerden ze zich voortaan op de 'klassieke’ mensenrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en vrije verkiezingen. Het doel van groepen als KOR in Polen en Charta 77 in Tsjechoslowakije was de reconstructie van een civil society.
Maar, vervolgt Judt, het systeem stortte in 1989 niet ineen door het optreden van de dissidenten: 'Hoe moedig ook, ze hadden slechts een marginale betekenis. De kern van het probleem was de structurele zwakte van de planeconomie. Bovendien liep de zaak totaal vast in bureaucratie, corruptie en incompetentie. Het Oostblok, inclusief de Sovjet-Unie, was begin jaren tachtig rijp voor de sloop. De man met de hamer kwam in het voorjaar van 1985: Michael Gorbatsjov. Eindelijk waren de Oost-Europese landen verlost van de verstikkende omarming van de grote bondgenoot in Moskou.’
Die tijd is nu in Praag weggeëbd. Toeristen laten zich liever, als exotisch vermaak, in een gelikte Communism & Nuclear Bunker Tour informeren over 'het communisme dat bol stond van paranoia, spionnen en geweld’, aldus de reclamefolder, dan dat ze in het verleden van de oppositiebeweging duiken. Maar dat verleden wordt hun ook niet op een presenteerblaadje aangereikt. Behalve dat oud-dissidenten bescheiden over zichzelf zijn, waren hun activiteiten intellectueel te complex voor de gemiddelde verstaander van nu.
In het Museum Kampa, een particulier gefinancierd kunstmuseum op het gelijknamige eiland in de Moldau, is een kleine expositie gewijd aan Charta 77. De begeleidende tekst is in het Tsjechisch, dus moeten de buitenlanders het doen met beelden. Er liggen samizdat-publicaties en de foto’s aan de wand en de videofilm vertellen chronologisch het verhaal. Daar zijn de weekendtassen vol met werk van Jan Patocka. Het exil-archief in Beieren. De eerste vergaderingen na de omwenteling van 1989. En op foto’s zie je steeds weer Václav Havel langskomen, maar bijna even vaak Jirina Siklová. In de lange 'normalisatieperiode’ na 1968 ogen ze vitaal maar ook, als je beter kijkt, ietwat tobberig.
Siklová maakte tien jaar geleden in het essay What Did We Lose After 1989? de balans op. Ze beschrijft hoe met het wegvallen van het gezamenlijke protest tegen de staat de oude vriendengroep politiek uitwaaierde in verschillende lobby’s en partijen en veel vriendschappen sneuvelden. 'Na 1989 verloren we onze ready made identiteit en integriteit. Voorheen leefden we in een soort merkwaardige kinderlijke onschuld. Nu is er niet een of ander mirakel meer dat ons leven drastisch zal verbeteren. Maar ik zeg, voor mezelf: godzijdank werden we eindelijk volwassen.’


Een halve eeuw dictatuur
In 1939 werd Tsjechoslowakije bezet door Hitler-Duitsland. Na de Tweede Wereldoorlog viel de republiek binnen de invloedssfeer van de Sovjet-Unie. In 1948 grepen de communisten de macht en begon een stalinistisch regime. De industrie werd genationaliseerd, de landbouw gecollectiveerd en tegenstanders werden aan schijnprocessen onderworpen. Toen president Klement Gottwald vlak na de dood van Stalin overleed kwam een einde aan de ergste repressie, maar Tsjechoslowakije bleef een van de hardste dictaturen binnen het Oostblok.
Begin 1968 gloorde er hoop op verandering met het aantreden van een groep hervormers onder leiding van Alexander Dubcek. Zij streefden naar ‘communisme met een menselijk gezicht’. De periode van relatieve vrijheid – de ‘Praagse lente’ – duurde slechts een half jaar; in augustus vielen troepen van het Warschaupact binnen en vluchtten duizenden intellectuelen naar het Westen. Kritische schrijvers zoals Václav Havel (1936-2011) kregen een publicatieverbod en moesten hun paspoort inleveren.
Een maand na de inval richtten muzikanten en kunstenaars de rockband Plastic People of the Universe op. Zij hadden geen politieke agenda maar eisten net als hun generatiegenoten in het Westen slechts hun eigen levensstijl op. Na jaren van toenemende vrijheidsbeperking en een officieel speelverbod kregen zij in 1976 gevangenisstraf opgelegd. De schijnprocessen tegen de band leidden direct tot de oprichting van Charta 77. De auteurs van het manifest – Václav Havel, Ludvík Vaculík, Jan Patocka, Jirí Hájek, Jirí Dienstbier en Pavel Kohout – gelden als de grondleggers van deze dissidentenbeweging. Zij werden onmiddellijk gearresteerd. Het kat-en-muisspel tussen de machthebbers en de dissidenten zou in de jaren daarna onophoudelijk voortduren. Václav Havel zat drie keer vast, in totaal bracht hij vijf jaar door in de gevangenis. Zijn gezondheid leed sterk onder de barre omstandigheden van zijn detentie.
In het najaar van 1989 eisten burgers, rammelend met sleutelbossen, het vertrek van de communistische regering van president Milos Jakes op. Havel speelde in Burgerforum, waarin veel Charta-leden zitting hadden, een hoofdrol in de Fluwelen Revolutie. Op 29 december koos het parlement Havel tot president van de overgangsregering, gevolgd door een formele bekrachtiging bij de eerste vrije verkiezingen in juli 1990. Twee jaar later viel het land uiteen in Tsjechië en Slowakije. In hetzelfde jaar hief Charta zichzelf formeel op. Havel bleef na een herverkiezing in 1998 tot 2003 president. Vijf jaar later verscheen er een documentaire over zijn uitzonderlijke loopbaan van toneelschrijver/dissident tot president. Voor Obcan Havel (Burger Havel) was hij dertien jaar lang met de camera gevolgd door zijn vriend Pavel Kouteck?. Havel zou grote moeite hebben gehad met de beelden. Hij besefte goed hoe zijn droom van een vrije democratie in het hart van Europa verdampte in de nieuwe realiteit van partijpolitieke intriges en financiële belangen.