Havel op herhaling

‘WIJ DANKEN DE Here God dat we u, mijnheer de president, hier bij ons hebben maar ik bid u, blijft boven de wolken, want wie bij ons ook maar enigszins afdaalt in het politieke leven kan niet voorkomen dat er met modder naar hem wordt gegooid en dat hij de autoriteit verliest die hij zozeer nodig heeft.’

Aldus sprak in november 1918 Karel Kramár, toen hij als premier van de nog geen maand oude republiek Tsjechoslowakije de inmiddels tot ’s(lands eerste president verkozen Tomás Masaryk in Praag verwelkomde bij diens terugkeer uit Amerikaanse ballingschap.
Masaryk is het lichtend voorbeeld voor Václav Havel - de eerste president van de postcommunistische Federale Republiek Tsjecho-Slowakije, later van de Tsjechische Republiek - die bij gebrek aan tegenkandidaten op 20 januari door de verzamelde kamers van het Tsjechische parlement zal worden herkozen voor een tweede ambtstermijn van vijf jaar. Net als zijn voorganger meed Havel een partijlidmaatschap. En hij herintroduceerde de presidentiële zondagmiddagboodschappen aan het volk, die evenals bij Masaryk een hoog ethisch gehalte hebben.
Anders dan Masaryk slaagde Havel er echter niet in zijn premier op een zijspoor te manoeuvreren. Het is een publiek geheim dat er een fundamentele tweespalt bestaat tussen de Burcht, waar de verlichte Havel presideert, en de Kramárova-villa, van waaruit de neoliberale fundamentalist Václav Klaus tot voor kort de Tsjechische Republiek bestierde. De grondwet, die onder toezicht van Klaus werd geschreven en die ondanks Havels tegenstribbelen het fiat kreeg van het door Klaus’ Democratische Burgerpartij (ODS) gedomineerde parlement, verleent de president dan ook aanzienlijk minder politieke armslag dan ten tijde van Masaryk.
DAT KLAUS na acht jaar machtsuitoefening op 30 november vorig jaar het veld moest ruimen, lijkt dan ook niet te maken te hebben met een complot van een ‘hofcamarilla’, maar vooral met zijn eigen verblindende hoogmoed. De val van Klaus’ tweede kabinet leek al vanaf zijn aantreden halverwege 1996 onvermijdelijk, maar kwam toch nog als een verrassing. De conservatieve regeringscoalitie, die slechts over een meerderheid van één stem beschikte in de tweehonderd leden tellende 'Tweede Kamer’, spatte niet uiteen vanwege haar ook in eigen kring steeds meer omstreden financieel en economisch beleid, maar naar aanleiding van een slaande ruzie binnen Klaus’ eigen ODS over frauduleuze geldtransacties waarmee de partijkas werd gespekt door begunstigde ondernemers en investeerders.
En eindelijk viel het volle licht op de scheiding tussen Havels en Klaus’ geesten. Geruchten en berichten daarover werden voordien stelselmatig tegengesproken door henzelf en hun woordvoerders - ontkenningen die menigmaal werden geïllustreerd met krantenfoto’s en televisiebeelden van een broederlijk bierdrinkend tweetal. Maar toen Havel ruim een week na het aftreden van de regering in het parlement verscheen, etaleerde hij hun principiële tegenstelling breeduit in een toespraak die de archieven in ging als 'Havels Tien Geboden’. 'Degenen die nu aftreden verwijt ik een apathische, bijkans vijandige houding ten aanzien van alles wat maar enigszins gelijkenis vertoont met een samenleving van vrije burgers (civil society - js)’, zo sprak de president. Hij gooide hen 'arrogantie’ voor de voeten en wees op 'onafgemaakte zaken’ - vooral op economisch terrein - waardoor de bevolking in onzekerheid verkeerde. Hij eiste een 'niet-aflatende oorlog tegen het Tsjechisch provincialisme, isolationisme en egoïsme’ en kritiseerde hun laksheid jegens het steeds virulentere racisme als een nationaal-cultureel tekort, want 'cultuur in de breedste zin van het woord wordt niet afgemeten aan het aantal sterren dat dit land bezoekt; het wordt gemeten naar het aantal mishandelde of vermoorde Roma, aan het afschuwelijke gedrag van sommige van onze burgers jegens medemensen, alleen maar omdat ze een andere huidskleur hebben’. Hij hekelde het gebrek aan overheidssteun aan de non-profitsector en het tekortschietend milieubeleid en hij drong aan op hervormingen van de wetgevende en bestuurlijke structuren.
Havel noemde geen namen: volgens zijn woordvoerder had hij het over 'het hele politiek establishment’ gehad, 'de drie coalitiepartijen, zichzelf en de oppositie’. Het overtuigde niet. Terwijl het verzameld 'politiek establishment’ het staatshoofd een staande ovatie bracht, bleef de afgetreden premier demonstratief met zijn handen over elkaar zitten; uit woord- en onderwerpkeuze van de president had zelfs de als slecht luisteraar bekend staande Klaus begrepen dat het vooral tegen hem was gericht. De Kramár van de jaren negentig was immers - eerst als arrogante minister van Financiën van de Federale Republiek Tsjecho-Slowakije, daarna als autoritaire eerste minister van de Tsjechische Republiek - de filosoof, ingenieur en uitvoerder van de postcommunistische hervormingen.
Klaus beet na Havels rede dan ook onmiddellijk van zich af. 'Ik interpreteer de toespraak van de president als een aanval. De laatste acht jaar zijn een gevecht geweest tussen twee wereldvisies. De dent heeft een kijk op de wereld die diametraal tegenovergesteld is aan mijn rechtse ideeën en die toont aan hoe weinig verstand hij heeft van de werking van de markteconomie en van een vrije samenleving.’
Een paar dagen later, nadat Havel buiten Klaus om een nieuwe regering had geïnstalleerd onder leiding van de partijloze gouverneur van de centrale bank, kondigde de wraakzuchtige ex-premier aan dat hij en zijn medestanders in de parlementaire fractie van zijn inmiddels verscheurde partij (ongeveer een derde) niet zouden meewerken aan de herverkiezing van de president.
MET HET VERTREK van Klaus is de laatste propagandist van het ongebreideld kapitalisme van het politieke podium verdwenen. Ronald Reagan en Klaus’ grootste idool in politicis, Margaret Thatcher, met wie hij volgens een Engelse krant een 'incestueuze verhouding’ had, gingen hem voor.
Theoretisch geruggesteund door neoconservatieve profeten als Milton Friedman, de economische goeroe van het reaganisme, en Friedrich August von Hayek, die zowel Reagan als Thatcher van advies diende, introduceerde Klaus al in 1990 een beleid waarvan een bandeloze, want door geen overheidscontrole of -ingrijpen gehinderde vrije markt het einddoel moest zijn. Hij raakte in de ban van Thatchers volkskapitalisme en stelde elke staatsburger van achttien jaar en ouder in staat om tegen geringe prijs aandelen te bemachtigen in te privatiseren staatsbedrijven. Het leek fantastisch en dat was het ook.
Aanvankelijk leek het plan een Tsjechisch Wirtschaftswunder te veroorzaken. Het werd internationaal luid toegejuicht en aan andere ex-communistische landen ten voorbeeld gehouden. Klaus werd overstelpt met eredoctoraten, waarvan de oorkonden de muren van zijn werkkamer bedekten. Maar de laatste anderhalf jaar bleek het Wunder vooral een goede voedingsbodem te zijn voor een ongekende corruptie. De burgers verkochten hun coupons die recht gaven op 'volksaandelen’ op grote schaal aan investeringsfondsen. Deze schoten uit de grond als paddestoelen op een vochtige septemberdag en beconcurreerden elkaar met verlokkelijke prijzen die ze betaalden met geld uit onduidelijke bronnen ('Zwart geld? Wit geld? Ik ken alleen maar geld’, zei Klaus eens tijdens een parlementair debat over zwartgeldcircuits). Of ze leenden het bij nieuwe of al bestaande maar nu geprivatiseerde banken, waardoor die vervolgens in het krijt kwamen te staan bij grotere geldinstanties (waarin de staat nog participeerde), omdat ze de benodigde middelen niet hadden, slechts uitzicht op speculatieve winsten.
Het resultaat was het faillissement van een hele reeks investeringsfondsen en banken. Halverwege vorig jaar, nadat de regering-Klaus twee pakketten financiële en economische bezwerings- en bezuinigingsmaatregelen had genomen om de crisis het hoofd te bieden, leek de fameuze Pankrácgevangenis in Praag wel een sociëteit voor bankdirecteuren; per boevenwagen werden ze aangevoerd.
Het was het begin van het einde van Klaus, die bleef volhouden dat zijn privatiseringsoperatie was geslaagd, dat er geen sprake was van een crisis, dat corruptie en belangenverstrengeling 'ongelukken op de weg naar de vrije markt’ waren en dat wetgeving daartegen weinig zin had omdat 'economische visies belangrijker zijn dan legalistische’; de voorzitter van de Praagse aandelenbeurs, Tomás Jezek, een vroegere vertrouweling van Klaus, merkte na het aftreden van de premier op dat Klaus het concept van de bandeloze markt zou verdedigen 'totdat het grote stelen achter de rug zou zijn’.
Maar toen Klaus’ ODS zelf betrokken bleek bij smeergelden (onder meer zou de partij een geheime bankrekening in Zwitserland hebben), brak binnen de ODS de pleuris uit, alsook bij de coalitiegenoten. Een reeks toonaangevende partijgenoten, onder wie de minister van Financiën, die ooit zijn 'kroonprins’ werd genoemd, eiste het aftreden van Klaus. De partijleider weigerde dat en de twee coalitiegenoten verbraken de banden met de premier.
'INTELLECTUELE dagdromen’ noemde Václav Klaus het gepraat over een civil society, een samenleving van vrije burgers. Daarmee moet hij Václav Havel op de ziel hebben getrapt, want voor de president is het een geloofsartikel.
Zoals het begrip 'sociaal’ voor de Tsjechische neoliberale voorman in navolging van Von Hayek een loos begrip is (Klaus: 'In mijn woordenboek komt het woord sociaal niet voor’), zo is de enige society die Klaus in navolging van Thatcher als civil erkent de vrije markt waarop individuen elkaar rivaliserend dan wel samenwerkend ontmoeten en die koste wat het kost moet worden beschermd tegen het monster van de usurperende staat.
Havel heeft met zijn samenleving van vrije burgers een heel ander beeld voor ogen - om een omschrijving van de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber te gebruiken: een gemeenschap waarbij burgers zich vrijelijk organiseren in open organisaties die los van regering en 'markt’ een bemiddelende rol spelen tussen die twee polen. Een 'maatschappelijk middenveld’ dus, waar burgers niet slechts marktkooplui en consumenten of stemvee en onderdanen zijn, maar mondige, onafhankelijke, vrijwillig verantwoordelijkheid dragende acteurs, die belangen van algemener aard behartigen dan die van het naar winstmaximalisering strevende bedrijfsleven en van particulierder gehalte dan die van de naar collectivisme neigende staat.
Het is deze tegenstelling die jarenlang voor kilte heeft gezorgd tussen de president en de premier: Havel met zijn credo dat in de eerste plaats de democratische spelregels en structuren moeten worden verbreed en verdiept en dat economische hervormingen daarbij wel helpen maar geen doel op zichzelf mogen zijn; Klaus met zijn gespiegelde versie van Marx’ historisch materialisme: als de economie eenmaal geheel is omgebouwd tot een volkomen vrije, geprivatiseerde markt komt de rest, ook de democratie, vanzelf.
WAT HAVEL nastreeft met zijn project voor een civil society achten vele beschouwers van het Tsjechische reilen en zeilen niet minder dan het ontketenen van een mentale revolutie bij een bevolking die nog ernstig lijdt aan het Finis Bohemiae-syndroom dat de befaamde Praagse melancholie veroorzaakt. Dat vindt in ieder geval de Duitse slavist en journalist Christian Schmidt-Häuer, die Praag al dertig jaar lang nauwlettend in de gaten houdt.
Doordat de Tsjechen in de geschiedenis keer op keer door externe machten zijn verraden, is het een achterdochtig en op zichzelf gericht volk geworden. Protestants Europa liet Bohemen in de zeventiende eeuw in de steek en leverde het over aan de Habsburgse contrareformatie, die probeerde de Tsjechische identiteit definitief de kop in te drukken. Tijdens de Eerste bliek onder Masaryk kreeg het Tsjechische vrijheidsideaal voor het eerst heuse gestalte. Dat heeft veel bijgedragen aan de legendevorming rond deze eerste president, te meer omdat een jaar na zijn dood het democratische Europa Tsjechoslowakije uitleverde aan nazi-Duitsland. Stalin na 1948 en Brezjnev in 1968 vernietigden het soort socialisme waarvoor de Tsjechen zelf hadden gekozen. En alle keren werden de Tsjechen van hun elite beroofd door moord, gevangenneming of emigratie. Schmidt-Häuer: 'Onvoorwaardelijke onderwerping was voor de Tsjechen steeds weer de enige manier om lichtheid van bestaan te verwerven.’
Participatie en het aanvaarden van persoonlijke verantwoordelijkheid, waar Havel om vraagt, zijn voor een Tsjech dus gevaarlijke zaken. Zes jaar nazi-overheersing en veertig jaar horigheid aan de Sovjetunie hebben mensen opgeleverd die bij voorkeur afwachten en de zaken overlaten aan personen die een sterke, zelfbewuste, desnoods arrogante indruk maken. Vandaar wellicht dat Václav Klaus met zijn soms botte zelfingenomenheid en geloof in eigen onfeilbaarheid zo lang op de volksgunst kon rekenen - en nog steeds, als je ziet hoe de gewone afdelingsafgevaardigden hem na de val van de regering met overgrote meerderheid tot partijleider herkozen, dit tot woede van de meerderheid van de partijtop.
VACLAV HAVEL, de schuchter ogende en vaak als twijfelende intellectueel overkomende dissident die de Tsjechen in 1989 hun gevoel van eigenwaarde teruggaf zoals Masaryk dat in 1918 deed, heeft niet de politieke manipulatiegaven van zijn voorganger ontwikkeld. Hij lijkt er te fatsoenlijk voor. Of misschien is het te wijten aan het populisme waarmee Klaus door gebruikmaking van een liberaal vocabulaire en anti-etatistische opmerkingen inspeelt op wat de schrijver Ludvik Vaculík in 1968 over politiek opmerkte: 'Burger - dat was ooit een feestelijk, revolutionair woord. Het betekende een mens over wie niemand ongecontroleerd mocht heersen, over wie men slechts kon heersen als hij de indruk had dat hij zichzelf regeerde. Bij de onderdanen die indruk wekken is het doel van een veeleisende specialiteit die men politiek noemt.’
Politiek als indruk wekken, jawel, maar Havel wekt de indruk oprecht op meer uit te zijn. De Tsjechische kranten koppen dezer dagen dan ook weer, net als tijdens de 'fluwelen revolutie’: het land heeft Havel nodig. En menigeen uit de wens dat hij wat vaker uit de wolken zal neerdalen.