‘hazelroeden’, ‘tondeldozen’, ‘ransels’ en ‘kolenbranders’

‘De ransel, het hoedje en het hoorntje’ is sprookje nummer 54 uit de verzameling van Grimm. Gaat het hier om ‘Het scrotum, de voorhuid en de penis’, zoals de beroemde dr. Schuurman meent? Over zin en onzin van sprookjesverklaringen.

ER ZIJN NOGAL WAT WOORDEN en uitdrukkingen die uit ons taalgebruik verdwijnen of verdwenen zijn. Een aantal verkeert op de grens van zijn of niet-meer-zijn, en draagt het stempel van gedateerdheid, plechtstatigheid dan wel ontoepasbaarheid vanwege een ingrijpend veranderde wereld waarin die woorden hun functie is ontnomen. De namen van uitgestorven beroepen en in onbruik geraakte voorwerpen bijvoorbeeld, zijn serieuze kandidaten voor de vergetelheid, al zullen we om cultuurhistorische redenen nog zeer lang de betekenis ervan willen vasthouden. Merkwaardig genoeg zijn er ook wel eens woorden die in het spraakgebruik terugkeren, doordat ze plotseling in een nieuwe context weer levensvatbaarheid tonen.
Toen ik voor het eerst sprookjes las of hoorde, viel het me op dat er af en toe woorden en zegswijzen werden gebruikt die ik niet helemaal begreep en daarom als fascinerend of geheimzinnig onderging. Het waren woorden die wij thuis nooit in de mond namen, omdat ze inmiddels door andere waren vervangen of geheel in onbruik waren geraakt. Er kwam nog bij dat het vocabulaire van mijn ouders waarschijnlijk niet het domein van de door mij als ‘magisch’ ervaren woorden bestreek. Via Grimm, Andersen, Perrault en andere auteurs maakte ik kennis met 'hazelroeden’, 'snijders’ (altijd dapper of schrander), 'wisselkinderen’, 'ketellappers’, 'tondeldozen’, 'ransels’ en 'kolenbranders’. Kolenbranders waren steevast arm en aten alleen maar aardappelen met of zonder smout. Ze woonden diep in het bos en kwamen nooit in een stad of dorp. Schrander waren ze zelden, anders zouden ze niet zo laag op de sociale ladder hebben gestaan. Wat ze precies deden was me niet duidelijk. Ofschoon er al lang geen kolenbranders meer bestonden, legde niemand ooit uit wat voor mensen dat waren. Als kind nam ik het woord veel te letterlijk: het waren lieden die in het altijd klamme, bedreigende woud dagelijks kolen verbrandden. Hoe ze aan die brandstof kwamen en waartoe deze werd verbrand, bleef een onopgeloste kwestie die zonder vragen werd aanvaard. Wat houtskool was wist ik nog niet.
De kolenbrander werkte van de ochtend tot de avond (net als mijn vader) en verdiende nauwelijks een boterham. Het leek me geen begerenswaardig beroep. De man met zijn beroete gezicht had een vrouw en kinderen die hem nog dieper in de armoede drukten (net als ik mijn vader de laatste stuiver kostte). Ik was de mening toegedaan dat de kolenbrander zo eenzaam in het bos woonde om de held of heldin van het verhaal uitkomst te bieden wanneer de nood hoog was gestegen. En dat hij daar eveneens verbleef om zijn magere, ontevreden kinderen 'de wijde wereld’ in te zien trekken om daar 'hun geluk te beproeven’, stond voor mij wel vast.
De arme kolenbrander was verwant aan de al even berooide houthakker (maar niet aan de jagerman, die in sprookjes een heel andere positie en functie bekleedt). Beiden waren in het algemeen goedaardig, gastvrij en goedgelovig, wat met bosvrouwtjes niet altijd het geval bleek. Vooral met oude bosvrouwtjes was het oppassen geblazen: ze hadden dikwijls weinig goeds in de zin en vertoonden verslindende neigingen of hielden een betoverde jongeman of meisje in hun macht.
AL DIE BOSBEWONERS herinneren eraan hoe overheersend de aanwezigheid van uitgestrekte, dichte wouden in sprookjes en volksverhalen is. Men is geneigd hieraan voornamelijk een symbolische betekenis toe te kennen en daarbij uit het oog te verliezen hoe werkelijk die wouden zijn geweest. Het Europese continent was, evenals Siberie, met bos bedekt: het was er duister, vochtig en gevaarlijk. Europa was ook dun bevolkt. Het kon lang duren voor men iemand tegenkwam. Men reisde te voet en mat de afstanden in dagen. Zonder gids of reisgezel verdwaalde men maar al te gauw. De ransel raakte leeg, terwijl het doel nog vele dagreizen verwijderd was. Honger, dorst en toverij loerden achter elke stam, en als de avond viel kon men slechts twee dingen doen: zich hongerig en verstijfd van angst onder een boom te ruste leggen of in een hoge spar klimmen om ergens dat kleine lichtje in een verre kolenbrandershut te ontwaren. De donkerte was destijds totaal. (Toen ik later wel eens in een boom klom, kwam ik erachter dat je nauwelijks iets anders zag dan honderden andere bomen. De ontdekking van een bewoonde plek in het bos eiste blijkbaar een geoefend sprookjesoog.)
Niet bekend
Na al die jaren wordt het me nog steeds bij vlagen vreemd te moede. Maar helaas kan ik mijn geluk elders beproeven. De wijde wereld is niet meer wat ze is geweest. De meeste bossen zijn gekapt; de rest kan het ternauwernood bolwerken. De mooiste en geheimzinnigste plaatsen van weleer zijn onder huizen en asfalt verdwenen dan wel vertrapt door horden toeristen die voor zichzelf (zoals ik onlangs een vakbondsman hoorde zeggen) tweemaal per jaar 'het recht op een stuk zon opeisen’.
BEHALVE DRIE VERPAUPERDE BROERS komen er in het verhaal 'De ransel, het hoedje en het hoorntje’ drie al even arme kolenbranders voor. De laatsten beschikken over drie magische voorwerpen die in drie fasen door de jongste broer worden bemachtigd. Voor het zover is doen de broers eerst drie waardevolle vondsten, terwijl ook alle handelingen telkens drie keer worden verricht. Het is duidelijk in wat voor wereld we hier zijn beland: die van mythen en sprookjes waarin de gebeurtenissen doorgaans drie of vier keer worden herhaald alvorens zich een resultaat of oplossing aftekent. We hoeven er geen al te diepzinnige betekenis achter te zoeken (zoals in bepaalde kringen uitsluitend wordt gedaan) zo lang we het verhaal niet eerst hebben gewaardeerd op zijn vertellende en amuserende kwaliteit. Trouwens, een benadering die naar verborgen betekenissen speurt, beneemt ons vaak het zicht op de tekening van een banale werkelijkheid die, zeker in het volkssprookje, duidelijk - zij het sterk versimpeld - aanwezig is.
Deze werkelijkheid komt dikwijls hier op neer: in sprookjesland en elders heersen autoritaire, zelfs absolutistische verhoudingen en regimes; het volk is arm en lijdt honger; sommigen gaan elders hun geluk beproeven in de hoop op een wonder, dat dan ook geschiedt. Wie iets onderneemt of eropuit trekt wordt beloond. In de mythe zien we een verschoppeling of weeskind aldus een gevierd en onoverwinnelijk stamhoofd worden dat zijn tegenstanders liquideert; in het sprookje wordt een arme kleermaker of schoenlapper de schoonzoon van de koning die een onbeperkte macht uitoefent; in het echt worden krantenjongens miljonairs dan wel beroemde uitvinders of grote geleerden (om maar te zwijgen van gefortuneerde sporthelden die uit de sloppen van stad X of Y afkomstig zijn). In heden en verleden, zo kan men zeggen, is armoe de regel en rijkdom de uitzondering. Alle helden en heldinnen streven ernaar tot de uitzonderingen te behoren.
TERUG NAAR 'DE RANSEL, het hoedje en het hoorntje’ (Grimm, nummer 54), waarvan eerst een zeer beknopte samenvatting: Drie hongerige broers trekken de wijde wereld in en komen in een groot bos. Ze stuiten op een berg van zilver. De oudste neemt zoveel hij dragen kan en keert terug. De twee overgeblevenen gaan verder. Ze stuiten op een berg van goud. De tweede broer vult zijn zakken en keert terug. Van twee broers is aldus de levenswens vervuld. De derde dwaalt alleen verder door een nog groter woud. De honger knaagt, hij klimt in een boom maar ziet niets. Weer beneden treft hij een met spijzen beladen tafeltje aan. Hij eet zich vol, vouwt het tafelkleedje op en neemt het mee. Dan ontmoet hij een kolenbrander die een maal van aardappelen aanbiedt. De jongen weigert, pakt het kleedje ('Doekje, dek-je’) en zorgt voor een rijke dis. De kolenbrander wil het kleedje in ruil voor een soldatenransel met wonderbaarlijke krachten: een keer kloppen doet een korporaal met zes soldaten te voorschijn komen die bereid zijn elk bevel uit te voeren. De ruil komt tot stand. Na zijn vertrek laat de jongen de arme kolenbrander door de soldaten beroven van zijn eerlijk verworven bezit.
Bij een tweede kolenbrander doet zich hetzelfde tafereel voor. Na de maaltijd wil de gastheer een oud hoedje ruilen voor het kleedje. Wie het op zijn hoofd ronddraait tovert veldgeschut te voorschijn dat alles kapotschiet. Na zijn vertrek laat de jongen opnieuw het magische kleedje terughalen. Een derde kolenbrander overkomt hetzelfde: hij biedt een hoorntje aan in ruil voor doekje-dek-je. Wie op het hoorntje blaast, doet muren en vestingen instorten. De ruil wordt beklonken, het kleedje kort daarop teruggeroofd door de soldaten.
Weer thuisgekomen blijkt de jongen door zijn broers niet te worden (h)erkend. Ze gedragen zich als nieuwe rijken en jagen de sjofel geklede bezoeker weg. Deze slaat op zijn ransel tot er honderdvijftig man klaar staat: de broers worden afgetuigd tot ze weten wie hij is. De verontruste koning stuurt een legertje met kanonnen om de indringer te verjagen. Het wordt prompt teruggeslagen. Nu eist de jongen de koningsdochter op en wil hij heerser over het rijk worden. De jonge vrouw lust hem niet maar krijg een huwelijk opgedrongen door de vader, die laf en slechts uit eigenbelang handelt. Zij ontfutselt haar echtgenoot het geheim van de ransel, pakt deze af en laat de jongeman door de soldaten verwijderen (hij krijgt koek van eigen deeg). Daarop draait hij het hoedje rond: het geschut komt in actie en de vrouw smeekt om genade. Er wordt een verzoening geveinsd. Ze rooft vervolgens het hoedje en gooit haar man op straat. De laatste blaast op het hoorntje. Muren en huizen storten in; de koning en zijn dochter vinden de dood onder het puin. De derde broer roept zich uit tot nieuwe heerser over het rijk.
EEN VAN DE BEKENDSTE en opvallendste verklaringen van dit sprookje is te vinden in dr. C. J. Schuurmans veel gelezen en invloedrijke bundel Er was eens… er is nog (Arnhem 1946, Deventer 1984). De psychiater Schuurman (1898-1979) baseert zich op freudiaanse en vooral jungiaanse opvattingen, alsmede op ideeen uit meer esoterisch gerichte kringen. Uit zijn werk blijkt niet dat het structuralisme met zijn baanbrekende mythen-interpretaties enige invloed op zijn benaderingswijze heeft uitgeoefend. Na een uitvoerige inleiding in de sprookjeswereld geeft hij een aantal verhalen volledig weer en laat deze volgen door wat hij een 'uitleg’ noemt. Zijn commentaar op 'De ransel, het hoedje en het hoorntje’ zal ik eerst zo zakelijk mogelijk weergeven.
Schuurman acht het verhaal een voorbeeld van zeer sterke verhulling. In de drie broers ziet hij vertegenwoordigers van drie zielsgebieden: het emotionele, het intellectuele en het scheppende zielsgebied. De eerste broer is tevreden met zilver, dat staat voor onbewust leven. De tweede is tevreden met goud, dat staat voor bewust leven. De derde eigent zich doekje-dek-je toe, dat het magische vermogen van de scheppingskracht symboliseert, een kracht die voortkomt uit het dynamische deel van de ziel. De schrijver verbindt aan deze driedeling van het zielsgebied de kwalificaties 'middelste’, 'hoogste’ en 'vitale sfeer der ziel’. De vitale sfeer der ziel zou de inhoud van ervaringen en herinneringen omzetten in waarden van liefde en schoonheid.
Over de drie kolenbranders wordt weinig meer gezegd dan dat ze werken met vuur en duisternis (roet), en aldus het milieu van de oerenergie belichamen. Met de drie objecten die de derde broer bij hen verwerft, kan hij 'alles wat hij hebben wil’ veroveren. De betekenis van ransel, hoed en hoorn wordt onderworpen aan een dieptepsychologische peiling: ze zijn de gecamoufleerde suggestie van de geslachtsgemeenschap. De ransel is het scrotum: wie erop klopt wekt lustgevoelens op. Het hoedje is de voorhuid: wie ermee draait maakt imitatieve wrijfbewegingen. Het hoorntje ten slotte is de penis: wie erop blaast brengt geluid voort en dat duidt (volgens deze visie) op een ejaculatie. Kortom, de objecten staan voor de fallus-in- actie. En de ejaculerende fallus betekent 'het hoogtepunt van de dynamische werking’ der scheppingskrachten.
Dr. Schuurman ontdekt in dit verhaal twee parallellen met episoden uit de Bijbel. De eerste parallel is die met de val van de stad Jericho, de tweede die met Delila en Samson - waarbij de eerste de laatste van zijn kracht berooft. De val van Jericho wordt veroorzaakt door drie magische handelingen: er wordt zes dagen lang een keer per dag om de stad gelopen, maar de zevende dag zeven keer (getalssymboliek!); 'militaire muziek’ zorgt voor een marstempo waarin rondgaande bewegingen worden gemaakt (analogie van de draaiende hoed!); dan worden de trompetten geblazen en vallen de muren om (de macht van het geluid, de emanatie van zielskracht). De drie handelingen representeren volgens de schrijver de drie eerder genoemde zielsgebieden.
De krachtmeting tussen Samson en Delila wordt veroorzaakt door het feit dat de man het probleem van de liefde nog niet heeft overwonnen: hij kan schijn en wezen niet van elkaar onderscheiden en delft tijdelijk het onderspit na zijn geheim te hebben prijsgegeven. De derde broer uit het sprookje (overigens niet blind geworden als Samson en ook niet door zelfvernietiging omgekomen - htb) is hiertoe evenmin in staat, maar keert blijkbaar gelouterd terug omdat hij dank zij het hoorntje - de fallus als symbool van bezieling - al het verlorene herovert. Tot zover dr. C. J. Schuurman.
Om het maar ronduit te zeggen: bij dit soort interpretaties verlies ik mijn geduld. Vooruitlopend op mijn commentaar wil ik eraan herinneren, dat de jongeman allerminst 'al het verlorene terugverovert’. Wat hij herovert is macht, wat hij verliest is liefde, zo hij die al ooit bezeten heeft. De prinses immers sterft, evenals zijn schoonvader, zonder dat hij een poging heeft ondernomen hun genegenheid te winnen. Om dr. Schuurmans uitleg ad absurdum door te voeren: de sprookjes- Samson is in het bezit van een tirannieke toverpik, waarmee hij weliswaar zijn fallocratie vestigt, maar waarop hij alleen nog een solo kan blazen. Van gemeenschap is dus geen sprake.
SCHUURMANS INTERPRETATIE lijkt me op z'n zachtst gezegd aanvechtbaar. Ze schiet op essentiele punten te kort, is veel te schematisch en roept tal van vragen en bezwaren op. Die wil ik niet naar voren brengen zonder er zelf iets tegenover te stellen.
Allereerst verwondert mij de stelligheid van zijn beweringen. Die stelligheid treffen we ook aan bij andere schrijvers over sprookjes, van wie Mellie Uyldert wel de kroon spant. Schuurman, destijds psychiater in Amsterdam, is een oase van redelijkheid vergeleken met Uyldert, maar ook hij licht zijn beweringen nauwelijks toe en ook bij hem is de gewone wereld weinig in tel. Zo wordt er plompverloren meegedeeld dat de mens over 'drie zielsgebieden’ beschikt die vervolgens zonder een zweem van twijfel of aarzeling worden benoemd. Indien we het bestaan van een (ongrijpbare) ziel accepteren, hoe kunnen we dan weten in welke 'gebieden’ deze is opgedeeld? En hoe is het mogelijk te spreken van een middelste en hoogste niveau (respectievelijk verbonden met emotie en intellect, met zilver en goud, met onbewust en bewust leven), wanneer het laagste onvermeld blijft en de 'vitale sfeer der ziel’ zich op geen enkel niveau beweegt?{ Wie heeft deze hierarchie opgesteld en op grond waarvan?{ Hoe komt hij er bij zilver en goud met onbewust en bewust leven te verbinden? En moet aan de vitale sfeer der ziel dan geen diamantachtig gehalte worden toegeschreven?
In mijn hoofd wemelt het van onbeantwoorde vragen, die niet zozeer door het sprookje als wel door de commentator worden uitgelokt. Zijn uitleg maakt het verhaal eerder troebel dan transparant. In het scheppende, vitale deel van de ziel zouden ervaringen en herinneringen worden omgesmeed in 'waarden van liefde en schoonheid’. Het betreffende sprookje laat echter weinig liefdevols en helemaal geen schoonheid zien. Integendeel, het gaat de hoofdpersoon erom 'alles wat hij hebben wil’ te krijgen. Hebzucht is hoofdzaak, liefde en schoonheid komen in het stuk niet voor.
Schuurmans opmerkingen over de drie kolenbranders zijn ronduit teleurstellend. Er wordt over deze mensen niets gezegd dat werkelijk hout snijdt. In de Nederlandse Grimm- editie van 1974 wordt verondersteld dat zij kluizenaars en priesters zijn die over het vuur hoeden. Dat lijkt me in de context van het verhaal een nogal magere verklaring. Niets wijst erop dat ze een priesterlijke functie hebben, tenzij men in het voetspoor van de sprookjeskenner Jan de Vries een oud- Germaanse woudbewoner in gedachten heeft. Men kan de vraag opwerpen waarom het drietal de drie magische voorwerpen niet ten eigen bate aanwendt. De ransel bijvoorbeeld had de eerste kolenbrander alles kunnen bezorgen wat zijn armoede zou hebben verlicht. Toch geeft de arme man de voorkeur aan aardappelen zonder vet, in afwachting van een bezoeker die over een magisch smulkleedje beschikt. Wat de kolenbranders kennelijk alledrie afwijzen is machtsmisbruik door middel van voorwerpen waarmee geweld kan worden uitgeoefend.
De derde broer heeft daar geen enkele moeite mee; hij is uit ander hout gesneden dan zijn gastheren en kent geen scrupules. Hebzucht en hardvochtigheid voeren bij hem de boventoon. Hij schoffeert de genoten gastvrijheid door zijn arme gastheren van hun (door eerlijke ruil verkregen) bezit te beroven. De drie voorwerpen die hij verwerft zijn geen symbolen van vitale scheppingskracht maar van destructie (gewapende soldaten, veldgeschut, allesvernielend hoorngeschal). De militaire symboliek kan mijns inziens moeilijk met iets constructiefs in verband worden gebracht. Het hele verhaal weerspiegelt trouwens lomp gedrag op verscheidene niveaus: de botte houding van de parvenu- achtige broers, de lafheid van de koning, de openlijke afkeer die de dochter aan de dag legt, en, bovenal, het meedogenloze optreden van de jonge held zelf. De laatste schakelt iedereen uit; hij laat de kolenbranders beroven, vermorzelt zijn familieleden en gunt anderen niets. Natuurlijk laat het verhaal hier ook een oedipale strijd zien tussen zoon en vader{ (= koning); het neemt echter niet weg dat de jongen een wraakzuchtig, op macht belust wezen is. De boodschap van dit sprookje kan - zo gelezen - precies het tegenovergestelde inhouden van wat dr. Schuurman oppert: waar de liefde niet is, ziet destructie haar kans schoon. Of: eigenbelang duurt het langst. Wie niet zorgt dat hij zichzelf bevoordeelt, trekt aan het kortste eind. Sterker nog, wie het machtigste wapen bezit (de toverhoorn), zal de wereld beheersen en desgewenst terroriseren.
HET VERHAAL REFLECTEERT dus evenzeer de slechtheid van de mens in wie de heerszucht is ontwaakt als de wonderbaarlijke mogelijkheid aan het slop van de armoede te ontsnappen. Deze leeswijze laat weinig schoonheid en slechts een minieme illusie toe. De lezer wordt met beide benen op de grond gehouden in plaats van meegevoerd naar nevelige zielsgebieden, waar het aangenaam toeven is. Al is het perspectief radicaal gewijzigd, het draagt niet de pretentie het enige te zijn. Sprookjes en mythen staan verschillende leeswijzen toe. Toch komt het me voor dat het tweede perspectief steekhoudender en in ieder geval controleerbaarder is dan dat van dr. Schuurman, bij wie de held uitsluitend positief wordt beoordeeld en de anderen alleen maar decorstukken zijn. De jongeman die dood en verderf zaait door op zijn hoorn te blazen kan immers moeilijk worden vereenzelvigd met iemand die - schijn en wezen van elkaar onderscheidend - zijn groei naar volwassenheid voltooit door levensverwekkend zaad te voorschijn te toveren.
Niet bekend