«Hè hè, hij leeft weer»

In gesprek met Mieke Vestdijk

Op 10 november promoveert Wim Hazeu op de biografie van Simon Vestdijk. Eerder schreef hij de biografie van Slauerhoff, Escher en Achterberg. Hazeu is niet de eerste die zich aan het levensverhaal van Vestdijk waagt. Vestdijk-liefhebber Hans Visser, die in 2001 op 65-jarige leeftijd overleed, begon in 1981 in opdracht van De Bezige Bij met de biografie. Nadat de weduwe van Vestdijk, Mieke Vestdijk-van der Hoeven, kennis had genomen van het eerste proefhoofdstuk, weigerde ze verdere medewerking en ontzegde Visser toegang tot het archief. Desondanks verscheen in 1987 zijn ‹Simon Vestdijk: Een schrijversleven› bij uitgeverij Kwadraat. Mieke Vestdijk trouwde in 1965 met de toen 67-jarige Vestdijk. Zelf was ze 27. Ze kregen twee kinderen: Dick (1967) en Annemieke (1969). In 1970 werd Vestdijk ziek en een jaar later overleed hij. Zijn weduwe ontwikkelde zich tot hartstochtelijk zaakwaarneemster en erfgoedbewaakster. In 1993 schreef ze haar persoonlijke verhaal ‹Afscheid van Simon› (Meulenhoff), in de hoop aan alle nieuwsgierigheid en achterklap een einde te maken en om voor zichzelf de scheiding tussen «Simon» en «Vestdijk» voorgoed te voltooien. Voorzover het werk van Vestdijk niet meer te krijgen is, brengt zij hierin verandering met haar uitgeverij Mycena Vitilis. Hoe moeilijk had ze het met Wim Hazeu als nieuwe biograaf? Hoe kijkt ze terug op de perikelen met Hans Visser? En hoe houdt ze het vuur voor Vestdijk brandende? Een gesprek aan de vooravond van de verschijning van een meer dan duizend pagina’s dikke biografie. _
«Kijk», zegt Mieke Vestdijk verontwaardigd. Ze laat zien welke foto de uitgever heeft uitgekozen voor het omslag van de herdruk van Terug tot Ina Damman. Zo op het oog een stemmige foto van een meisjesprofiel, verzaligd hemelwaarts blikkend. «Als je zo’n foto geschikt vindt, dan heb je het boek niet gelezen! Dit is een snákkend meisje.» Ze staat op om het boekje erbij te pakken dat Nol Gregoor schreef over Vestdijks jeugd in Harlingen, en slaat het open bij een klassenfoto. «Als je hier een uitsnede van maakt, dan heb je én Simon én Ina Damman erop staan.» De uitgever had ook nog een alternatief gestuurd: een zonnige Ot en Sien-achtige foto van een jongetje dat iets verwijderd van twee meisjes met lange vlechten op een bankje zit. Ze heeft twee keiharde argumenten waarom ook deze foto niet deugt: a) het jongetje is te jong, en b) hij kijkt naar de meisjes. «Als ik dit zie, denk ik: ik ga het zelf wel maken.»
Zelf maken. Hoe ver dit credo strekt, wordt bij het betreden van de werkruimte van Mieke Vestdijk al snel duidelijk. Hier, op de afgetimmerde zolderetage van het roemruchte huis aan de Torenlaan in Doorn, wordt het werk van Vestdijk in leven gehouden. Hier heeft ze haar kantoor, haar drukkerij en haar uitgeverij. Er staat een imposante bronzen kop van Vestdijk, en een schildersezel met daarop een grote zwart-witfoto van de schrijver met zijn zoontje, gemaakt door Eddy Posthuma de Boer. Overal boeken, papieren en archiefdozen. Ze is klein en tanig. Zet met een energiek gebaar de beide tuimelramen open, waardoor de lucht van de vele sigaretten die ze rookt enigszins vervliegt. Ze heeft een geruite blouse aan, en een gebleekte spijkerbroek. Stevige sandalen. Tegen een van de zijwanden staat een groot aquarium met kleurige visjes erin. «Het moet hier ook een beetje gezellig zijn.»
Toen de zes uitgevers die Vestdijk bij leven had steeds meer te kennen gaven dat «niemand nog Vestdijk wilde», dacht zijn weduwe: dan doe ik het zelf wel. In de praktijk betekent dit dat Mieke Vestdijk boek voor boek overzet in de computer, en in één moeite door correcties aanbrengt en de moderne spelling invoert. Ze laat het meest recente exemplaar zien, vers van eigen pers: Aktaion onder de sterren_,_ eigenhandig ingenaaid. De blauwlinnen kaft is opgesierd met een gekleurde afbeelding van een sterrenlucht. «Dit is 26 jaar niet meer te koop geweest.» Het feit dat het nu ook niet in de reguliere boekhandel terechtkomt, maar via internet wordt verkocht, deert haar niet. Evenmin dat ze er niet aan verdient. Liefdewerk nieuw papier, noemt ze het: «Het is heel veel werk. Dit boek kost dertig euro, maar daar zit dan geen arbeidsloon bij. Met zo’n boek ben ik drie jaar bezig. Tja… Ik vind het leuk werk! Ik zit me nu al te verheugen om een boek te maken in rood linnen. Daar begint het mee. Welke inhoud past bij rood linnen? Al mijn fantasie kan ik daarin kwijt.»
Aan iets anders lezen dan Vestdijk komt ze niet toe, en ook dat vindt ze niet erg: «Ik lees altijd weer wat nieuws.» Ze vertelt hoe Simon haar toentertijd, «dat was dus ergens in 1966», Aktaion onder de sterren voorlas. Toen het in 1980 werd herdrukt bij de uitgave van de verzamelde romans deed ze de correcties. Nu ze het boek in de computer zette, las ze het weer heel anders. «Ik beleefde er zoveel plezier aan, ook omdat ik dacht: o, wat moet Simon hier ontzettend van genoten hebben. Hoe hij dat geschreven heeft!»
Bijzonder om op zo’n manier in iemands geest te treden.
Mieke Vestdijk begint te lachen. «Maar ik kom er nooit uit!»
Wat ons op Wim Hazeu brengt, die er volgens haar «nog veel erger» mee bezig is dan zijzelf. Elf jaar geleden kwamen ze elkaar tegen op de Buchmesse in Frankfurt, waar zij naartoe was gegaan om Vestdijk te promoten. De biografie van de hand van Hans Visser was in de maak, maar die leek nergens naar, was toen al de communis opinio. Hazeu stapte op haar af met de vraag wat ze ervan zou vinden als híj de biografie zou gaan schrijven. «Nou, vind ik prima», zei ze.
Waarom stemde u daar meteen mee in?
«Van Vestdijk moet gewoon een behoorlijke biografie bestaan. Niet voor mij persoonlijk, ik weet al alles. Maar omdat hij een belangrijke schrijver is wiens werk van alle tijden is. Zo’n boek als De toekomst van de religie is nog steeds actueel. Zijn romans en essays gaan over problemen en kwesties die in beweging zijn. Dat hij te moeilijk van taal zou zijn, is grote onzin. Er staat gewoon Nederlands. Het is natuurlijk wel voor mensen die wat meer nadenken dan anderen, maar het is niet moeilijk. Als dan iemand zich aandient die een goeie biografie kan maken, dan moet je daar geen nee tegen zeggen. Het moet iemand zijn die het kán, die het vertrouwen geniet. En die hem snapt. Bijna niemand heeft meer zo’n bagage. Ik had het al eens gevraagd aan Hella Haasse en aan Theun de Vries, maar die reageerden allebei met: ja maar dan zijn we járen uit ons eigen werk. En dat is ook begrijpelijk. Ik kende Hazeu’s andere werk. Ik heb hem direct mijn telefoonnummer gegeven: als je eraan toe bent, bel je maar.»
Wat was het probleem met de biografie van Hans Visser?
«Het is een heel vervelend lang verhaal dat ik kort zal proberen te vertellen. In de Vestdijk-kroniek publiceerde hij voorwerk van zijn biografie. Daar deugde niets van. Feitelijk was het onjuist, hij citeerde verkeerde mensen met verkeerde namen erbij. Ik sprak erover met Geert Lubberhuizen (toenmalig uitgever van De Bezige Bij – mp), die toeziend voogd was van de kinderen. Hij zei ook: dit is rotzooi. Hij riep een biografiecommissie in het leven, die Visser en zijn kompaan Anne Wadman de opdracht gaf een biografie te schrijven met als voorwaarde dat er eerst een proefhoofdstuk zou komen. Dat hoofdstuk was echt lachwekkend. Vreselijk. Toen kregen we al ruzie. Zij wilden dat ik garant zou staan voor de toestemming van iedereen die geïnterviewd moest worden. Geert werd ondertussen erg ziek en overleed. Ik heb toen gezegd: ik werk hier niet aan mee. Ook Visser en Wadman kregen onderling een grandioze ruzie. Visser is toen ook overleden.»
Er klinkt een schrille lach. «Ja-a, het kost je wat als je een biografie wil schrijven.»
Wat klopte er dan bijvoorbeeld niet in zijn biografie?
«Er stonden echt bezopen dingen in. Bijvoorbeeld dat Dick en Annemieke niet de kinderen van Simon waren. Dus ik wilde weten: waar heeft hij dat vandaan? Hij antwoordde: het is waar, want het heeft in Propria Cures gestaan. Ja, dan houdt het op, hè?»
Ze vertelt hoe Visser de familie «afgraasde», waarop zij onthutste telefoontjes kreeg: hoe heb je die man op me af kunnen sturen? En dat Wim Hazeu een heel andere figuur is, die «op een andere manier» ergens binnenkomt. En bovendien zoveel tijd doorbracht in het Letterkundig Museum dat hij het werk van Vestdijk tot in de finesses kent.
Liggen de brieven aan u ook in het Letterkundig Museum?
Mieke Vestdijk zegt aarzelend: «Dat weet ik niet. Welke brieven aan mij, die van Simon? Ik denk dat die hier liggen. Die heb ik ook gebruikt voor mijn boek (Afscheid van Simon – mp). Dat is ook meer iets voor mezelf en de familie. Dat heeft met het werk van Vestdijk toch niets te maken. Hazeu heeft verder wel alle briefwisselingen gebruikt, hoor. Die komen weliswaar hier vandaan, maar ik had ze nooit gelezen. Als je trouwt met iemand die 67 is en je vindt schoenendozen vol met brieven… Ik ben dan niet zo dat ik die ga zitten lezen. Niet omdat ik dan bang ben of zo, maar gewoon. Die zijn niet voor mij bedoeld. Er was een briefwisseling bij met een mevrouw, die wordt aangeduid met een V. omdat ze absoluut niet met naam en toenaam in die biografie terecht wilde komen, waarin Simon precies uitlegde wat hij deed en waarmee hij bezig was. Een heel leuke bron. Het is een fantastische biografie. Ik had altijd het idee: ach… Simon werkte als een ambtenaar. Hij ging om negen uur naar zijn werkkamer, tot half één, daarna van twee tot vijf, en ’s avonds nog eens een uur. Hij was echt een ambachtelijk schrijver en heel veel contacten had hij niet. Zijn hele zielenleven speelde zich af aan zijn schrijftafel. En zie daar maar eens wat interessants van te maken. Het leek mij altijd zo saai.»
Was u niet bang dat u wat dat betreft iets onverwacht onthullends zou lezen?
«Er staat niks in wat ik niet wist, maar nu ligt alles als een enorme puzzel in elkaar. Het werk staat centraal. Wim Hazeu en ik waren het zonder veel woorden roerend eens over de manier waarop we over Simon dachten. Het blijft fascineren dat die man dat werk allemaal heeft kunnen schrijven. Hij was echt een fenomeen. Die mensen kom je niet zo veel tegen.»
Heeft Hazeu hem gekend, eigenlijk?
«Nee. Er leeft niemand meer die hem echt op zijn hoogtepunt heeft gekend. Zelfs mijn vader is er niet meer. Hij overleed in januari van dit jaar op honderdjarige leeftijd. Bij het leegruimen van zijn huis kwam ik alle Vestdijk-boeken tegen die Simon trouw aan hem gaf, met een opdracht erin. Dan zie ik dat hij er geen woord in gelezen heeft. Ze konden het redelijk vinden met elkaar, hoor. Ze waren allebei zeer geïnteresseerd in muziek, daar wist Simon natuurlijk ook heel veel van.»
Dat moet wel iets zijn geweest, een 27-jarig meisje dat trouwt met een veertig jaar oudere man. Was u zo dapper?
«Ik weet het niet zo goed, ik denk het. Ik had geen zusjes, hè. Ik had drie broers, en die zijn ook zo. Twee van de drie leven nog. We zijn kritisch opgevoed. In de geest van: als je a zegt ga je door tot je bij z bent. We hebben allemaal goede opleidingen gehad, maar ik mocht niet studeren van mijn vader. Meisjes trouwen toch? Na Simons overlijden dacht ik: ik zal je laten zien wat ik kan. En dan niet alleen maar studeren, maar ook promoveren (ze promoveerde in 1991 aan de rechtenfaculteit op religieus recht en minderheden – mp). Waar een wil is, is een weg.»
U was 33 toen Vestdijk overleed. Zijn er nooit andere mannen in uw leven gekomen?
«Ik ben daar altijd heel huiverig voor geweest. Ik heb twee keer meegemaakt dat ik iemand erg aardig vond, maar zodra dan blijkt dat iemand afkomt op de naam Vestdijk of het idee dat je geld hebt, dan denk ik: bekijk het maar.»
Zowel de naam Vestdijk als het geld heeft in de praktijk zeer aardse proporties. Al sinds zo’n vijftien jaar levert zijn werk niets meer op, vertelt ze. Op de middelbare school wordt hij naar haar zeggen niet meer gelezen of gedoceerd. Zijn essayistische werk is nergens meer te vinden. Wél is er altijd weer iemand die opstaat en zich warm maakt voor zijn werk. Zo werd ze onlangs gebeld door de vrouw van Henk van der Meijden in verband met de op stapel staande musical over het leven van Rembrandt van Rijn. Of het goed was dat ze dit levensverhaal baseerden op Rembrandt en de engelen van Vestdijk.
«Dat vind ik dan ontzéttend leuk. Hè hè, hij leeft weer. En hij komt bij een heel ander publiek. Die Rembrandt-gedichten zijn niet moeilijk. Wat ook leuk is: het initiatief is niet van mij uitgegaan.»
Ze heeft naar eigen zeggen niet zo veel energie meer, maar gráág had ze de oprichting van een Vestdijk-studiehuis bewerkstelligd, in de geest van het Goethe Instituut. Toen het huis naast haar leeg kwam, stapte ze naar de burgemeester van Doorn. Nadat hij haar plan had aangehoord – «Moet je je voorstellen, ik zou zo vanuit mijn dakraam de boel kunnen overhevelen» – was het eerste dat hij vroeg: hoeveel miljoen heb je denk je nodig? En vervolgens: welk deel van je huis wil je daarvoor kwijt? Nee-ee, had ze geantwoord. Ik niet. Vestdijk moet mijn huis uit! Klein lachje. Ze vertelt over het «gedoe» met het Letterkundig Museum.
«Ik wilde de hele Vestdijk-verzameling onder één dak hebben. Maar het Letterkundig Museum wilde alleen de documenten en niet de boeken. En ze vonden dat ik ze moest schenken. Simon wilde dat zijn manuscripten naar het Letterkundig Museum gingen, maar hij vond ook dat ze er fors voor moesten betalen. Je vraagt een particulier toch ook niet om zijn huis weg te geven? Verkopen is een kwestie van eindeloos onderhandelen. Ik had een adviseur van Christie’s, ik had advies van Schuhmacher en van Bubb Kuyper. Ten slotte is het gelukt. Ze begrepen wel dat ik het op een gegeven moment zat was. Ik was moe van het verzorgen van mijn vader en ik heb een behoorlijke longontsteking gehad. Ik begreep het Letterkundig Museum ook, hoor. Ze zeiden: als we dit aan jou geven, dan komt volgende week Harry Mulisch hier op bezoek. Dat kan wel wezen, zei ik, maar je hebt maar één Vestdijk! En wat Vestdijk heeft verdiend met zijn schrijverij, is waarschijnlijk een fráctie van wat meneer Mulisch daarmee verdiend heeft.»
Bent u nu tevreden?
«Ja, het is weg. Ik vind het alleen jammer dat de boeken en de manuscripten niet bij elkaar zijn gebleven. De boekenverzameling is naar Utrecht gegaan, naar de Universiteitsbibliotheek. In bruikleen heb ik dat gegeven, ik kan het ook weer zo opzeggen. Ik wou zo graag dat iemand anders het initiatief nam om alles bijeen te brengen en te houden. Op zo’n manier dat ik er nooit meer naartoe hoef. Om met Simon bezig te zijn, heb ik die soesa niet nodig.»

Twee zaken had ze zich voorgenomen. Allereerst dat ze Vestdijk, en zijn werk, nooit zal verkwanselen. Ten tweede dat zijn nalatenschap zodanig verzorgd moet zijn dat haar kinderen er geen zorgen over hebben.
Nemen zij niet de fakkel van u over?
Mieke Vestdijk: «De kinderen doen nu al mee. Vooral Dick, hij is webmaster en kiest bijvoorbeeld steeds een gedicht uit voor de website, daar heeft hij een neus voor. Annemieke helpt zakelijk, door mee te gaan naar uitgevers en afspraken te maken. Maar zij hebben ook gewoon hun werk, en dat kunnen ze niet opgeven. Van Vestdijk kun je niet leven, nu niet in ieder geval.»
Is het een morele plicht die u op u heeft geladen?
«Jazeker. Maar ik voel het niet als plicht, ik voel het gewoon als plezierig werk. Ik kom er niet los van, maar dat hoeft ook niet. Ik ben er heel gelukkig mee, laat ik het zo zeggen.»
Alleen ten tijde van Hans Visser heeft ze naar eigen zeggen gefoeterd. Vooral op zichzelf, omdat ze zich afvroeg: waarom laat ik me zo op de kast jagen? Waarom laat ik het niet langs me afglijden?
Omdat het ook over u ging. Zou dat het niet zijn?
«Ja, dat denk ik. Dit waren leugens die echt niet konden.»
Waarmee we toch weer bij de figuur van Hans Visser terugkomen. Mieke Vestdijk heeft hem nooit goed leren kennen. Ze weet alleen dat hij de neiging had zich te vereenzelvigen met Vestdijk «Hij dacht ook dat alles wat in romans stond, waar gebeurd was. Dan kwam hij bijvoorbeeld aan met een verhaal over zelfmoord dat Simon had geschreven. Nou, zei ik, dat heeft hij echt niet gedaan. Jaaa, dat zeg jij, was het dan. Hij heeft wel een poging gedaan! Nou, daar zat je dan. Hij wou dus niets van mij aannemen. En hij gaf een interview over mij, dat was echt… Dat brengt je wel tot zwijgen. Dat je denkt: laat maar. Ze weten wie het zegt. Toen was hij dus al ziek, denk ik nu maar.»
Ze is nu net zo oud als Vestdijk was toen hij met haar trouwde. (lacht:) «Dat is een heel gekke gewaarwording.» In Afscheid van Simon beschrijft ze hoe ze hem als 27-jarige na tien jaar weerziet. Haar eerste gedachte was: hé, wat is hij oud. «Jaaa, en dat het dan daarna wel weer meeviel. Maar zo die eerste indruk…»
Kijkt u nu anders op uw huwelijk terug?
«Nee. Misschien is het mooier geworden in mijn herinnering, maar we hebben het kostelijk naar onze zin gehad. Toentertijd vroegen jonge vrouwen me nog wel eens om raad inzake de liefde. Maar je kunt nooit iemand raad geven. Iedere situatie is anders, en er zijn zoveel factoren in het spel. Toen mensen met echtscheidingsvragen bij me kwamen, in de tijd dat ik rechten studeerde, liet ik ze eerst praten. Een van mijn eerste vragen was altijd: wat was voor jullie de reden dat je met elkaar trouwde? Daarmee bracht ik ze op een ander spoor. En dan blijkt opeens: je moet niet alleen a zeggen, maar ook b. Je wordt volwassener, en als het goed is, ontwikkel je je samen. Daarin moet je een modus vivendi zien te vinden. Mensen denken altijd dat het met een ander weer leuker is. Ik geloof daar geen barst van. Ik had wel gehoopt dat mijn huwelijk met Simon langer zou duren, maar achteraf ben ik blij dat hij overleed toen de kinderen nog klein waren. Dat zij het verdriet niet hebben gekend. En ik ben een voorstander van een éénouderopvoeding. Dat is namelijk heel harmonieus. Nee is nee en ja is ja. Het is saai, dat wel.»
Zwaar toch vooral?
«Nee, meer saai dan zwaar.»
En eenzaam?
«Nee. Toen de kinderen klein waren, ben ik weer gaan studeren. Je moet wat doen met je tijd. Ik was furieus toen een hoogleraar naar me toe kwam en zei: ben jij niet Adri du Pré uit Het glinsterend pantser? Toen dacht ik: ja, maar daarvoor kom ik niet hier! Ik wilde studeren en een heel andere groep mensen om me heen dan uitgevers en schrijvers. Dat was ook niet echt mijn wereld.»

Heeft u het idee dat Vestdijk wist dat hij bij u in goede handen was? Dat u na zijn dood zou zorgen voor zijn werk?
Mieke Vestdijk: «Ik denk het wel, maar dat weet ik niet. Ik denk dat het een van de redenen was waarom hij met me trouwde. Hij had twee verlangens: hij wilde kinderen en hij wilde áf van de aasgieren. Dat klinkt nu een beetje cru, maar hij had min of meer gebroken met zijn oude vrienden Herman Passchier en Nol Gregoor. Dat waren allebei aasgieren. Nol heeft dat boekje over Vestdijk en Harlingen geschreven, dat wil zeggen: Simon heeft zijn hand erbij vastgehouden. Er waren allerlei mensen die na Simons overlijden beweerden: ik was zijn beste vriend. Terwijl Simon in de oorlog zijn vrienden had verloren: Du Perron, Marsman en Ter Braak. Hij was toen midden veertig. Dan maak je niet zo veel nieuwe vrienden meer. En dan was daar nog Ans Koster, met wie hij jarenlang samenwoonde. Die waakte over hem als een cerberus. Hij was heel goed bevriend met de schrijfster Henriëtte van Eyck. Je weet niet of je het jammer moet vinden dat die vriendschap zich niet verder heeft ontwikkeld. Dat was een heel leuk mens. Maar iemands leven loopt nu eenmaal zoals dat loopt.»
Had u commentaar op het resultaat van Hazeu’s naspeuringen?
«De post bezorgde het dikke pak papier hier ’s middags, en ’s nachts om half één dacht ik: verrek, ik heb niet gegeten. De volgorde en de plaatsing van het een en ander waren voor mij wel eens verrassend. De verbanden die hij legt. Maar ik heb daarover geen meningen. Ik heb me niet bemoeid met inhoudelijke dingen. Dat is mijn pakkie-an niet. Ik ben alle gedichten en stukjes tekst nagegaan, op accenten en komma’s. Je hebt altijd van die idioten die alles gaan controleren.»
Hij mag u wel dankbaar zijn.
«Dat is hij ook. Denk ik.»
Het is niet gek voor u om te lezen over vroegere geliefdes en zo?
«Nee! Natuurlijk niet! Als je iemand trouwt die 67 is, moet je niet verbaasd zijn dat er ook wel wat gepasseerd is. Gelukkig was hij nogal normaal wat dat betreft.»
We dalen af van de zolder naar de vroegere werkkamer van Vestdijk die nu logeerkamer is. Het bed ligt bezaaid met spullen uit haar ouderlijk huis, waarvoor nog een bestemming gezocht moet worden. Een hele wand wordt in beslag genomen door de boekenkast, die van het plafond tot aan de vloer is afgeladen met de uitgaven van Vestdijk, in diverse edities en talen. In het trapgat hangt een portrettekening van de schrijver, en beneden in de hal heeft ze een aantal uitgaven van haar eigen uitgeverij uitgestald. De stenenverzameling van Vestdijk heeft een plaats in de tuin gekregen. Dezelfde tuin als waarin haar eerste echte ontmoeting met Vestdijk plaatsvond. Ze was zeventien en liep voor het eerst op hoge hakken, van haar moeder. Ze voelde zich heel mooi in haar smokjurk, zoals ze in Afscheid van Simon beschrijft. Ze wijst aan waar in de tuin ze zat, samen met haar moeder en oma op theevisite bij Ans Koster, op een fraaie zondagmiddag in augustus, 1955. Ongemerkt was Vestdijk uit het huis gekomen en voegde zich bij het gezelschap, dat wil zeggen: hij ging pal naast Mieke zitten. «Simons gezicht was mij zeer vertrouwd, omdat ik al jaren een fotootje van hem op mijn bureau had staan. Ans Koster had me dat ooit cadeau gedaan, toen ik ontdekt had dat de meneer Vestdijk van de overkant dezelfde was als de S. Vestdijk uit mijn literatuurboek. Maar iemand van een fotootje ineens in levenden lijve naast je zien en voelen was een heel merkwaardige gewaarwording, waar ik helemaal geen raad mee wist.» Onmiddellijk echter was er ook een «feestelijk en verwachtingsvol» gevoel. Ook op Vestdijk maakte de ontmoeting indruk. In Het glinsterend pantser laat hij Adri de schrijver S. plotseling en volkomen onverwacht aankijken «zoals niet veel meisjes mannen moeten aankijken, wil het goed blijven gaan op de wereld». Een half jaar later begon ze Vestdijk te tekenen, op uitnodiging van Ans Koster. De poseersessies hadden een goede uitwerking op zijn gestel. Als ze hierover begint te vertellen, ziet ze er opeens gevaarlijk ondeugend uit. «Dat was leuk hoor. Alleen maar kijken.» Er werd een gedicht aan haar gestuurd, er werden brieven over en weer geschreven, maar het zou nog tien jaar duren voordat de dan volleerde analiste de moed had haar vroegere dorpsgenoot te feliciteren met zijn verjaardag. Met alle gevolgen van dien.

Op een kast in de huiskamer hangt een foto die vorig jaar tijdens een vakantie in Kroatië is genomen. Mieke Vestdijk zit naast haar kleinkinderen met opgetrokken knieën op een stoeprand, blote voeten in sandalen, te drinken uit een flesje water. Ze laat de ingelijste foto van zichzelf zien die Vestdijk naast zijn bed had staan. Een meisje van vijftien in padvinderstenue, met opgestroopte mouwen en een fiere, wilskrachtige blik in haar ogen. Het was 1953 en de scouting bood hulp bij de watersnoodramp. «Simon wilde het padvindstertje altijd naast zich hebben staan.» Kijkend naar de foto: «Ik begrijp zijn fascinatie wel. Dit is een kind dat nog open is, niet vertroebeld. Dat nog geen ideeën heeft.» Het is even stil en dan zegt ze: «Als ik mezelf moet typeren: ik ben echt een padvindster. Iemand die zich inzet voor anderen en dan volhoudt.» *