Oprichting en ondergang van een instituut

‘He just didn’t seem to care’

Met veel tamtam werd in 2011 The Hague Institute for Global Justice opgericht. De overheid stopte er zo’n twintig miljoen euro in. Maar het prestigieuze kennisinstituut gaf te veel geld uit en had een potentaat als ‘president’. Reconstructie van een mislukt project.

Medium anp 15816569
De Amerikaanse oud-minister Madeleine Albright, voorzitter van de adviesraad, bij de start van The Hague Institute of Global Justice in de Haagse Ridderzaal, 2011 © VALERIE KUYPERS / ANP

In de statige Ridderzaal is op 10 juni 2011 een vooraanstaand internationaal gezelschap bijeen voor een bijzondere ceremonie. Op de eerste rij heeft prinses Margriet plaatsgenomen. Naast haar zit Madeleine Albright, de voormalige minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten en nog altijd actief in het circuit. Aan haar andere zijde Jozias van Aartsen, de ambitieuze burgemeester van Den Haag, die naar deze dag moet hebben uitgekeken: de officiële start van het prestigieuze The Hague Institute for Global Justice waarvoor hij zich zo heeft ingespannen.

Op plechtige toon richt de burgemeester zich even later vanaf het podium tot de genodigden. ‘Hoe kunnen we toekijken terwijl elders in de wereld de mensen zich verheffen om gerechtigheid, democratie en ja, ook welvaart op te eisen, zoals zij nu in enkele Arabische landen doen’, spreekt hij de aanwezige bestuurders, diplomaten, politici, rechters, academici en journalisten toe. ‘Zijn wij, die al zo lang vrede en gerechtigheid kennen, het niet aan hen verplicht om hen te helpen?’ luidt zijn retorische vraag. Het nieuwe topinstituut – dat moet uitgroeien tot een kenniscentrum van wereldformaat op het gebied van vrede, recht, veiligheid en ontwikkeling – ‘komt zodoende op het juiste moment’.

Ook Maxime Verhagen, dan minister van Economische Zaken, betreedt het podium. In deze wereld vol gewelddadige conflicten speelt Den Haag als ‘legal capital of the world’ een ‘essentiële rol,’ stelt hij. Nederland vaart daar wel bij. Trots verwijst hij naar de groei van het aantal internationale organisaties, onderzoeksinstituten en ambassades en de toegenomen werkgelegenheid in deze branche. ‘Dus de economische spin-off is aanzienlijk’, aldus Verhagen. Zelden zal het cliché van Nederland als dominee en koopman zo zijn uitgedragen.

Het idee voor dit ambitieuze nieuwe instituut is twee jaar eerder ontstaan. Het gemeentebestuur, dat al jaren hard werkt aan het uitbouwen van Den Haag als internationale stad van vrede en recht, vraagt in 2008 een driekoppige commissie een strategische visie te ontwikkelen. Een jaar later publiceert de commissie een pleidooi voor de oprichting van een Institute for Global Justice. Het college onderschrijft het plan van harte. Met negen Haagse kennisinstellingen werkt de gemeente aan een voorstel en samen worden zij de oprichters.

Alles gaat dan razendsnel. Binnen een jaar is ook de financiering rond. Van Aartsen klopt daarvoor aan bij het ministerie van Economische Zaken. Luttele uren voordat het kabinet-Balkenende valt over de verlenging van de Uruzgan-missie gaat de ministerraad op 19 februari 2010 akkoord met de subsidieaanvraag. Het nieuwe instituut krijgt een schenking van 17,45 miljoen euro uit het Fonds Economische Structuurversterking (fes), dat is gevuld met meevallers uit de exploitatie van Groningse aardgasvelden. Het zal uitgesmeerd over vijf jaar worden uitbetaald, daarna moet de organisatie financieel op eigen benen staan.

‘Een zeer verheugend bericht’, schrijft Van Aartsen aan de gemeenteraad. Den Haag zal in totaal 2,5 miljoen euro bijdragen aan de nieuwe instelling, die het ‘profiel’ van de stad zal bevorderen. De gemeenteraad is er niet helemaal gerust op. De SP twijfelt over de kosten en de levensvatbaarheid. Op 29 juni 2010 antwoordt Van Aartsen dat het instituut betaalde opdrachten moet verwerven bij organisaties als de Wereldbank, de Europese Unie, Verenigde Naties en bedrijven, zodat het na vijf jaar geen subsidiegeld meer nodig heeft. De ‘international dean’ (wetenschappelijk directeur) en een zakelijk directeur zullen ‘passend betaald worden, zonder excessief te zijn’, belooft het college. Bovendien staan tegenover de uitgaven ook opbrengsten. ‘De jaarlijkse totale economische toegevoegde waarde’ van het instituut zal naar verwachting al in 2016 acht miljoen euro en honderd banen bedragen, aldus de burgemeester. Een waanidee, zo blijkt achteraf.

Als de gemeenteraad twee dagen later, op 1 juli 2010, vergadert, zijn vrijwel alle partijen opgetogen, treffend verwoord door Frits Huffnagel (vvd): ‘Wat een geweldig initiatief is dit!’

De oprichting van het instituut kan nu beginnen. De kwartiermaker vindt prachtige huisvesting: een monumentale villa aan de Sophialaan in Den Haag. Vanaf de voordeur loopt een marmeren gang door het riante gebouw met werkkamers en een grote zaal. De tuin ademt de sfeer van een parkje. Het pand is net opgeknapt en de schilders lopen er nog rond als Willem van Genugten, hoogleraar internationaal recht aan de Tilburg University, er in september 2011 als interim-dean begint te werken. Als lid van de commissie die de gemeente over het instituut heeft geadviseerd is hij uitstekend ingevoerd. Het is zijn taak om voldoende basis te leggen voor de internationale dean, die, zoals Van Genugten ons per e-mail schrijft ‘uit een ontwikkelingsland moet komen’.

Hij trekt vier junior stafleden aan om te helpen bij ‘het uitwerken van ideeën en het organiseren van events’. Verder zet hij in op het ontwikkelen van partnerschappen met Nederlandse en internationale kennisinstituten om samen financiering voor projecten aan te vragen bij grote opdrachtgevers als de Wereldbank. Intussen krijgt hij het verzoek van het ministerie van Buitenlandse Zaken om samen met Instituut Clingendael het secretariaat te runnen van het kennisplatform Veiligheid en Rechtsorde, waarvoor het instituut 3,5 miljoen euro zal krijgen. Ook krijgt het instituut een opdracht van een half miljoen euro van de gemeente voor de ontwikkeling van ‘The Hague Approach’. Het is een veelbelovende start voor een instituut dat straks zelfstandig moet kunnen draaien.

Lastiger ligt de bedachte constructie met de negen kennisinstituten die aan de wieg van het instituut stonden. Van Aartsen heeft in 2010 de gemeenteraad toegezegd dat zij ‘13 fte aan personele capaciteit’ zullen leveren. Oftewel zo’n tien miljoen euro in natura. Het plan leidt onmiddellijk tot spanningen. De bestaande instellingen zien de nieuwkomer als concurrent. Ook de zak met geld – de miljoenensubsidie – zorgt voor scheve gezichten. De steun komt dan ook niet echt van de grond. Sterker, sommige organisaties kloppen bij het instituut aan voor geld voor eigen onderzoek of conferenties. ‘Maar daar was het instituut niet voor bedoeld’, aldus Van Genugten. ‘Veel organisaties laveerden – begrijpelijk! – tussen wantrouwen en what’s in it for me.’

Het bestuur is onder voorzitterschap van Van Aartsen ondertussen naarstig op zoek naar een droomkandidaat voor de post van internationale dean. Hij wil iemand met hoog aanzien. Dan schuift de invloedrijke Madeleine Albright – die Van Aartsen goed kent als oud-collega-minister van Buitenlandse Zaken; hij heeft haar gevraagd als voorzitter van de adviesraad van het instituut – een goede vriend naar voren. Abiodun Williams is Amerikaan, maar geboren in Sierra Leone. Na studies aan Edinburgh University en de Fletcher School of Law and Diplomacy werkt hij bij de Verenigde Naties voor vredesoperaties en wordt een hoofdadviseur van de VN-secretarissen-generaal Kofi Annan en Ban Ki-moon.

Op het moment van zijn sollicitatie is Williams vice-president van het Center for Conflict Management bij het United States Institute of Peace. Hij heeft interesse in de functie in Den Haag, maar bedingt dat de titel ‘international dean’ wordt vervangen door het meer gezaghebbende ‘president’. Zijn salariseisen zijn echter te hoog voor de Wet normering topinkomens, beter bekend als de Balkenende-norm. Het maximum ligt dan op 227.000 euro per jaar. In onderhandelingen komt men ongeveer op dat bedrag uit. ‘Exorbitant’, vinden ingewijden zo’n honorarium voor een wetenschappelijke directeur van een instituut dat in hoogtijdagen maximaal 35 mensen in dienst zal hebben.

‘Hij is gepolijst en goedgemanierd. Maar hij bleek extreem narcistisch te zijn en schreeuwde tegen mensen’

‘Het is met groot genoegen dat we dr. Abiodun Williams verwelkomen’, kondigt burgemeester Van Aartsen de aanstelling aan. ‘Met zijn enorme ervaring, zowel in het veld als op het VN-hoofdkwartier, zal hij een inspirerende leider van ons jonge instituut zijn.’ Ook Albright is verheugd. Ze kent Williams ‘meer dan 25 jaar als een gewaardeerde collega en vriend’ en vindt hem ‘de ideale keuze voor deze positie’.

Zo start in januari 2013 het instituut met als hoofdrolspelers: Abi Williams, als president, Jozias van Aartsen, als voorzitter van het interim-bestuur, en in de coulissen: Madeleine Albright, als voorzitter van de adviesraad. Shell-topman Dick Benschop loopt dan op de achtergrond al warm. Hij is door Van Aartsen in 2012 bij het bestuur betrokken als beoogd voorzitter van de nog op te richten raad van toezicht. Ook hij kent, net als Albright, Jozias van Aartsen goed. Samen zaten ze in het tweede kabinet-Kok, Van Aartsen (vvd) als minister van Buitenlandse Zaken en Benschop (pvda) als zijn staatssecretaris op hetzelfde ministerie.

‘De baan leek me goede mogelijkheden te bieden’, zegt een senior onderzoeker. Hij is in 2013 een van de eerste researchers, maar wil alleen praten als hij anoniem mag blijven. Hij is de enige niet. ‘De wereld van international justice is klein’, zegt hij ter verklaring in een interview via Skype. Negatief praten over een voormalige werkgever is not done. Toch vindt hij dat hij moet vertellen wat er is gebeurd omdat de zaak hem aan het hart gaat.

Medium portrait abiodun williams
CEO Abi Williams © Has164

De eerste ontmoeting met Abi Williams verloopt goed. ‘Hij is een uitstekende communicator. Het leek me geweldig met hem te werken’, zegt de senior onderzoeker. Maar de werkrelatie verslechtert al snel. ‘Je zou het nooit zeggen als je hem ziet. Hij is gepolijst en goedgemanierd. Maar hij bleek extreem narcistisch te zijn en schreeuwde tegen mensen. Er waren veel conflicten tussen Abi en de rest van de staf.’ Diverse bronnen vertellen hoe dat gaat. Williams, altijd strak in het pak, kan opeens heel kwaad worden. Zijn ogen vlammen. Hij gaat dichtbij staan en begint te briesen.

Williams distantieert zich steeds meer van zijn medewerkers, trekt zich terug in zijn werkkamer en communiceert vooral via zijn persoonlijke assistent, secretaresse en een eigen adviseur. ‘Alsof het beneden zijn waardigheid was rechtstreeks met mij te praten’, zegt de senior onderzoeker. ‘Het was ook een culture clash. Wij academici zijn erg egalitair. Maar hij was erg gefocust op hiërarchie en voelde zich snel bekritiseerd.’ Hij ziet hoe het instituut binnen een jaar verandert in een ‘giftige werkomgeving’ waar mensen bang zijn initiatief te tonen of de directie te bekritiseren. ‘Mensen waren erg nerveus, gefrustreerd en ongelukkig.’ Tijdens vergaderingen zeggen medewerkers alleen nog maar dat alles ‘fantastisch’ gaat. Een collega noemt de sessies: ‘Rapporteren aan het politbureau.’

Wat meteen al opvalt in Den Haag zijn de vele events die het instituut organiseert, zoals lezingen, conferenties, seminars en rondetafelgesprekken. De organisatie ervan is piekfijn in orde, de catering is altijd van topkwaliteit, met exquise hapjes en goede wijn die rijkelijk vloeit. Voor grotere en bijzondere events bestelt het instituut chef-koks. Gasten worden bediend aan witgedekte tafels. De senior onderzoeker organiseert zo’n 26 events dat jaar, veel te veel volgens hem. Ook heeft hij een dozijn projecten onder zijn beheer. Inhoudelijk zwabbert het instituut volgens hem, het mist een duidelijke richting. Van onderzoek doen komt het weinig. ‘Ik was meer manager geworden dan researcher.’

Begin 2014 gaat het instituut een nieuwe fase in. Bestuurlijk wordt een belangrijke stap genomen. Het interim-bestuur onder voorzitterschap van Van Aartsen, dat vanaf de oprichting de boel op gang moest helpen, wordt ontmanteld en de raad van toezicht krijgt de verantwoordelijkheid over de leiding van het instituut. Voorzitter wordt nu Dick Benschop.

Daarmee is het tijdperk van Jozias van Aartsen wat betreft zijn formele leiderschap afgerond. ‘De gemeente Den Haag draagt vanaf dat moment geen bestuurlijke verantwoordelijkheid meer’, zo beklemtoont de woordvoerder van de gemeente Den Haag. (Zelf blijft de burgemeester wel lid van de adviesraad). Echt blakend laat de Haagse burgemeester zijn ‘kindje’ niet achter. Een deel van de medewerkers klaagt over de manier van leidinggeven door Williams. Om die reden zijn al de nodige collega’s vertrokken. Ook is dan al bekend dat er sprake is van financiële excessen. ‘Het was een hands off-bestuur dat zich niet met ons bemoeide’, zegt dezelfde senior onderzoeker. Hij wordt na een jaar door Williams gedwongen te vertrekken. ‘Dat Van Aartsen nooit heeft ingegrepen, heeft me, zeker omdat het om publiek geld ging wel verbaasd’, zegt hij.

Als Dick Benschop op 1 februari 2014 officieel als toezichthouder begint, ligt er een alarmerend rapport van PwC op zijn bureau. De gemeente Den Haag heeft voor vertrek onderzoek laten doen door het accountantskantoor naar het financiële beheer. In het rapport, dat in januari 2014 verschijnt, constateert PwC dat het instituut alleen op subsidies drijft, met name de fes-gelden, en dat nieuwe externe inkomsten uit betaalde opdrachten ontbreken. Met andere woorden: Abi Williams heeft dat eerste jaar te weinig gedaan om de eigen broek op te kunnen houden. Iedereen weet, ook dan, dat deze situatie structureel niet houdbaar is. ‘Versterking acquisitiekracht is nodig ten aanzien van verwerven externe middelen’, luidt dan ook de aanbeveling van de accountants. De tweede aanbeveling gaat over de exorbitante onkostendeclaraties van Williams. De PwC-rapporteurs adviseren de raad van toezicht hier goed op te letten en zelf de ‘autorisatie’ te doen.

Op 1 februari begint ook de nieuw aangenomen zakelijk directeur, Serv Wiemers. Hij zal samen met president Abi Williams het uitvoerend bestuur van de stichting vormen. In opdracht van Benschop moet hij gaan zorgen voor een gezonde financiële situatie. Al met al een nieuw begin. Er is goede hoop, zo blijkt ook uit de opgewekte woorden van het management report over dat jaar. Er zijn, aldus het verslag, ook drie programmahoofden aangenomen, toponderzoekers van naam, die ieder een eigen onderzoeksafdeling gaan leiden. Dus zowel het zakelijke als het wetenschappelijke deel is versterkt. Omdat het ministerie van Economische Zaken, na een ‘midtermreview’ door een extern bureau, in 2013 de tweede tranche van de fes-subsidie heeft toegezegd, komen er de komende drie jaar nog miljoenen binnen.

‘Het was een jonge, ambitieuze en internationale club toen ik binnenkwam’, vertelt Erwin Tuil telefonisch. Als hij in juni 2014 begint, is hij het allereerste hoofd communicatie van de organisatie. Er werken op het instituut dan een stuk of dertig mensen, van wie drie op communicatie. Tuil, op dit moment werkzaam in Nantes als ‘chief representative’ van het Nederlands Business Support Office (nbso), begint direct met het opstellen van een communicatiestrategie, die op dat moment nog niet bestaat. Ook beschikt het instituut niet over een netwerk van (inter)nationale media. Zijn afdeling moet zorgen voor de communicatie met ministeries en events organiseren. Tuil versobert de luxe catering, en niet alleen om kosten te drukken. ‘Gastvrij zeker, maar overdaad is maar zeer beperkt uit te leggen als je met publiek geld werkt.’

‘Ze deden alles, maar blonken nergens in uit. Het ontbrak het instituut aan een strategische visie’

Hij is enthousiast over zijn werk. Het contact met de onderzoekers vindt hij inspirerend en hij heeft tal van ideeën voor fondsenwerving, het binnenhalen van opdrachten en het uitdragen van de expertise die in het pand aanwezig is. Maar als hij die ideeën voorlegt aan Williams krijgt hij nauwelijks een reactie. De president is, vertelt hij, regelmatig op reis en in die periodes reageert hij zelden of überhaupt niet op mails. ‘Alles wat werd bedacht moest zijn goedkeuring hebben’, zegt Tuil. Het is ook niet zo dat je even bij de president binnenloopt. De deur van zijn kamer is altijd dicht. Tuil vertrekt in december 2015. Hij wordt niet opgevolgd.

Binnen een jaar zijn er ook problemen met de zakelijke directeur die orde op zaken moest stellen. Hij wordt, zoals bronnen ons melden, eveneens tegengewerkt door Abi Williams. Het is hij eruit of ik, zou hij uiteindelijk hebben geroepen tegen Dick Benschop. De raad van toezicht staat voor een belangrijke, en zoals later blijkt bepalende, keuze voor de toekomst van het instituut.

Al op 23 augustus dat jaar belandt op het bureau van Benschop een memo met een opsomming van de problemen die spelen. De lange lijst omvat klachten als het intimiderende gedrag van Williams, waarbij hij mensen binnen en buiten het instituut heeft uitgescholden, zijn ruime declaratiegedrag, zoals een vijfsterrenhotel voor privé-verlof, privé-taxi’s, reizen met een ander doel dan voor het instituut en chique lunches, beschadigde relaties met partnerorganisaties. De raad van toezicht zal niet met een inhoudelijke reactie komen.

Ook de financiën zijn zorgelijk. Williams doet nog steeds te weinig aan fondsenwerving. Eind 2014 staat de balans tussen inkomsten en uitgaven op 456.000 euro negatief, bijna een half miljoen, zo blijkt uit de jaarcijfers. De inkomsten door derde geldstromen zijn nihil, het instituut draait nog steeds voornamelijk op de fes-gelden. In 2014 komt er 3,7 miljoen euro fes-subsidie binnen, een jaar later is dat 3,2 miljoen. Maar eind 2015 is het verlies op de jaarrekening verder gegroeid en bedraagt 576.000 euro, nog steeds is er niet substantieel externe financiering gevonden.

Medium anp 51481943
Den Haag, 19 mei 2017. Koningin Máxima arriveert bij The Hague Institute for Global Justice met Hare Hoogheid Sheikha Moza bint Nasser uit Qatar. Dick Benschop, voorzitter van de Raad van toezicht, ontvangt hen. © Koen van Weel / ANP

Desondanks kiest Dick Benschop eind 2014 voor Abi Williams. De zakelijk directeur pakt zijn biezen en wordt niet opgevolgd. Sterker, de toezichthouders gooien de boel om en stellen op 2 oktober 2014 Williams aan als enige bestuurder, waarmee hij zowel wetenschappelijk als zakelijk directeur wordt. Een opmerkelijke keuze gezien zijn functioneren. ‘We wilden het idee van twee kapiteins op een schip niet meer uitvoeren’, zal Dick Benschop hierover later zeggen.

‘De raad van toezicht gaf op dat moment het instituut eigenlijk op’, zegt Anja Mihr telefonisch vanuit Berlijn. Mihr werkt dat jaar als hoofd van het Rule of Law-programma op het instituut, nu is ze programmadirecteur aan het Humboldt-Viadrina Governance Platform in Berlijn. Haar ervaring is niet anders dan die van de anderen. Ze begint enthousiast: het is spannend om een jong instituut mee op te bouwen en het gaat om een belangrijk onderwerp waar bovendien haar expertise ligt. Mihr doet regelmatig research in opdracht van het Internationaal Strafhof, Joegoslavië Tribunaal, de VN, EU en het ministerie van Buitenlandse Zaken. Maar ze vindt dat het instituut minder donor-driven moet zijn, meer zelf richting moet bepalen. Het instituut zou zich meer op Europa, Rusland en Oekraïne moeten richten. ‘Daarmee zouden we echt iets toevoegen.’

Al snel loopt ook zij tegen Abi Williams op. ‘Hij had geen belangstelling voor saaie studies die geen aanzien gaven.’ Het ging hem om de bijeenkomsten. ‘Events, events, events’, zegt ze nog steeds met frustratie in haar stem. ‘En dan was hij natuurlijk de voorzitter.’ Zo’n event is duur, een rondetafelgesprek over Rwanda, met alle vliegtickets en hotels en diners kostte bijvoorbeeld al snel veertigduizend euro, rekent ze voor.

Iva Vukusic, docent geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, is een regelmatig bezoeker. ‘Die etentjes leken eerder op een leuk ambassadefeestje dan op een event van een kennisinstituut’, herinnert ze zich. De events inspireren haar inhoudelijk, er komen interessante sprekers. Vukusic vertelt dat het instituut een enorm scala van onderwerpen behandelt, uiteenlopend van tribunalen, seksueel geweld en armoede tot waterbeheer en internationale onderhandelingen. ‘Voor een nieuw instituut dat zijn koers nog zoekt is het begrijpelijk, maar na drie jaar moet je toch wel kunnen zeggen wat je focus is en waarin je excelleert. Ze deden alles, maar blonken nergens in uit. Het ontbrak het instituut aan een strategische visie.’

Volgens Anja Mihr is de keuze voor een president die vanuit de VN komt en weinig connectie met Nederland heeft en Europa niet begrijpt al fout geweest. ‘He just didn’t seem to care.’ Ze denkt dat een Nederlandse dean beter had gewerkt, ‘bijvoorbeeld een diplomaat, iemand met een netwerk in Den Haag’. Maar Van Aartsen en consorten wilden een internationale topfiguur en juist dat lijkt het instituut op te breken.

Er wordt gepraat over ‘wanbestuur’ van de raad van toezicht en de ‘zwakte’ van de voorzitter. De vraag die zich steeds meer opdringt, is waarom de toezichthouders een problematisch functionerende president zo lang laten zitten. Sommige medewerkers die we spreken, denken dat Benschop de president wel kwijt wil, maar dat Williams de hulp van Albright inroept, dat Albright daarna Van Aartsen belt en Van Aartsen met Benschop belt. Van Aartsen heeft Williams al die tijd verdedigd. En Benschop kiest ervoor zijn relatie met Van Aartsen goed te houden. En zo wordt Williams van hogerhand beschermd. Het instituut wordt voor deze onderlinge relaties opgeofferd. ‘Het is een vorm van nepotisme’, zegt Anja Mihr. ‘Kleine landen hebben daar toch eerder mee te maken, daar kent iedereen elkaar.’

Er speelt nog iets mee. Er is een ding waar Dick Benschop en de zijnen wel heel blij mee zijn, en dat zijn juist die events. Abi Williams brengt internationale contacten naar het instituut, juist voor deze bijeenkomsten, die normaal niet zomaar in Den Haag rondlopen. Topmensen uit de VN, buitenlandse ministers en politiek leiders. Precies zoals het gemeentebestuur het wenst. ‘Deze mensen komen voor ons event naar Nederland en gaan ook weer bij Buitenlandse Zaken en het parlement op bezoek’, verklaart Benschop. ‘Het zorgt ervoor dat Nederland en Den Haag op de kaart staan.’

‘In andere landen worden zulke initia­tieven betaald uit publieke middelen en met bijdragen van het bedrijfsleven’

‘Ik was al wel gewaarschuwd dat er serieuze problemen waren bij het instituut’, zegt een voormalige senior onderzoeker, die in deze periode in dienst treedt en eveneens anoniem wil blijven. ‘Maar ik dacht dat ik misschien kon bijdragen om de situatie te verbeteren.’ Al bij de voorbereiding van zijn sollicitatie valt hem echter op dat op de website geen jaarverslagen, financiële rapportages of strategische visie staan. Als hij is aangenomen is ook hij onthutst over de manier waarop het instituut wordt gerund. Hij typeert het met één woord: ‘opaque’ – ondoorzichtig. De medewerkersbijeenkomsten elke dinsdag zijn de meest ‘lege vergaderingen’ die hij ooit heeft meegemaakt. Inhoudelijke gesprekken zijn onmogelijk. ‘Williams kon niet omgaan met personen met een onafhankelijke geest en positie.’

‘Hij was de prins op het kasteel die zijn eigen land wilde’, vertelt deze toponderzoeker. Zo gedroeg hij zich ook. Zo eten de medewerkers elke dag brood met beleg dat bij de supermarkt is gehaald in een gemeenschappelijke ruimte. Abi was er nooit bij. ‘Hij vond zichzelf superieur. Hij bestelde zijn lunch bij het Carlton Hotel op de hoek.’ Ook anderen herinneringen zich het tafereel. Elke dag komt rond het middaguur een ober aan gelopen over de statige Sophialaan met majestueuze oude kastanjebomen. In zijn handen de zilverkleurige schaal waarop de speciale lunch voor Williams, met het gebruikelijke kopje kreeftensoep, is geserveerd.

De raad van toezicht heeft het personeel nooit iets gevraagd, zegt de toponderzoeker. ‘Maar ze wisten ongetwijfeld dat er veel ernstige problemen waren. Het was het slechtst bewaarde geheim van heel Den Haag.’

In december 2016 loopt het vierjarig contract van Abi Williams af. Dick Benschop denkt er zelfs op dat moment nog over om Williams, ondanks alles negatieve ervaringen, een verlenging van een jaar aan te bieden. Het verhaal gaat dat hij het contract al in zijn koffertje heeft zitten, maar op het allerlaatst wordt teruggefloten door de accountant. Als Madeleine Albright hoort dat de aanstelling van Williams niet wordt verlengd, is ze zo boos dat ze per direct opstapt als voorzitter van de adviesraad. Het toont hoe zwaar de druk was die zij, ook eerder al, heeft uitgeoefend op het aanblijven van Williams.

Het instituut zwaait hem met lovende woorden uit. ‘Dr. Williams is van enorme betekenis geweest voor de opstartfase van het instituut, en verdient alle credits voor zijn grote inspanningen en competentie om The Hague Institute een positieve naam te geven’, schrijft Steven van Hoogstraten, de huidige ceo ad interim, in februari 2017 in Diplomat Magazine. Hij schrijft ook, optimistisch, dat ze een doorstart gaan maken en ‘een levensvatbaar, stabiel en extern gefinancierd instituut’ willen worden.

Het blijken holle woorden. Het instituut gaat zonder nieuwe directeur 2017 in, en eigenlijk ook zonder perspectief. De fes-subsidie van het ministerie van Economische Zaken, de grote kurk van 17,45 miljoen euro waarop het instituut drijft, is afgelopen. In 2016 is er nog 2,1 miljoen fes-geld beschikbaar, deels worden die in 2017 uitbetaald. Meer zit er niet in. Het instituut heeft zelf in totaal zo’n acht à negen miljoen euro extra aan eigen middelen binnengehaald. (Hiervan haalde Van Genugten, de eerste dean, vier miljoen euro op.) Het tekort is eind 2016 opgelopen tot 593.000 euro. Dat jaar is er al een eerste ontslagronde.

Benschop en de zijnen beraden zich ondertussen over de toekomst. Tijdens hun vergaderingen passeren alle mogelijkheden de revue. Er volgen gesprekken over samenwerkingsverbanden en fusies. Maar het is een gelopen race. De gemeente Den Haag wijst datzelfde jaar een nieuwe subsidieaanvraag van 125.000 euro af. ‘Vanwege het ontbreken van een inhoudelijke onderbouwing’, aldus de woordvoerder van de gemeente. In de afwijzingsbrief aan het instituut staat: ‘Het betreft online cursusmateriaal waarvan de aanpak niet noodzakelijk innovatief is en niet voldoet aan de subsidiecriteria.’ Ergens in de zomer van 2017 besluit de raad van toezicht om af te bouwen. Eind dat jaar zijn er nog vijf mensen over en volgen de laatste ontslagen.

Zo sluit op 4 april 2018 The Hague Institute for Global Justice na een bestaan van bijna zeven jaar definitief de deuren. Het instituut aan de Sophialaan, de internationale dromen van de oprichters, de ambities van de onderzoekers, de events met goede wijn en wit tafellinnen: het is allemaal voorbij.

Het is een verhaal van gemiste kansen. ‘Een instituut voor global justice dat in Den Haag zit, was een heel goed idee’, vindt Anja Mihr. In de gesprekken met geïnterviewden klinkt nog altijd spijt, frustratie en verdriet door. ‘Er werkten veel goede mensen, maar aan de top was het verrot’, zegt een van de anonieme onderzoekers. Diverse medewerkers stellen dat het instituut zwaar heeft geleden onder het mismanagement. De extreem goed betaalde president schoffeerde hen, schold mensen uit, was onbereikbaar, niet transparant en zocht de grenzen van de integriteitsregels. Ze verwijten hem gebrek aan koers en visie. Ook voelden ze zich in de kou staan. Hun klachten en frustratie zijn al die jaren niet gehoord of ter zijde geschoven door de raad van toezicht. Er kwam een uittocht van personeel op gang. Medewerkers zagen hoe het instituut een slechte reputatie kreeg.

‘Het is eerder een autoritaire man dan een meewerkend voorman’, erkent Benschop in een interview met ons. ‘Dat was voor mij ook helder. Ik heb het er met hem over gehad.’ Er zijn volgens hem geen malversaties geweest. ‘Zijn creditcarduitgaven heb ik altijd gecontroleerd. We hebben goed gekeken naar kosten. Maar we zijn op een zeker moment wel duidelijk gaan zeggen dat er bezuinigd moest worden.’ De voorzitter van de raad van toezicht moet ook erkennen dat niet alles even goed is verlopen. ‘Ik had verwacht dat Abi Williams als Amerikaan gepokt en gemazeld zou zijn in de fondsenwerving, maar dat was hij toch niet helemaal’, zegt Benschop. De externe geldstromen, die juist uit het onderzoek kwamen waar de president weinig interesse voor toonde, kwamen nauwelijks op gang.

‘Het geld dat ons ter beschikking is gesteld, is op een heel goede manier gebruikt’, stelt Benschop desondanks. De Amerikaanse ‘president’ had een goed netwerk en bracht grote internationale namen naar de bijeenkomsten. ‘Het gaf uitstraling en veel internationale betrokkenheid.’ Het draaide om die allure en dat netwerk. Juist die keuze van de toezichthouders voor Williams en dat profiel leidde tegelijkertijd tot de ondergang. Er ging te veel uit, en er kwam te weinig binnen.

Ze hielden al die jaren vast aan de keuze, en dat heeft te maken met de visie die Benschop en de zijnen hadden op het instituut. Denktanks kunnen volgens Benschop, als onderdeel van soft power, een belangrijke rol spelen bij het ondersteunen van het Nederlandse buitenlandbeleid. Hij vindt dat vele Nederlandse kennisinstituten op het gebied van vrede en recht (zoals Clingendael en het T.M.C. Asser Instituut) leiden tot versnippering, gebrek aan slagkracht, vissen in een krappe vijver op een schrale Nederlandse markt, waardoor ze het internationale niveau niet halen. ‘Het instituut moest de koepel van de bestaande kennisinstituties worden om samen een hoger ambitieniveau te halen’, legt Benschop uit.

Volgens Benschop was het instituut in deze opzet niet levensvatbaar. ‘In all fairness, in andere omstandigheden met andere mensen had je misschien iets langer door kunnen gaan omdat je iets meer geld had binnengehaald. Maar, los van Williams, was het originele idee onrealistisch.’ Hij zag er geen businessmodel in. Een internationaal topinstituut zoals hij voor ogen had, kan volgens Benschop niet zonder subsidie. ‘In andere landen worden zulke initiatieven betaald uit publieke middelen en met bijdragen van het bedrijfsleven.’ De discussie over een denktank in Den Haag met internationaal aanzien zal volgens hem doorgaan. ‘Alleen wij zijn niet meer het antwoord op die vraag. Helaas. Het is frustrerend als je niet slaagt in je opzet’, stelt Benschop.

De gemeente laat in een reactie weten het te betreuren dat het instituut het niet is gelukt op eigen benen te staan, maar merkt tegelijk fijntjes op ‘dat een aantal andere instituten en kennisinstellingen in de stad’, zoals Clingendael, het T.M.C. Asser Instituut, er wel in slagen ‘een structurele bijdrage’ te leveren aan versterking van de kennis van internationaal recht, vrede en veiligheid.

Het is einde oefening voor het instituut. Een kapitaal van twintig miljoen euro, grotendeels gefinancierd uit aardgasexploitatie waar de Groningers met aardbevingen de prijs voor betalen, heeft geen tastbaar resultaat opgeleverd. En de hoofdrolspelers? Abi Williams is terug op zijn oude alma mater. Sinds april 2017 is hij directeur van het Institute for Global Leadership en ‘professor of practice’ internationale politiek bij de Fletcher School of Law and Diplomacy, Jozias van Aartsen is plaatsvervangend burgemeester van Amsterdam. Dick Benschop begint op 1 mei als president-directeur van Schiphol.


De voormalige president, Abiodun Williams, heeft niet gereageerd op onze vragen, ook Jozias van Aartsen wilde ons niet te woord staan