Fotografie - Ed van der Elsken

‘Hé, schoonheid, kijk eens in de camera!’

Large 12. ed van der elsken  nieuwmarkt  amsterdam  1961
Ed van der Elsken, Omgeving Nieuwmarkt, Amsterdam, 1961 © Ed van der Elsken / Collectie Ed van der Elsken estate / Nederlands Fotomuseum

Ed van der Elsken was een geweldige fotograaf, een curieuze kerel vol branie. Zijn manier van kijken en fotograferen is inmiddels volkomen gemeengoed.

Amsterdam heeft een klein pantheon van vrije geesten. Rembrandt zit daarin, Heineken, Spinoza, Cruij, Majoor Bosshardt, Sarphati, Premsela, professor Kokadorus en ook Ed van der Elsken. Hij portretteerde én belichaamde iets typisch Amsterdams: branie, de combinatie van botheid en charme. Hij kan zonder blozen staan naast William Klein, Robert Doisneau, Henri Cartier-Bresson en al die andere kerels die de fotografie van de straat op het plan van de beeldende kunst brachten.

De tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam is groot van opzet. Het museum verzamelt Van der Elskens werk al sinds 1958; in 1966 kreeg hij een retrospectief in Hee… zie je dat!? en in 1991, kort na zijn overlijden, in de tentoonstelling Once Upon a Time. De curator daarvan was Hripsimé Visser, die ook nu de expositie heeft samengesteld.

Large 17. ed van der elsken  tokyo  meisje in de subway  1984
Ed van der Elsken, Girl in the subway, Tokyo (1984) Nederlands Fotomuseum © Ed van der Elsken / Collection Stedelijk Museum Amsterdam

Er wordt eerst een beeld gegeven van zijn werk op projectbasis, meestal in opdracht, het gevolg van een verblijf in het buitenland. Die projecten mondden uit in fotoboeken, die in de jaren vijftig en zestig erg succesvol konden zijn, en waar Van der Elsken buitengewoon veel aandacht aan besteedde. Er wordt veel getoond van zijn eerste filmwerk, het meeste uit Amsterdam; er is ook een betrouwbare herschepping van zijn experimenten met diavoorstellingen-met-commentaar. Daartussenin wordt de bulk van zijn fotowerk op een keurige museummanier op witte wanden gepresenteerd. Een completer beeld is nauwelijks te geven. De tentoonstelling laat hoogstens enigszins onbelicht dat Van der Elsken ook nog een vernuftig knutselaar was, die veel aan zijn camera’s klooide, bijvoorbeeld om langere rollen te kunnen draaien, of synchroon natuurlijk geluid te kunnen opnemen.

Large 2. ed van der elsken   man with machine  durban  1959
Ed van der Elsken, Durban, South-Africa (1959) Nederlands Fotomuseum © Ed van der Elsken / Collection Stedelijk Museum Amsterdam

Omdat dit nu eenmaal het Stedelijk Museum is ligt de nadruk op de ontwikkeling van een kunstenaarschap, een term die Van der Elsken zelf altijd op afstand hield en naar verluidt pas op zijn sterfbed op zichzelf betrok. Die aarzeling is bekend van fotografen, fotografie was vroeger evenmin kunst als de journalistiek literatuur was. Toen Van der Elsken kort na de oorlog voor het eerst serieus met een camera aan de gang ging zou hij het boek Naked City (1945) van Weegee onder ogen hebben gekregen. Hij begon zijn werk in diens geest, als een journalist-nieuwsjager in eigen stad en later in avontuurlijker oorden – Parijs, Centraal-Afrika, de Filippijnen, Japan. De klasse van Van der Elskens werk ligt in een overrompelende directheid. Hij had een onbevooroordeelde blik die schoonheid peurde uit het meest onaanzienlijke. Het wordt ook snel duidelijk waarom hij zo dringend méér nodig had dan het stilstaande beeld alleen: hij had de drang zijn beeld te verlevendigen, zijn keuzes uit te leggen, zijn publiek mee te nemen in zijn manier van kijken.

Het idee dat het vergaren van beelden uit de ruwheid van het dagelijks leven tot iets kon leiden wat journalistieke reportage te boven ging, ontwikkelde Van der Elsken in Parijs, waar hij in 1950 belandde. Hij zette zijn ervaringen daar graag in een romantisch licht: ‘Ik slaap op de Seinekade bij de clochards. Als ik de eerste keer ontwaak onder de Pont Neuf, blijkt in mijn rugzak de stokvis, die mijn moeder me de vorige dag had meegegeven – “Hier jong, dan heb je tenminste wat te eten de eerste dagen, dit bederft niet” – door de ratten te zijn aangevreten.’ Het bleef daarna krabbelen en scharrelen, op een paar luxe opdrachtjes na, en van dat krabbelen maakte Van der Elsken zijn eerste project, de beeldroman Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés, die eerst als feuilleton in buitenlandse bladen verscheen en in 1956 in boekvorm uitkwam. Het is een rauwe geschiedenis. Of Van der Elsken nou echt onder die brug geslapen heeft of niet, zijn maten van de straat in St. Germain zijn halve pooiers, zijn vriendinnen halve straatmadelieven, er wordt gezopen en gevochten en er wordt armoede geleden. Het onopgesmukte beeld van dat bohémien-bestaan slaat aan, het is een heel ander Parijs dan dat van Dior en Chanel en Cocteau.

Large 9. ed van der elsken  nozems  kamagasaki  osaka  1960   2
Ed van der Elsken, Yakusa territory Kamagasaki, Osaka (1960) Nederlands Fotomuseum © Ed van der Elsken / Collection Stedelijk Museum Amsterdam
Geportretteerden steken meer dan eens hun middelvinger op, maar Van der Elsken deed dat zelf eerst

De romantisering komt later, als hij in 1981 zijn materiaal nog eens bundelt als Parijs! Foto’s 1950-1954. Dan gebeurt hetzelfde als met de oudere foto’s van Amsterdam, die dan ook opnieuw verschijnen, met groot succes: de werkelijkheid wordt van charmant commentaar voorzien. De nozems van de Nieuwendijk, de ‘adorabele rotzakken’, de opgedofte meiden op de kermis van de Nieuwmarkt, Van der Elsken geeft ze een poëtisch patina. Ik weet niet of de reputatie van Amsterdam als vrijgevochten dwarse stad al bestond en dat Van der Elsken haar in beeld bracht, of dat het juist andersom is. Het lijkt me dat hij net als Simon Carmiggelt en Johnny Jordaan een belangrijke rol speelde in de promotie van die reputatie.

Actieve romantisering is deel van Van der Elskens opvatting over zijn werk, zijn kunstenaarschap. Hij wil registreren én becommentariëren. Daarin gaat hij verder dan de terughoudende fotografie met een journalistiek instinct, die ’t doet met wat er voor de lens komt. Het werk lijkt natuurlijk en geïmproviseerd, maar dat is het niet. Van der Elsken was de eerste om erop te wijzen dat hij altijd dacht in termen van stijl en altijd zocht naar een mooie compositie. Van der Elsken is een manipulator, een fotograaf die zijn beelden zelf schept. Hij schrijft aan een opdrachtgever: ‘Wil filmen als individuele expressie. Niet om geld te verdienen.’ Hij is een ekster. Hij zoekt, vindt en pakt. Hij deelt niets met zijn onderwerp. Hij is een zakkenroller, een uitvreter, maar juist omdat hij zijn assertieve ego laat spreken komt in de fotografie een kunstenaarschap naar voren. Van der Elsken was nergens bang voor en hij geneerde zich nergens voor. Hij vertrouwde op zijn lach en zijn branie, die maakten dat men die opdringerigheid accepteerde. Je zou denken dat die havenarbeiders in de Filippijnen hem anders al lang op zijn bek geslagen zouden hebben.

Large 10. ed van der elsken  beethovenstraat  amsterdam  1967
Ed van der Elsken, Beethovenstraat, Amsterdam (1967) Nederlands Fotomuseum © Ed van der Elsken / Collection Ed van der Elsken estate

In de documentairebeelden die de tentoonstelling vergezellen komen een paar van Van der Elskens ex-echtgenoten aan het woord. Daarbij vielen mij de woorden in van Annie M.G. Schmidts meesterwerk Ze mag hem hebben, ooit vertolkt door Conny Stuart in Heerlijk duurt het langst (1965). Zij zingt daarin smalend, met gebroken hart, over de echtgenoot die haar zojuist verlaten heeft voor een jong ding: ‘Ze mag hem hebben/ Zijn auto en zijn fotoboek/ Zijn rothumeur, zijn romantiek/ Zijn dia’s en zijn schuldgevoel/ En ook zijn whiskey-erotiek/ Ze mag hem hebben.’ Het leven met Van der Elsken was op den duur onmogelijk, zegt een van de weduwen. Hij was egoïstisch. De fotografie kwam eerst, en daarna de film, en dan een hele tijd niks. Zijn familie was vooral onderwerpsmateriaal. De films die hij erover maakte, Welkom in het leven, lieve kleine bijvoorbeeld, over de geboorte van zijn zoon Daan, getuigen van tomeloze fotografeerlust en liefde voor het leven, maar de ervaring van de geportretteerden was anders. In een interview met de Volkskrant sprak dezelfde Daan, inmiddels 53, over de depressie en het drugsgebruik die zijn leven hebben bepaald, en hij voerde dat terug op het feit dat zijn vader nooit echt een vader voor hem was geweest: ‘Ed was dwingend, dominant en afstandelijk. Hij was keihard. Het enige wat hij zei was: je bent een klootzak en je kan niks. Met Sinterklaas lagen er altijd platte pakjes: dan was zijn nieuwste fotoboek weer uit.’

Au. In de tentoonstelling en in de catalogus is die ondertoon aanwezig. In de voice-overs van zijn films is Van der Elsken te horen als een vrolijke Amsterdamse praatjesmaker, een man met branie en dankzij die branie komen zijn foto’s en films tot stand. Hij staat met zijn camera op de Dam bij de Nieuwendijk en spreekt de passerende jongens en meisjes brutaal aan: ‘Hé, schoonheid, kijk eens in de camera!’ De geportretteerden steken meer dan eens hun middelvinger op, maar kennelijk deed Van der Elsken dat zelf eerst, om het gebaar uit te lokken. Daan van der Elsken zag de werkzame waarde van die branie: ‘Bot en direct en tegelijkertijd op een bepaalde manier charmant. Daarmee bracht hij mensen zo van hun stuk, dat hij door iets heen brak. Dat er een stuk toneel wegviel.’

Large 5. ed van der elsken  selfportrait with ata kand   paris  1953
Ed van der Elsken, Selfportrait with Ata Kandó, Paris (1953) Nederlands Fotomuseum © Ed van der Elsken / Collection Ed van der Elsken estate

Het is duidelijk dat die benadering ook succesvol was omdat in die jaren een camera nog iets bijzonders was en de opdringerige journalist-fotograaf een zeldzaamheid. Die Amsterdammers of die schuchtere Japanners in Tokio vinden een camera nog gewoon spannend. Dat betekent dat de portretten iets anders moeten worden gewaardeerd; de beschermlaag was nog dun, het ‘toneel’ viel makkelijker weg dan vandaag. Waarmee misschien wel de belangrijkste lading van zo’n tentoonstelling voelbaar wordt. Dit is geen ‘tijdloze’ fotografie, het is juist uiterst tijdgebonden. Je merkt dat als je bedenkt hoezeer termen als ‘St. Germain des Prés’, ‘bohème’ of ‘Lieverdjes’ tot nostalgische clichés zijn geworden. Wij maken nu allemaal die foto’s. Elke backpacker in Azië maakt tegenwoordig honderden vanderelskenfoto’s, straatkindertjes met karakteristieke grijnslachjes, afgebladderde reclameposters, de vis op de morsige kade. De beschermlaag die Van der Elsken nog doorbreken moest is geheel verdwenen: iedereen poseert. De fotografie is iets totaal anders geworden.

In de catalogus legt Colin van Heezik er precies de vinger op. Nostalgie is een belangrijke reden waarom we zo van Ed van der Elsken houden, zegt hij, maar het is niet heimwee naar een vervlogen tijd. Het is heimwee naar de waarde van een foto of film zelf, zoals de beelden die Van der Elsken draaide van zijn rennende dochter in Welkom in het leven, lieve kleine, nog voordat iederéén zulke beelden ging filmen.


Ed van der Elsken: De verliefde camera. Stedelijk Museum, t/m 21 mei; stedelijk.nl