Heb de toekomstige dief lief

Eddy van Vliet
Verzamelde gedichten
Bezorgd door het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in samenwerking met de Vakgroep Nederlandse Literatuur en Algemene Literatuurwetenschap van de Universiteit Gent
De Bezige Bij, 976 blz., € 29,90

De dag dat mijn vader zijn gezin verliet, staat me helder voor de geest. Op zolder soldeerde mijn broer stukjes metaal aan elkaar, zonder werkelijk doel. Mijn zus playbackte een liedje van de toentertijd populaire popgroep Spargo, met een krultang die dienstdeed als microfoon. Ik keek naar Wickie de Viking die langs zijn neus wreef, ten teken dat hij een oplossing had bedacht voor alweer een nieuw probleem.
Plotseling hoorden we gestommel en geschreeuw. Mijn vader zocht de autosleutels die mijn moeder verstopt had. Hij ijsbeerde, vloekte en vond uiteindelijk zijn ticket to paradise. Hoe het precies gebeurde weet ik niet, maar op een gegeven moment greep ik zijn benen vast, om ’m te verhinderen weg te lopen. Of misschien verzin ik dat, het is te lang geleden. Ik weet wel dat we kermden als in het asiel achtergelaten huisdieren.

Er volgden vele jaren van radiostilte en voorzichtige toenaderingspogingen, totdat we op een waddeneiland tijdens een kruisverhoor met veel wodka de vrede tekenden.

Zojuist zijn de Verzamelde gedichten van Eddy van Vliet (1942-2002) verschenen, vijf jaar na zijn dood. De Vlaamse dichter wijdde in zijn latere werk nogal wat gedichten aan het vertrek van zijn vader, die de buitenechtelijke polonaise inzette op het moment dat zijn zoon veertien jaar oud was.

Afscheid van mijn vader

Ik wil alleen maar zeggen dat ik het niet weet.

Dat ik het allemaal niet zo duidelijk zag,

zoals gebleken achteraf.

Het tuinhek diende plotseling gesmeerd.

De lege plekken op de muur bedekt en vlug

vlug de geur van scheerzeep weg.

De kalende die Homerus declameerde. De maïsvretende.

De charmante die uit Frankrijk parfum meebracht. Hadden zij

ook hun koffers gepakt, de huisvrienden van de vrije dag?

Ik schreef het reeds meer. Die morgen

liep hij van de keuken naar de straatdeur

en kwam niet weer.

Van Vliet is veelvuldig op het schavot gezet om dit soort bekentenissenlyriek, door postmoderne poetsbakkers die dartpijltjes wierpen op de portretten van dichters die meer wilden dan het bundellang beschrijven van het moment voor een stoplicht op groen springt. Gelukkig mogen we nu weer waardering opbrengen voor dat ‘vlug/ vlug’ wegboenen van scheerschuimgeur, zodra de vos gevlogen is, en voor die vertwijfelde beginregels, als van een professioneel redenaar die eenmaal overmand begint te hakkelen. En, in een later gedicht, het ‘je suis désolé’ van de dichter tot zijn moeder, die haar trouw aan haar kroost moest bekopen met een weinig prominente plaats in het oeuvre van haar zoon.

Het is niet eerlijk. Niet over jou, maar over hem

die mij verlaten heeft, heb ik geschreven.

Ik meen dat we zelfs ontroerd mogen raken door de eindregels van het gedicht Moeder waaruit ik zojuist citeerde.

Het wordt tijd dat ik mij opnieuw naast je zet

en jij mij belet te kiezen voor wat ik niet heb.

Deze woorden in de richting van de vrouw die ‘alle hoop’ op vaders terugkomst verloren had, behoren tot de kwetsbaarste die ik ooit las. Toch betoog ik niet dat jonge dichters zich moeten laten verleiden tot navolging. Ik spreek hier niet de wens uit dat regels als ‘ik bad, zonder te weten tot wie of wat’ of ‘de oude man die zich terugvindt in het wankelend kind’ of ‘graaf mij op uit mijn toekomst/ en geef mij de namen/ der vrouwen die je niet overleefden’ nu door jonge honden als standaardwerken worden omarmd. Maar de stem van beroepsmelancholicus Van Vliet heb ik lief.

Het zijn zorgvuldig uitgedokterde weenteksten, expressies van een allesverlammende overtuiging dat schoonheid op het punt staat te vergaan, dat wie toenadert spoedig rechtsomkeert zal maken en dat zelf ervaren liefde zal omslaan en zal doven. Dat lees je in Van Vliets vroege werk (‘ik werd geboren in een wintertuin/ zonder maagkanker/ en met een merel in de keel// ik zal sterven in een winter/ met maagkanker/ en een kondor in de keel.’) En dat lees je in zijn latere gedichten, zoals in het bekendste gedicht van Van Vliet, Dood, uit de in 1991 gepubliceerde bundel De toekomstige dief.

Dood. Heb geen angst. Talm niet

voor mijn deur. Kom binnen.

Lees mijn boeken. In negen van de tien

kom je voor. Je bent geen onbekende.

Hou mij niet voor de gek met kwalen

waarvan niemand de naam durft te noemen.

Leg mij niet in een bed tussen kwijlende

kinderen die van ouderdom niet weten wat ze zeggen.

Klop mij geen geld uit de zak

voor nutteloze uren in chique klinieken.

Veeg je voeten en wees welkom.

Dat ‘wees welkom’ in dit enthousiaste onthaal is een regelrecht antwoord op een veel eerder gedicht, Biologisch, uit de in 1970 uitgekomen bundel Columbus tevergeefs: ‘de vitale plaatsen in mijn lichaam/ zijn: hart/ nieren/ darmen/ lever/ maag/ en/ longen// wanneer zal de eerste pijn/ zich laten voelen?’

Het antwoord op die vraag gaf Eddy van Vliet 21 jaar later.