Esohe Weyden, Nisrine Mbarki, Maxime Garcia Diaz en Ferdy Karto © Noortje Palmers / Willemieke Kars / Mateo Vega / Gregor Servais

Op zondag 12 juni wordt tijdens Poetry International bekendgemaakt wie de winnaar is van de C. Buddingh’-prijs 2022. Het is alweer de 35ste keer dat deze debuutprijs wordt uitgereikt. Een heuse traditie, al lijkt poëzie haar bestaansrecht altijd weer te moeten verdedigen.

Geertjan de Vugt stipte het onlangs nog aan in de Volkskrant, naar aanleiding van de winnaar van de Grote Poëzieprijs, Roelof ten Napel, die in vergelijking met zijn proza schrijvende collega’s weinig media-aandacht kreeg. ‘Ten overstaan van een gedicht voelen we ons al gauw machteloos. Schaamte of frustratie bekruipen menigeen wanneer men het gedicht niet begrijpt.’

Soms is weerzin in het spel. Zo liet Cindy Hoetmer (die overigens wel van Menno Wigmans werk houdt) in de rubriek 21 vragen aan… aan De Groene Amsterdammer weten: ‘Het is een wereld waar ik niks mee kan. Je husselt een paar woorden door elkaar en dat moeten mensen dan maar mooi vinden. Dan denk ik: gast, wat probeer je te vertellen met je rare rijmpjes?’

Schaamte, angst, weerzin, onbegrip. Toch verschijnen ieder jaar niet alleen tal van nieuwe dichtbundels, maar gelukkig ook tal van debuten. Er moet dus iets in de mogelijkheden van de poëzie schuilen waardoor ze ondanks alles een relevante literaire factor blijft. Maar liefst 26 debuten verschenen vorig jaar. De Buddingh’-jury koos voor Het is warm in de hivemind van Maxime Garcia Diaz, Het firmament tussendoor van Ferdy Karto, Oeverloos van Nisrine Mbarki en Tussentaal van Esohe Weyden.

Doe het toch maar van Babs Gons, Placebomens van Emma van Hooff en Ik zeg Emily van Yentl van Stokkum hadden ook in aanmerking kunnen komen voor een nominatie. De opvallendste afwezige is misschien wel Disoriëntaties van Evi Aarens. Dit omvangrijke, epische gedicht is vanwege de overduidelijke liefde voor traditie en intertekstualiteit en de ambachtelijke en vormtechnische toewijding een van de meest experimentele bundels van het afgelopen jaar. Disoriëntaties is misschien meer een trapeze-act waar je met bewondering naar kijkt dan een dansvoorstelling die je ook echt beroert, maar de bundel zit knap in elkaar, en is gedurfd en ambitieus.

De jury koos voor bundels die het persoonlijke en soms particuliere verhaal niet schuwen. Esohe Weyden (1999) was in 2018 finaliste in het Belgisch Kampioenschap Slam Poetry en daarna campusdichter van de Universiteit Antwerpen. Het gaat in Tussentaal in de eerste plaats om het metrum, om binnenrijm, eindrijm, meerduidigheid. De tussentaal is een ‘compagnon’, lees ik in het titel- en openingsgedicht, want ‘maakt van niets iets’. Het werk klinkt als een klok, maar Weyden zet de kamer vaak zo vol dichterlijke meubels dat je je nauwelijks nog kunt bewegen, zoals in palet parkinson:

ik snuif ze op beelden die al stamelend spreken en standpunten innemen zonder ze te staven stadsgezichten, stamcafés en op de straten ook obstakels strakke penseelstreken die groeien maar dan toch stagneren als stamcellen uitgegroeid en standhoudend

De wil tot klinken en allitereren stuurt de inhoud, waardoor ik bij nadere bestudering vaak denk: wat staat hier nu eigenlijk? Niet dat ik niet kan navoelen wat er bedoeld wordt, maar ‘beelden’ die stamelend ‘spreken’? ‘Penseelstreken’ die groeien (en stagneren) als stamcellen, die dan ‘uitgegroeid en standhoudend’ zijn?

De apokoinou in de regels ‘in mij suddert een vlam/ maakt cirkels in de lucht als een stuntman/ stuurt mijn gedachten tegen de wanden van een stuwwal’ zorgt voor een interessante ambiguïteit, maar als ik verderop lees: ‘stapel mijn zorgen op/ zestig kruisjes op mijn spaarkaart/ ze wijzen naar de verfspatten op mijn schildersdoek/ en staren door een spleetje naar de realiteit’ en me vervolgens afvraag waar die spaarkaart en dat schildersdoek vandaan komen, en voor me probeer te zien hoe kruisjes kunnen wijzen naar verfspatten en door een kier staren naar de werkelijkheid, voel ik me wat machteloos.

Het helpt niet dat het concrete vaak met het abstracte wordt vergeleken, waardoor je regels krijgt als: ‘we zouden kunnen wandelen/ op de krijtlijnen van onze verbeelding’. Het klankrijke hermetische kan een verrukking zijn – neem Luceberts ‘daar zit de kleine iwosyg/ een giftige walgvogel/ in zijn fris gewassen doedelzak/ is hij droevig en vrolijk’ – maar in Tussentaal is de taal helaas weinig verrassend, concreet of beeldend.

In Het firmament tussendoor lijkt Ferdy Karto (1981) de vervoering van herinneringen en impressies vast te willen leggen. Ook deze taal krijgt nadrukkelijk kleur (‘Hij rapst klanken die niet op/ stijgen de taal is aan de tong’), maar ondanks de soms wat geforceerde taalvondsten brengt hij ritme in zijn teksten door het klankrijke af te wisselen met iets wat op een verhaal lijkt, zoals in een naamloos gedicht waarin de roes van een ontmoeting beschreven wordt:

Twee pupillen paso-dobleerden met die van mij en iets meteorideerde de dampkring in, de violette zweem ervan verklaarde het schijnsel op haar haren het thuis van haar hals het kleefpleisterde me koest

Ook Karto komt echter met regels als: ‘Jij, tollenaar van mijn adem’ en ‘het marmer in de hal/ van mijn hoofd’. Karto heeft lef, wil de taal laten stromen, en de gedichten klínken lekker, maar vaak lijkt het alsof de teksten vooral aangekleed worden als poëzie, en niet zozeer vertrekken vanuit de mogelijkheden van de taal of het beeld zelf. Toch zit de bundel vol verrassende regels (‘In een nauw tel/ hokje voelen we elkaars reken/ sommen bruisen in onze ingewanden’) die me nieuwsgierig maken naar een vervolg.

Meertaligheid speelt een belangrijke rol in Oeverloos van Nisrine Mbarki (1977). Ik las de bundel als een verslag van uiteenlopende levens, die zich lang niet allemaal in Nederland afspelen. Een bundel over ouders, grootouders, kinderen, kleinkinderen, vriendschappen, al dan niet stukgelopen relaties. En dat alles in het Nederlands, maar hier en daar ook in het Frans, Arabisch en Tamazight.

Mbarki’s gedichten zijn verhalend van aard, zoals in de openingscyclus, die in vijf gedichten het verloop van een huwelijk beschrijft. In de woonkamer van de verteller hangt ‘een zwart-witfoto van twee jonge mensen/ begin jaren zeventig’ die aanvankelijk met hun kinderen het ideale gezin lijken te vormen, maar onder andere door arbeidsmigratie (‘hij zal duizenden 180ml-flesjes vullen’) en afstand uit elkaar groeien en bitter scheiden, tot ze op hoge leeftijd min of meer op elkaar zijn aangewezen, ondanks het verleden:

tijdens het offerfeest zullen ze allebei op bezoek komen bij hun kinderen ze zullen de sleutel van elkaars huis aan hun sleutelbos hangen hij zal boodschappen voor haar doen als ze ziek is zij zal hem nog altijd koppig vervloeken

Nu en dan is deze poëzie wat zoet (‘ze zullen grootouders worden van zes koppige engelen’), soms kan de beeldspraak wat preciezer (‘de lokroep van het bos blijft op je huid kleven/ kruipt en grijpt zich vast aan je oor’), maar hier wérkt de symboliek, zoals in de regels ‘de ochtend dat de bloedverwant sterft/ vliegt een grote nachtvlinder mijn huis in’. Vanwege de zoon die ‘rouwt om de mannen die hij niet heeft/ en nooit zal hebben’ begrijp je de vlinder-metafoor, en de tragiek van wéér een bezoeker die niet blijft. Verdichting, die maakt dat beelden of regels pregnant worden en blijven hangen is schaars, maar toch las ik Oeverloos
geboeid, vanwege het strijdbare verhaal dat Mbarki te vertellen heeft.

Strijdbaar is Het is warm in de hivemind van Maxime Garcia Diaz (1991) ook. Maar wel van een totaal andere orde. De strijdbaarheid komt vanuit de taal zelf. Evenals Oeverloos is Het is warm in de hivemind nadrukkelijk meertalig, en niet zo’n beetje ook: hele tekstgedeelten zijn niet in het Nederlands maar in het Spaans, Frans en vooral Engels. Er zullen zeker lezers zijn die de bundel als ingewikkeld ervaren, maar ik vind de radicale taal, het fragmentarische en het feit dat deze teksten pertinent niet behaagziek zijn ronduit uitdagend. Het werk is eigentijds wat betreft aanpak, maar thematisch van alle tijden: eenzaamheid, vervreemding, verlangen:

je voelde geen weerstand en dat maakte je bang :( er was niets om je ledematen bij elkaar te houden je vroeg aan het duister wil je me knuffelen het duister probeerde je te knuffelen het lukte niet het duister was ook van te weinig gemaakt

Deze poëzie is spannend, fris, zelfbewust en zeker niet ‘poëtisch’. Veel teksten spelen zich af in de virtuele ruimte, die echter geen vluchtroute is uit de prangende werkelijkheid. En dan die verbetenheid, de ironie, die niet te missen woede:

we hebben onze tanden geslependoor een langemannenschedeltussen onze kaken te vermorzelenwe hebben de kleine brokjes met aioligeserveerd als borrelhapjes oude vrouwtjeshebben ervan gegeten

Heb geen angst, dit is gewoon poëzie, zonder opzichtig zoeken naar vindingrijkheid. Hier valt niets te ontcijferen, er staat wat er staat. Een meer dan terechte nominatie, voor hét debuut van 2022.