Heb ik hoop?

Mijn ouders hadden duidelijk hoop!

Ze kwamen na de Tweede Wereldoorlog en het Indië-debacle in Nederland aan en wilden dat wij, kinderen, het minstens even goed zouden krijgen als zij – en dat is wel belangrijk – het hadden gehad.

Dus voordat ze in Japanse krijgsgevangenschap hadden gezeten.

Indië was een droom voor ze geweest. Daarvoor was er het studentenleven in Leiden, en daarvoor een onbezorgde jeugd in Amsterdam. Mijn vader had een onbezorgde jeugd in Indië gehad.

Maar wat hadden zij in de jaren vijftig van de vorige eeuw ons te bieden?

Mijn vader was daar duidelijk in: een intellectueel ambtenarenleven. Daaronder verstond hij: specialistische kennis vergaren en die daarna tegen een goed salaris verkopen. Dus: econoom worden, of jurist, of leraar – en dan als ambtenaar te werk gesteld worden, met een goede pensioenvoorziening.

De rest van je tijd moest je besteden aan je intellect. Lezen, muziek maken, schrijven, tekenen en schilderen – maar als amateur. Alleen de uitzonderlijken mochten professioneel kunstenaar worden. Wij, mensen uit Indië, hadden geen talent, en als we wel talent hadden zou dat talent nimmer worden gezien omdat we uit Indië kwamen.

Hier werd niet moeilijk over gedaan.

Mijn ouders stopten ons vol met hoop, hoop dat wij het beter zouden krijgen dan zij, hoop dat wij onze kinderen zo’n opvoeding zouden geven dat zij nóg hoger op de maatschappelijke ladder zouden stijgen.

Het ontbrak mijn ouders aan het inzicht dat economische en andere processen van invloed kunnen zijn op het welzijn.

Is er werkelijk een tekort aan geluk, aan feest, aan geld, aan rechtvaardigheid?

Ik ken nu vele jonge mensen, veelal vrienden van mijn dochter, die een prachtopleiding hebben, soms zelfs twee of drie (!) masters bezitten en werkloos zijn. Of werk doen waarvoor ze te hoog geschoold zijn.

Meestal heb ik groot medelijden als ik met ze praat, soms word ik kribbig.

Als ik vraag: ‘Wat zou je het liefst willen doen’, en ik hoor: ‘Ik zou graag een eigen talkshow hebben, zoiets als Matthijs van Nieuwkerk’, dan raak ik ernstig geïrriteerd. Mijn vervolgvraag kan niet anders zijn dan: ‘Waarom heb je die talkshow dan nog niet?’ Is dat flauw van mij? Misschien wel, misschien is die ambitie wel goed. Maar het begrip ambitie stelt weinig meer voor. Ambities waren vroeger: een goede jurist zijn, een goede dokter, een goede docent, een goede dierenarts, ik noem maar wat. Maar tegenwoordig is ambitie versuikerde hoop. Ik hoorde een meisje met twee masters zeggen: ‘Het liefst was ik recensente van kinderboeken.’ Dat ergerde me ook! Hoge ambities hebben en hoge doelen stellen is iets dat door een managerscultuur is opgedrongen – en dat is uitstekend als het financiële doelstellingen betreft – maar het loopt absoluut spaak als het ambities zijn waar status, financiën en geesteswetenschappen in elkaar verstrengeld raken.

Als iemand tegen een psychiater zou zeggen: ‘Ik ben depressief want mijn moeder wilde dat ik Sonja Barend werd, en dat is me niet gelukt’, voel je meteen het absurde, maar toch is dit wat er momenteel aan de hand is.

De hoop op een betere toekomst is aan het ronddwalen omdat we niet meer weten wat een betere toekomst is. Ja, iets meer rechtvaardigheid zou mooi zijn, iets meer gezondheid ook, iets meer geld is nooit weg – maar is er werkelijk een tekort aan geluk, aan feest, aan geld, aan rechtvaardigheid? En zouden we die tekorten aan feesten, aan geld en rechtvaardigheid moeten opgeven? Ik hoop het toch niet.

Wat ik met de opvoeding van mijn dochter wilde bereiken, was ‘zelfstandigheid’. Dat ze op eigen benen kon staan. En de consequenties zou dragen van haar beslissingen.

Ze is nu een ongehuwde moeder. Ze doet het uitstekend. En toch ben ik soms bang.

Bang voor de toekomst van haar en mijn kleinkind.

Waar hoop ik op? En heb ik wel hoop?