Heb ik iets geleerd?

Ik heb negen jaar lesgegeven aan ‘anderstaligen’. Destijds, alweer vijftien jaar geleden, maakte ik me sterk voor de term ‘anderstalig’. Dat vond ik een vondst. De andere leraren spraken nog over ‘buitenlanders’ op een wat denigrerende toon.

Niet alleen ik, maar ook de directeur van de school vond dat met name ik aan die anderstaligen les moest geven. Ik had immers ook een kleurtje, zij het niet erg opvallend. Ik moest Nederlands geven aan wat ik nu een verloren generatie vind: meisjes tussen de 13 en de 19 die rechtstreeks uit Marokko en Turkije etc. vandaan kwamen en geen woord, maar dan ook geen woord Nederlands spraken. Ik geloofde toen nog in linkse politiek. Er was een taalmethode van ene Freire die ik bijzonder goed vond. Je liet een plaatje zien van een fabriek. En je zei ‘fabriek’. Je liet dat nazeggen. Vervolgens liet je alles zien wat met die fabriek te maken had en herkenbaar was: machine, voorman, baas, salarisstrook - noem maar op. Voor mijn anderstalige meisjes liet ik dus een 'keuken’ zien, nam een 'afwasteil’ mee met daarin allemaal zaken die je in de keuken vindt: bord, afwaskwast, vim, droogdoek, kopje, schotel. Het zal wel niet 'geëmancipeerd’ zijn wat ik deed, maar ik wist niets anders te verzinnen. Na een aantal jaren kwam ik erachter dat ik het helemaal fout deed. Kinderen leren het meest van elkaar. Na een paar maanden hoorde ik ze praten over lippenstift, mascara, jongens, brommers, disco - en mijn afwaskwast waren ze alweer vergeten. Ik wist dat je Nederlandse en allochtone leerlingen bij elkaar in de klas moest zetten, wilde je ze snel Nederlands leren. Maar daar maakten de school en de ouders - van beide groepen - bezwaar tegen. Het - wat ik noem - 'tevergeefse lesgeven’ begon. Zeven uur Nederlands per week, waarin je eigenlijk niets aanleerde. Althans, ik kon het niet. Het enige wat hielp was om voortdurend een noodzaak te scheppen om Nederlands te leren. Wanneer de leerlingen boodschappen moesten doen, in hun eentje, wanneer ze iets moesten betalen, wanneer ze iets moesten invullen, en ze aldus gedwongen werden Nederlands te spreken en te schrijven, ging het allemaal veel sneller. Mijn moeder vertelde me in die tijd een verhaal. In Japanse krijgsgevangenschap moest zij in het Japans leren tellen. De Jappen deden dat zo: ze trokken hun pistool, richtten dat op een vrouw, ze zeiden: dit zijn de Japanse cijfers van één tot tien, zeg ons na - en de vrouwen onthielden het direct. Mijn moeder kan nu nog in het Japans tellen. Ze kan zelfs hele zinnen in het Japans zeggen die ze op dezelfde manier heeft geleerd. De fouten die ik maakte, worden nog overal gemaakt. We zijn er onderhand wel van overtuigd geraakt dat je mensen moet dwingen tot bepaalde handelingen, maar dwang zonder noodzaak werkt niet. Het heeft, zoals de Amsterdamse politie wil, geen enkele zin om criminele allochtone jongeren normen en waarden bij te brengen wanneer je zelf de noodzaak van die waarden niet inziet. Je kunt ze in kampen stoppen, en dan leren ze die normen en waarden wel, maar ze integreren ze niet in hun handelen. Zo simpel is het. Ik hoor op de radio weer een agent spreken over Marokkaanse jongeren die veel verdienen met drugskoeriersdiensten. Jongetjes van twaalf moeten drugs brengen naar een bepaald adres. Ze leven er goed van. Het is voor de hand liggend om dat af te keuren - dat doe ik ook, want het mag niet van de wet - maar een oplossing vind je eerder door een verandering in het drugsbeleid aan te brengen dan door die jongetjes te straffen. Voor die jongetjes zijn die koeriersdiensten een noodzaak om zich staande te houden. Je moet dus die noodzaak weghalen. Deze manier van denken lijkt wel onbespreekbaar. Je zult dan ook nog zeker twintig jaar dit probleem houden - tot er een nieuwe generatie is.