‘heb je al een titel?’

De receptioniste vroeg me voor de derde keer om mijn naam en ik moest denken aan Ian Hamilton, de biograaf van Salinger, die op het hoogtepunt van de juridische veldslag met Salingers advocaten zijn uitgever bezoekt om steun, en die ook ontvangen wordt door een receptioniste: ‘Ik kon zien dat ze al bezig was zich mijn naam te ontherinneren.’

Het was drie jaar sinds mijn boek uitgekomen was. ‘Weet je wat jij moet doen?’ had mijn uitgever gezegd aan de telefoon. 'Een bestseller schrijven.’
Ik hield de hoorn een meter van me af en keek er even naar. Ik bracht hem weer naar mijn mond.
'Goed idee’, zei ik. 'Dat ik daar zelf nooit opgekomen ben.’
'Kom even langs van de week, dan hebben we het er over.’
Ik legde de hoorn neer en probeerde me te herinneren wie ik ook alweer was. Soms kun je je ook je eigen telefoonnummer niet meer herinneren.
'U kunt doorlopen naar boven’, zei de receptioniste. Een bord met een broodje kaas, een broodje ham en een glas melk stonden al klaar op tafel. Mijn uitgever zat er tegenover. 'Tast toe’, zei hij.
Ik bracht het broodje naar mijn mond. 'Hoe ver ben je?’ vroeg hij.
Ik legde het broodje terug op het bord en likte de kruimels van mijn vingers.
'Met de bestseller?’ vroeg ik. Hij grinnikte niet, zoals ik gehoopt had, maar knikte ernstig.
'De enige bestseller die ik kan schrijven zou een zelfhulpboek zijn’, zei ik. 'Twintig Goede Redenen Om Door Te Gaan Met Roken. Hoe Te Ontsnappen Met Beddegoed & Andere Huishoudelijke Zaken. Vrienden Maken Door Intimidatie.’
Hij lachte weer niet. Hij pakte een pen en krabbelde iets op een smetteloze bloknoot. 'Non-fictie is makkelijker, en meestal winstgevender’, zei hij goedkeurend.
'Het was niet helemaal serieus bedoeld’, zei ik. 'Dat is niet het soort boek dat ik van plan ben te schrijven.’
Hij legde zijn pen neer. Na een stilte van een maand of drie stond hij op en ging voor het raam staan. Vanuit zijn kantoor had je een prachtig uitzicht op een verloederde tuin, met een ingestort prieeltje en een paar flink scheve bomen die ooit nog wel eens slachtoffers zouden maken.
'Heb je dat vriendinnetje nog?’ vroeg hij.
'Welke?’
'Die uit je vorige boek?’
'Je weet toch hoe dat boek afliep?’
Hij zei: 'Ach ja. Da’s waar ook.’
We zwegen nu gezamenlijk. De telefoon ging. Hij nam op en zei: 'Niet nu. Ik ben in bespreking.’
Hij liep weer naar het raam. Ik ging naast hem staan. Twee spreeuwen vochten schreeuwend om een plaats in de modder.
'Heb je al een titel?’ vroeg hij.
'Ja’, zei ik.
Mijn uitgever knikte. 'Geef die straks even door aan mijn secretaresse’, zei hij. 'En dan zetten we ’m erin voor over een paar maanden.’ Hij pakte mijn hand en schudde eraan. 'Ik verheug me erop.’
Beneden lachte de receptioniste me stralend toe toen ik de trap af kwam. 'Dag meneer Jaeggi’, zei ze.