‘Heb je in slate 263 dat shot van dat gesloopte stationnetje gezien?’

Ik moet een column schrijven en mijn hoofd is leeg. Mijn hoofd is leeg omdat het vol zit. Ik ben namelijk mijn speelfilm aan het monteren: railmovie.

Mijn nieuwe film. Een vader-dochterfilm op de route van de oude Oriënt Express. Maar dan in het ‘nu’.

En als je monteert zit je hoofd vol. Met takes, scènes, lachjes, panorama’s, snijshotjes, hoofddraaien, continuïteiten en discontinuïteiten, met shots en sequenties, met dialogen en muziekmomentjes, met een hand te vroeg omhoog of een oogknipper op het verkeerde moment.

De film bestaat nu half in de computer en voor de andere helft in mijn hoofd. En die moet nog uit mijn hoofd en in het montagedocument.

’s Avonds spot ik ten overvloede nog een keer het materiaal van de scènes die ik de volgende dag ga monteren. Ik ken alle takes al. Dat wel. Welk zinnetje mijn acteurs in welke poging het best doen. Of het kleinst. Het uitbundigst of net nonchalant genoeg. Dán kom je weer die goeie take tegen die je toch niet kunt gebruiken vanwege net even te weinig licht of te veel geluid of omdat een figurant in de camera kijkt.

Mijn editor Ben Isaacs en co-auteur Erik Wünsch en ik kennen elk hoekje van het materiaal inmiddels.

‘Heb je in slate 263 van Novi Sad naar Belgrado dat shot van dat gesloopte stationnetje gezien?’

‘Ja… vlak voordat je die honden ziet naast die brandweerauto, toch?’

‘Kijkt ze in take 4 van slate 281 in Sofia lang genoeg achterom om dat shot van haar vader op te snijden of hebben we die point of view helemaal niet nodig?’

Dit soort gesprekken. Maar dan in het Engels. De film is in die taal en onze editor Ben komt uit Wales.

Ons materiaal is helemaal doodgespot. We hebben alle drie vierkante ogen en ons persoonlijk leven bestaat nauwelijks.

Het spotten van het ruwe materiaal is het warmlopen voor de volgende dag. Ik kan dan niet wachten tot het de volgende ochtend is. In de tram naar de montagekamer zie ik de nieuwe scènes al voor me of denk ik over het al dan niet wegsnijden van dit of dat zinnetje. Is er te veel van dit in de film, of te weinig van dat? Is de hoofdfiguur in deze edit te onzeker of mag hij of zij wat sympathieker? Zijn er shots in de ontmoetingsscène waarin hij wat welwillender kijkt?

De edit is een lange tunnel. Een grote rekensom van twee maanden. De edit beheerst mijn leven. Ik ben meer van de film dan de film van mij is.

Er past niets meer bij in mijn hoofd… eigenlijk. Ik ben dan ook niet te genieten soms. Elk moment dat ik niet aan iets anders denk maar aan de film kan de film beter worden. Elke seconde niet aan vrouwen, voetbal of politiek denken kan een briljante ingeving voor de montage opleveren. Elk moment dat ik aan een column voor De Groene werk, werk ik niet aan de montage. En dat zou eigenlijk niet moeten mogen.